De Mouvement pour les États-Unis d'Europe (MEUE) was een Belgische Europees-federalistische beweging die eind 1958 in Brussel werd opgericht door de liberale bouwpromotor Jean-Florian Collin en de rechts-conservatieve industrieel Florimond Damman. De beweging maakte deel uit van het Belgische milieu rond de Action Européenne Fédéraliste (AEF). Na een conflict tussen Collin en Damman verliet Damman de MEUE in 1960. Collin betrok vervolgens de Antwerpse ondernemer Walter Kunnen bij de beweging en gaf hem de opdracht een Vlaamse afdeling op te richten. Deze afdeling, de Beweging voor de Verenigde Staten van Europa (BVSE), ontwikkelde zich in 1961 en 1962 tot een zelfstandige organisatie.

Achtergrond De MEUE ontstond tegen de achtergrond van verdeeldheid binnen de naoorlogse Europese federalistische beweging. Na het mislukken van de plannen voor een Europese Defensiegemeenschap in 1954 ontstond binnen de Unie van Europese Federalisten onenigheid over de te volgen strategie. Een meer pragmatische, zogenoemde possibilistische stroming richtte in 1956 de Action Européenne Fédéraliste op, terwijl een andere federalistische stroming verderging binnen het Mouvement Fédéraliste Européen.

In België bleef de georganiseerde federalistische beweging aanvankelijk relatief beperkt. Tegen het einde van de jaren 1950 waren binnen de AEF onder meer afdelingen in Luik en Brussel actief. De Brusselse afdeling kreeg de naam Mouvement pour les États-Unis d'Europe en werd eind 1958 opgericht door Jean-Florian Collin en Florimond Damman. Collin was actief als bouwpromotor en stond aan het hoofd van het vastgoedbedrijf Etrimo; Damman was een industrieel die zich in conservatieve en Europeesgezinde organisaties bewoog.

Breuk tussen Collin en Damman Volgens historica Klaartje Schrijvers werd Damman binnen de MEUE algemeen leider. In 1960 ontstond een conflict tussen hem en Collin. Schrijvers brengt dat conflict in verband met de inschrijving van ongeveer honderd werknemers van Collins onderneming Etrimo als leden van de MEUE, waarbij Collin zelf hun lidgeld zou hebben betaald. Daardoor ontstond volgens haar een machtsstrijd over de interne verhoudingen binnen de beweging. Deze reconstructie berust mede op correspondentie van Damman die Schrijvers in haar proefschrift onderzocht.

Damman brak in 1960 met Collin en richtte vervolgens de Partisans de l'Europe Nouvelle (PEN) op. Deze organisatie ging korte tijd later verder als de Action pour l'Europe Nouvelle et l'Expansion Atlantique (AENA). Een studie van het Brusselse onderzoekscentrum CRISP uit 1964 omschreef AENA uitdrukkelijk als ontstaan uit een afscheiding van de door Collin geleide MEUE en vermeldde Damman als secretaris-generaal van de nieuwe organisatie.

Vlaamse afdeling en ontstaan van de BVSE Na de breuk met Damman zocht Collin contact met de Antwerpse bouwondernemer Walter Kunnen. In augustus 1960 benoemde hij Kunnen tot ondervoorzitter van de MEUE en belastte hem met de oprichting van een Vlaamse afdeling. Deze werd in het Nederlands aangeduid als de Beweging voor de Verenigde Staten van Europa (BVSE).

De Vlaamse afdeling bouwde onder Kunnen snel een eigen werking uit. In januari 1961 verscheen het eerste nummer van het tijdschrift Europa Eén. Er kwam een permanent secretariaat in Wilrijk en de BVSE organiseerde eigen bijeenkomsten en acties. Volgens Cobbaert functioneerde de Vlaamse afdeling daardoor al snel in belangrijke mate onafhankelijk van de Brusselse MEUE. In oktober 1961 besloot de BVSE een eigen officieel statuut aan te nemen. De statuten werden op 22 februari 1962 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

In de zomer van 1962 vonden onderhandelingen plaats om de MEUE en de BVSE opnieuw in een federatieve structuur samen te brengen. Die samenwerking hield geen stand. Op 14 december 1962 bevestigde de algemene vergadering van de BVSE Kunnen in zijn functie en verbrak de organisatie de banden met de MEUE. Vanaf dat moment moeten MEUE en BVSE daarom als afzonderlijke organisaties worden onderscheiden. Segers en Winand beschrijven in hun studie de MEUE als de Franstalige component van dit Belgische federalistische milieu, onder leiding van Collin, en de BVSE als de Nederlandstalige component onder Kunnen.

Positie binnen de Europese federalistische beweging De institutionele positie van de MEUE binnen de Belgische en internationale federalistische beweging was complex. De Luikse afdeling van AEF-Belgique werd in 1959 opgenomen in de Belgische Raad van de Europese Beweging. De verhouding van de Brusselse MEUE tot deze structuren leidde daarentegen tot onenigheid. Segers en Winand wijzen erop dat de internationale leiding van de AEF de MEUE en later ook de BVSE een plaats binnen haar netwerk gaf, terwijl vertegenwoordigers van de Belgische AEF daar bezwaren tegen hadden.

Ook een omvangrijk overzicht van Europese bewegingen dat CRISP in 1968 publiceerde, behandelde de MEUE afzonderlijk in zijn bespreking van de Belgische organisaties die zich voor Europese eenmaking inzetten. Die studie onderscheidde de MEUE van zowel de BVSE als AENA en bevestigt daarmee dat de verschillende organisaties na de conflicten van het begin van de jaren 1960 afzonderlijke trajecten volgden.

Terugloop In de jaren 1960 bleef de MEUE met Collin verbonden, maar haar relatieve betekenis binnen het Belgische federalistische milieu nam af ten opzichte van de BVSE. Segers en Winand stellen dat kort vóór de reorganisatie van de Europese federalistische beweging in 1973 de AEF in België in hoofdzaak door de Vlaamse BVSE werd vertegenwoordigd en dat haar Franstalige tegenhanger toen vrijwel verdwenen was. Een precieze formele ontbindingsdatum van de MEUE wordt in deze studie niet vermeld.

Zie ook

Europese Beweging Unie van Europese Federalisten Ligue Européenne de Coopération Économique Beweging voor de Verenigde Staten van Europa Florimond Damman

Categorie:Geschiedenis van de Europese Unie Categorie:Politiek van de Europese Unie