De Service de documentation extérieure et de contre-espionnage (SDECE) was de Franse inlichtingendienst voor buitenlandse inlichtingen en contra-inlichtingen van het einde van 1945 tot 1982. De dienst volgde de tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog actieve Direction générale des études et recherches (DGER) op en was op zijn beurt de directe voorganger van de huidige Direction générale de la Sécurité extérieure (DGSE).
De SDECE verzamelde en analyseerde informatie buiten Frankrijk en beschikte daarnaast over capaciteiten voor geheime operaties. De geschiedenis van de dienst werd in belangrijke mate bepaald door de vroege Koude Oorlog, de Eerste Indochinese Oorlog, de Algerijnse Oorlog en de politieke gevolgen van de Ben Barka-affaire. Aanvankelijk ressorteerde de dienst onder het hoofd van de Franse regering; in januari 1966 werd hij onder het gezag van de minister van de Strijdkrachten geplaatst.
Oprichting en positie binnen de Franse staat De SDECE ontstond uit de reorganisatie van de Franse geheime diensten na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de oorlog hadden de diensten van Vrij Frankrijk, waaronder het Bureau central de renseignements et d'action (BCRA), inlichtingenwerk en clandestiene operaties uitgevoerd. Na de bevrijding werd een deel van deze structuren samengebracht in de DGER. Volgens historicus Claude Faure besloot de Franse regering eind december 1945 de DGER te vervangen door de SDECE.
Een als très secret geclassificeerd decreet van 28 december 1945 geldt in de archiefdocumentatie van de Franse Service historique de la Défense als de oprichtingsgrondslag van de SDECE. Ook de DGSE dateert het ontstaan van de dienst op 28 december 1945. Het decreet waarmee in 1982 de DGSE werd ingesteld, verwijst daarnaast naar een decreet van 4 januari 1946 portant création van de SDECE.
De instelling vormde het centrale Franse apparaat voor buitenlandse inlichtingen. Daarmee verschilde haar werkterrein van dat van de naoorlogse binnenlandse veiligheids- en contra-inlichtingendiensten. De afbakening tussen buitenlandse inlichtingen, militaire belangen, binnenlandse veiligheid en geheime actie was in de praktijk echter niet altijd scherp, vooral tijdens koloniale conflicten en internationale crises.
Indochina Een van de eerste belangrijke werkterreinen van de nieuwe dienst was Frans-Indochina. Historicus Jean-Marc Le Page beschrijft de jaren 1945–1946 als een periode waarin de SDECE zijn aanwezigheid en deskundigheid in de regio nog moest opbouwen. De dienst was pas gevormd en beschikte aanvankelijk over beperkte ervaring met de plaatselijke politieke en militaire verhoudingen.
Tijdens de Eerste Indochinese Oorlog ontwikkelde de SDECE er een uitgebreidere inlichtingenorganisatie. De bewaard gebleven archieven omvatten onder meer documenten over politieke en militaire inlichtingen, netwerken, operaties en de veiligheidssituatie in de regio. Een belangrijk deel van deze bronnen is ondergebracht in de SDECE-fondsen van de Service historique de la Défense.
Naast klassieke inlichtingenvergaring hield het Franse geheime apparaat in Indochina zich bezig met clandestiene en paramilitaire activiteiten. Daarbij werden contacten met en steun aan lokale anti-communistische strijdgroepen onderdeel van de Franse strategie. Deze combinatie van inlichtingenwerk en geheime actie werd kenmerkend voor delen van het latere optreden van de SDECE in de dekolonisatieconflicten.
Algerijnse Oorlog en geheime actie Ook tijdens de Algerijnse Oorlog speelde geheime actie een belangrijke rol. Historisch onderzoek op basis van Franse archieven laat zien dat Frankrijk tussen 1956 en 1958 een reeks paramilitaire clandestiene operaties plande of uitvoerde in het kader van de strijd tegen de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging. De operaties waren gericht op het verstoren van netwerken, bevoorrading en andere activiteiten van de tegenstander en werden zodanig georganiseerd dat de betrokkenheid van de Franse staat zo veel mogelijk kon worden ontkend.
Een bijzonder omstreden onderdeel daarvan waren de aanslagen die in de tweede helft van de jaren 1950 in West-Duitsland werden toegeschreven aan La Main Rouge ("De Rode Hand"). Doelwitten waren onder anderen Algerijnse nationalisten en personen die betrokken waren bij de levering van wapens aan de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging. Historica Mathilde von Bülow concludeerde op basis van haar onderzoek dat de door haar onderzochte aanslagen niet het werk waren van een autonome extremistische organisatie of van eigenmachtig handelende agenten, maar door de SDECE werden uitgevoerd met instemming van hoge Franse politieke autoriteiten; La Main Rouge fungeerde volgens haar daarbij als dekmantel.
