Gladiolus murielae is een plant uit de lissenfamilie (Iridaceae). De soort is inheems in bergachtige gebieden in het oosten van Afrika, van Ethiopië tot Mozambique. In het Nederlands wordt de soort wel Abessijnse gladiool genoemd, maar vaker wordt de wetenschappelijke naam Acidanthera bicolor gebruikt, waaronder de soort in 1844 voor het eerst werd beschreven. Ze worden veel gekweekt en aangeplant in West- en Zuid-Europese tuinen, waar de knollen voor de eerste vorst uit de grond worden gehaald en 's winters vorstvrij bewaard.

Kenmerken De plant is een overblijvend knolgewas (geofyt) en wordt tot 1 m hoog. De bladeren zijn lijnvormig en staan vertikaal omhoog, parallel aan de stengel. De bloemen verschijnen in het tweede deel van de zomer. Ze staan aan het eind van de lange stengels met twee tot tien stuks in een zeer losse waaier of aar, en neigen over het algemeen naar één kant. De bloemen hebben twee schutbladen. Ze hebben een gebogen, 10–15 cm lange bloembuis. De kroonslippen zijn ongelijk van lengte, de zijwaarts gerichte met zo'n 4 cm het langst. Alle kroonslippen zijn wit, met van binnen een donkerpaarse, soms oranje vlek aan de basis (of keel). De vlek ontbreekt bij de bovenste kroonslip. De meeldraden zijn oranjerood, enkele centimeters lang, en lopen uit in een opvallende scherpe punt. De bloemen zijn vrij sterk zoet geurend.

Bestuiving De lange kroonbuis, de creme-witte bloemen, de vlekken in de keel en de zoete geur zijn typisch voor gladiolen die in hun natuurlijke verspreidingsgebied bestoven worden door pijlstaartvlinders met een lange tong.

Taxonomie De eerste publicatie waarin de soort werd beschreven en benoemd verscheen in 1844 en was van de hand van Christian Hochstetter. Hij creëerde daarin het geslacht Acidanthera waarin hij Acidanthera bicolor als enige soort opnam. Als etymologie voor de geslachtsnaam gaf hij: "ab "cuspis" propter antheras cuspidatas" [vanwege de puntige meeldraden]: van het griekse akis (puntig) en het Latijnse anthera (meeldraad). Hij beschreef de soort aan de hand van specimina die hem door de Duitse botanicus en plantenverzamelaar Georg Wilhelm Schimper uit Abessinië (Ethiopië) waren toegestuurd. Over het type meldde hij: "In collibus vallium districtus Schoata ad rupes humentes d. 24. Julio 1838 lecta." [verzameld in de heuvels van de valleien van het district Schoata (= Sokota),; hier wordt Schoata geïdentificeerd als Sokota, in het noorden van Ethiopië bij vochtige kliffen, op 24 juli 1838].

In 1973 voegde Wessel Marais het geslacht Acidanthera samen met Gladiolus. In dat geslacht was de naam bicolor niet meer beschikbaar omdat die door Carl Peter Thunberg in 1784 al was gebruikt voor een taxon dat nu beschouwd wordt als hetzelfde als Sparaxis villosa, waarvan Nicolaas Laurens Burman in 1768 het basioniem Gladiolus villosus publiceerde. Sommige auteurs zien Thunbergs naam over het hoofd en vermelden ten onrechte alleen de naam Gladiolus bicolor die in 1877 door John Gilbert Baker werd gepubliceerd als een nomen novum voor Gladiolus luteus non , een taxon dat nu wordt beschouwd als identiek aan Gladiolus virescens, en die de naam Gladiolus bicolor () in de weg stond.

Marais had dus voor deze soort een nieuwe naam nodig en hij bedacht het nomen novum Gladiolus callianthus. In 1932 had de Britse kweker James Kelway echter al een naam in Gladiolus voor dezelfde soort gepubliceerd: Gladiolus murielae. Kelway deed dat in The Gardeners' Chronicle, een tijdschrift voor tuiniers, en Marais zag dat over het hoofd. Omdat de naam G. murielae geldig gepubliceerd is, is G. callianthus een overbodige naam. De soortnaam murielae eert Muriel Erskine; haar echtgenoot E.N. Erskine was degene die in Ethiopië het exemplaar had verzameld waarop Kelway de naam baseerde.

In de handel wordt de soort nog veel aangeboden als Acidanthera bicolor, soms met murielae als een infraspecifieke naam, of zelfs als de cultivar 'Murielae'.

Categorie:Lissenfamilie