De Golpe Borghese, ook aangeduid als Operatie Tora Tora of de nacht van Tora Tora, was een mislukte poging tot een rechtse, neofascistische staatsgreep in Italië in de nacht van 7 op 8 december 1970. De operatie stond onder leiding van Junio Valerio Borghese, voormalig commandant van de Decima Flottiglia MAS en lid van de extreemrechtse Movimento Sociale Italiano. De couppoging bereikte een operationele fase in en rond Rome, maar werd kort na één uur 's nachts op bevel van Borghese stopgezet.
Tot de geplande doelwitten behoorden onder meer het ministerie van Binnenlandse Zaken, het ministerie van Defensie, de gebouwen van de publieke omroep RAI en belangrijke telefoon- en elektriciteitsvoorzieningen. Tijdens de nacht kwamen verschillende groepen daadwerkelijk in beweging. Leden van de extreemrechtse organisatie Avanguardia Nazionale drongen het ministerie van Binnenlandse Zaken binnen en een eenheid van het Staatsbosbeheer rukte op in de richting van de RAI. Historicus Juan Avilés beschouwt de Golpe Borghese als de enige van de verschillende Italiaanse coupprojecten uit het begin van de jaren zeventig waarbij daadwerkelijk een begin werd gemaakt met de operationele uitvoering.
Achtergrond De couppoging vond plaats tijdens een periode van sterke politieke en sociale spanningen in Italië. Vanaf het einde van de jaren zestig werd het land geconfronteerd met gewelddadige confrontaties, terroristische aanslagen en activiteiten van zowel extreemlinkse als extreemrechtse organisaties. In de geschiedschrijving wordt de Golpe Borghese doorgaans behandeld in de context van de Italiaanse Loden jaren en het debat over de zogenoemde strategie van de spanning.
Borghese had tijdens de Tweede Wereldoorlog leidinggegeven aan de Decima Flottiglia MAS, een Italiaanse marine-eenheid die bekendstond om onderwateraanvallen. Na de Italiaanse wapenstilstand van september 1943 bleef hij aan de zijde van de fascistische Italiaanse Sociale Republiek vechten. Zijn oorlogsverleden maakte hem na de oorlog tot een prominente figuur binnen delen van de Italiaanse extreemrechtse beweging.
Op 13 september 1968 werd in Rome de Fronte Nazionale opgericht, met Borghese als leider. De organisatie probeerde contacten te onderhouden met andere extreemrechtse formaties en met personen binnen militaire en maatschappelijke kringen. Borghese zocht onder andere toenadering tot vertegenwoordigers van Ordine Nuovo en Avanguardia Nazionale.
Voorbereiding In de maanden voor december 1970 intensiveerden leden van de Fronte Nazionale hun voorbereidingen en hun pogingen om contacten binnen de strijdkrachten te verwerven. Volgens de reconstructie van Tonietto, die onder meer is gebaseerd op stukken uit latere gerechtelijke onderzoeken, moesten de acties zich voornamelijk in Rome afspelen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en het ministerie van Defensie golden als belangrijke doelwitten. Daarnaast waren de bezetting van de RAI, telefooncentrales en elektriciteitsvoorzieningen voorzien.
De opzet was niet uitsluitend gericht op het fysiek bezetten van gebouwen. De samenzweerders rekenden erop dat onrust en de dreiging van geweld een ingrijpen door delen van de strijdkrachten zouden uitlokken. Voor het geval de actie zou slagen was tevens een proclamatie voorbereid waarmee een nieuwe politieke orde aan de bevolking bekendgemaakt zou worden.
De benaming Tora Tora verwees naar het Japanse codesignaal dat bekend werd door de aanval op Pearl Harbor van 7 december 1941. De geplande actie vond 29 jaar later vrijwel op dezelfde datum plaats.