Deze activiteiten moeten worden gezien binnen het bredere Franse beleid tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Onderzoek naar de clandestiene operaties benadrukt daarbij zowel het gebruik van paramilitaire middelen als het streven naar afscherming en ontkenning van officiële verantwoordelijkheid.
Ben Barka-affaire en reorganisatie De ernstigste politieke crisis rond de SDECE ontstond na de verdwijning van de Marokkaanse oppositieleider Mehdi Ben Barka in Parijs op 29 oktober 1965. De affaire bracht contacten aan het licht tussen personen die bij de zaak betrokken waren en medewerkers of informanten van de Franse veiligheids- en inlichtingendiensten. De precieze verantwoordelijkheid van de SDECE als instelling vereist daarbij nuancering. Claude Faure stelt dat de SDECE niet als dienst rechtstreeks bij de ontvoering betrokken was, maar dat de affaire wel ernstige tekortkomingen in de werking, informatieoverdracht en controle van de dienst blootlegde.
De politieke gevolgen waren aanzienlijk. Tot dan toe ressorteerde de SDECE onder de premier. Bij decreet nr. 66-66 van 22 januari 1966 werd de dienst onder het gezag van de minister van de Strijdkrachten geplaatst. Een uitspraak van de Franse Conseil d'État uit 1972 bevestigde eveneens dat de dienst vanaf het decreet van 22 januari 1966 onder de minister van de Strijdkrachten viel.
De affaire vormde daarmee een belangrijk keerpunt in de institutionele geschiedenis van de SDECE. De wijziging van het politieke toezicht moest de verantwoordelijkheid voor en de controle op de buitenlandse inlichtingendienst duidelijker organiseren.
Laatste periode en overgang naar de DGSE In de jaren 1970 bleef de SDECE de belangrijkste Franse buitenlandse inlichtingendienst. De Koude Oorlog, de internationale positie van Frankrijk en de politieke en veiligheidsbelangen van het land buiten Europa bepaalden in hoge mate de omgeving waarin de dienst opereerde. Tegelijkertijd bleef de institutionele inrichting van de Franse inlichtingendiensten onderwerp van hervorming.
Na de verkiezing van François Mitterrand tot president in 1981 volgde opnieuw een reorganisatie van de buitenlandse inlichtingendienst. Op 2 april 1982 werd bij decreet nr. 82-306 de Direction générale de la Sécurité extérieure opgericht. Het decreet bepaalde dat de nieuwe DGSE rechtstreeks onder de minister van Defensie kwam te staan en belast was met het verzamelen en verwerken van inlichtingen die de veiligheid van Frankrijk betroffen, alsmede met het opsporen en tegenwerken van buitenlandse spionage tegen Franse belangen buiten het nationale grondgebied.
Hetzelfde decreet trok de eerdere rechtsgrondslag van de SDECE in. Daarmee eindigde het bestaan van de SDECE en ging de functie van centrale Franse buitenlandse inlichtingendienst over op de DGSE. De wijziging was meer dan een naamsverandering: zij maakte deel uit van een bredere poging de organisatie, leiding en positie van de Franse buitenlandse inlichtingendienst te moderniseren.
Archieven en historisch onderzoek Lange tijd bemoeilijkten geheimhouding en beperkte archieftoegang het historisch onderzoek naar de SDECE. De geleidelijke beschikbaarstelling van archiefbestanden heeft het mogelijk gemaakt specifieke onderdelen van de geschiedenis van de dienst nauwkeuriger te reconstrueren. Zo zijn de SDECE-archieven over Indochina sinds het midden van de jaren 2010 beschikbaar voor historisch onderzoek bij de Service historique de la Défense.
Ook de Archives nationales d'outre-mer bewaren documenten waarin de SDECE voorkomt, waaronder dossiers uit de jaren 1951–1954. De beschikbaarheid van dergelijke archieven heeft onder meer geleid tot nieuw onderzoek naar het optreden van de dienst tijdens de dekolonisatie-oorlogen.
Zie ook
Direction générale de la Sécurité extérieure Eerste Indochinese Oorlog Algerijnse Oorlog Mehdi Ben Barka
Literatuur
Categorie:Geheime dienst