Nacht van 7 op 8 december 1970 Op de avond van 7 december kwamen Borghese en verschillende andere organisatoren in Rome bijeen. Onder hen bevonden zich Remo Orlandini, die een belangrijke rol speelde bij de operationele coördinatie, en verschillende voormalige of actieve militairen. Vanuit verschillende plaatsen in en rond Rome werden groepen voor hun toegewezen taken gemobiliseerd.
Een commando van Avanguardia Nazionale onder leiding van Stefano Delle Chiaie wist het complex van het ministerie van Binnenlandse Zaken, het Viminale, binnen te komen. Volgens de latere gerechtelijke reconstructie kregen de deelnemers daar toegang tot een wapenkamer en werden ongeveer tweehonderd machinepistolen voor gebruik gereedgemaakt. Een voertuig met wapens werd vervolgens klaargemaakt voor verdere inzet.
Een andere groep bestond uit personeel van het Italiaanse Staatsbosbeheer onder leiding van kolonel Luciano Berti. Een colonne van 197 man vertrok vanuit Cittaducale in de richting van Rome en naderde de gebouwen van de RAI aan de Via Teulada. Ook andere groepen wachtten op orders om aan de operatie deel te nemen.
Deze gebeurtenissen vormen een belangrijk onderscheid tussen de Golpe Borghese en verschillende andere Italiaanse coupprojecten uit dezelfde periode. Volgens Avilés was er bij de Golpe Borghese niet slechts sprake van politieke gesprekken of plannen, maar werd de operationele uitvoering daadwerkelijk aangevangen.
Afbreken van de operatie Kort na één uur in de nacht ontving Borghese een telefoongesprek. Daarna gaf hij opdracht de operatie af te breken. Volgens de door Tonietto beschreven onderzoeksstukken verklaarde Borghese tegenover de aanwezigen dat een groep officieren die toegang tot het ministerie van Defensie had moeten verschaffen niet langer zou meewerken. Hij gaf geen volledige verklaring voor de plotselinge beslissing. De precieze reden waarom de operatie werd stopgezet is daardoor niet met zekerheid vastgesteld.
Na het bevel tot terugtrekking werd de colonne onder Berti vlak bij de RAI tot stilstand gebracht. Het voertuig met wapens uit het ministerie van Binnenlandse Zaken werd teruggeroepen en de wapens werden grotendeels teruggebracht naar de wapenkamer. De reeds begonnen operatie kon daardoor zonder een openlijke gewapende confrontatie worden beëindigd.
Openbaarwording en onderzoek De gebeurtenissen bleven aanvankelijk buiten de openbaarheid. Op 17 maart 1971 bracht de Romeinse krant Paese Sera het nieuws over de couppoging op de voorpagina, tegelijk met berichten over arrestatiebevelen tegen leden van de leiding van de Fronte Nazionale. Borghese wist aan arrestatie te ontkomen en week uit naar Spanje.
Het daaropvolgende onderzoek werd bemoeilijkt door onvolledige informatie, tegenstrijdige verklaringen en de rol van verschillende veiligheidsdiensten. In de jaren zeventig en later in de jaren negentig kwamen aanvullende stukken en opgenomen gesprekken beschikbaar die meer informatie bevatten over de voorbereiding van de couppoging en de contacten van de samenzweerders.
Borghese overleed op 26 augustus 1974 in Spanje. Op 5 november 1975 verwees onderzoeksrechter Filippo Fiore 78 personen naar de rechter in verband met de Golpe Borghese en andere daaropvolgende subversieve activiteiten.
Rechtszaken Op 14 juli 1978 oordeelde het hof van assisen in eerste aanleg dat voor de gebeurtenissen van 7 en 8 december 1970 het misdrijf van gewapende opstand niet bewezen was. Van de aanvankelijk 78 beklaagden werden 46 voor verschillende strafbare feiten veroordeeld.
In hoger beroep volgde op 27 november 1984 vrijspraak van de beklaagden voor de beschuldigingen betreffende de politieke samenzwering en couppoging, omdat volgens het hof niet was aangetoond dat de ten laste gelegde feiten de vereiste strafrechtelijke betekenis hadden. Deze uitspraak werd later door het Italiaanse Hof van Cassatie bevestigd.
De gerechtelijke uitkomst betekende niet dat historici de gebeurtenissen als louter fictief zijn gaan beschouwen. Later beschikbaar gekomen documenten en getuigenissen hebben geleid tot een onderscheid tussen de strafrechtelijke vraag of afzonderlijke verdachten voor specifieke misdrijven konden worden veroordeeld en de historische vraag in hoeverre er daadwerkelijk een georganiseerde poging tot machtsgreep bestond.
Discussie over buitenlandse en institutionele contacten De mogelijke betrokkenheid of voorkennis van Italiaanse staatsfunctionarissen, buitenlandse actoren, vrijmetselaars en de georganiseerde misdaad is onderwerp geweest van langdurig onderzoek en discussie. De beschikbare literatuur maakt daarbij onderscheid tussen gedocumenteerde contacten en verdergaande beweringen over daadwerkelijke steun aan de staatsgreep.
Amerikaanse diplomaten beschikten reeds vóór december 1970 over informatie dat Borghese en de Fronte Nazionale een staatsgreep overwogen. Een Amerikaans diplomatiek bericht van 7 augustus 1970 meldde dat personen rond de Fronte Nazionale belangstelling hadden getoond voor toekomstige Amerikaanse erkenning van een nieuw regime. De Amerikaanse ambassadeur Graham Martin liet daarentegen weten een staatsgreep onwenselijk en weinig kansrijk te achten.
Historicus Jonathan Marshall onderzocht deze contacten op basis van gedeclassificeerde documenten van het Witte Huis en de CIA. Hij beschrijft onder meer de rol van twee particuliere Amerikaanse politieke tussenpersonen die banden onderhielden met vooraanstaande Italiaanse samenzweerders. De bestaande documentatie rechtvaardigt daarom wel de vermelding van Amerikaanse kennis van en contacten met personen rond de samenzwering, maar niet zonder nadere kwalificatie de verdergaande stelling dat de Amerikaanse regering of de CIA de Golpe Borghese als officiële operatie ondersteunde. Avilés behandelt dergelijke verdergaande claims als onderdeel van een terrein waarop gedocumenteerde samenzweringen en onbewezen complottheorieën zorgvuldig van elkaar moeten worden onderscheiden.
Historische beoordeling De historische beoordeling van de Golpe Borghese is mede beïnvloed door het verschil tussen de uiteindelijke strafrechtelijke uitspraken en later beschikbaar gekomen bronnen. Tonietto stelt op basis van gerechtelijke onderzoeksstukken dat de dreiging van een staatsgreep serieuzer was dan een interpretatie waarbij de gebeurtenissen uitsluitend als amateuristisch of symbolisch worden beschouwd. Avilés komt in zijn bredere onderzoek naar neofascistisch geweld en coupprojecten tot de conclusie dat de Golpe Borghese zich van andere plannen onderscheidde doordat de operationele uitvoering daadwerkelijk was begonnen.
Tegelijkertijd blijven belangrijke onderdelen onzeker, waaronder de precieze reden voor Borghese' bevel om de actie af te breken en de werkelijke omvang van de toegezegde steun vanuit militaire, politieke en buitenlandse kringen. In de geschiedschrijving wordt daarom onderscheid gemaakt tussen aantoonbare gebeurtenissen in de nacht van 7 op 8 december en beweringen over een veel omvangrijker netwerk waarvoor het bronnenmateriaal minder eenduidig is.
Literatuur
Zie ook Junio Valerio Borghese Neofascisme Loden jaren Strategie van de spanning Staatsgreep Piano Solo
Categorie:Staatsgreep Categorie:Geschiedenis van Italië Categorie:Politiek in Italië Categorie:1970