miniatuur|SIFAR - logo De Servizio Informazioni Forze Armate (SIFAR; Nederlands: Inlichtingendienst van de Strijdkrachten) was van 1949 tot 1966 de gezamenlijke militaire inlichtingendienst van Italië. De dienst werd in de eerste jaren van de Koude Oorlog opgericht en hield zich bezig met militaire inlichtingen en contraspionage. SIFAR werd in 1966 opgevolgd door de Servizio Informazioni Difesa (SID).
SIFAR kreeg vooral bekendheid door de politieke dossiervorming tijdens het directoraat van generaal Giovanni De Lorenzo en door de latere controverse rond het Piano Solo uit 1964. Dit plan was geen SIFAR-operatie in strikte zin: het werd opgesteld door de Carabinieri toen De Lorenzo daar commandant-generaal was, nadat hij de leiding van SIFAR in 1962 had verlaten. De parlementaire en ministeriële onderzoeken naar de gebeurtenissen van 1964 behandelden de activiteiten van SIFAR en het Piano Solo echter gezamenlijk, omdat De Lorenzo nauwe banden met de dienst had behouden en de politieke dossiers van SIFAR een belangrijke rol in de affaire speelden.
Oprichting en positie SIFAR werd op 30 maart 1949 ingesteld door middel van een interne circulaire van minister van Defensie Randolfo Pacciardi. De oprichting maakte deel uit van de reorganisatie van de Italiaanse militaire inlichtingenstructuren in de naoorlogse periode, toen Italië zich tevens in het westerse veiligheidsstelsel van de Koude Oorlog integreerde.
De dienst fungeerde als de centrale militaire inlichtingenorganisatie voor de Italiaanse strijdkrachten. In de loop van de jaren vijftig kreeg SIFAR niet alleen een rol bij het verzamelen van buitenlandse en militaire inlichtingen, maar ook bij veiligheids- en contraspionageactiviteiten binnen Italië. Vooral onder Giovanni De Lorenzo breidden de middelen, personeelssterkte en invloed van de dienst aanzienlijk uit.
Directoraat van Giovanni De Lorenzo Giovanni De Lorenzo werd op 27 december 1955 tot hoofd van SIFAR benoemd als opvolger van generaal Ettore Musco. Hij bleef directeur tot 14 oktober 1962 en werd de volgende dag commandant-generaal van de Carabinieri.
Tijdens zijn directoraat nam de systematische aanleg van persoonsdossiers sterk toe. Volgens de door historicus Giorgio Boatti voor het Dizionario Biografico degli Italiani samengestelde biografie van De Lorenzo groeide het bestand uiteindelijk tot ongeveer 157.000 dossiers. Ongeveer 34.000 daarvan hadden betrekking op personen uit onder meer de politiek en het bedrijfsleven en op andere personen die door de dienst als van bijzonder belang werden beschouwd.
Latere onderzoekscommissies stelden volgens dezelfde bron vast dat informatie onder meer was verzameld door observatie, het controleren van telefoon- en postverkeer en het gebruik van informanten. Boatti vermeldt tevens dat in sommige gevallen informatie werd verzameld die als intimidatiemiddel kon worden gebruikt. Daarmee reikte de dossiervorming verder dan gegevens die uitsluitend voor militaire inlichtingen- of veiligheidsdoeleinden van belang waren. De omvang en het politieke karakter van de dossiers werden later een centraal onderdeel van de zogeheten SIFAR-affaire.
Stay-behindnetwerk en Gladio SIFAR was daarnaast betrokken bij de ontwikkeling van het Italiaanse stay-behindnetwerk dat later bekend werd als Gladio. Dergelijke clandestiene netwerken waren bedoeld om bij een mogelijke bezetting door de Sovjet-Unie of haar bondgenoten inlichtingen-, verbindings- en verzetsactiviteiten te kunnen voortzetten. Historicus Leopoldo Nuti heeft de ontstaansgeschiedenis van het Italiaanse netwerk onderzocht aan de hand van Italiaans en Amerikaans archiefmateriaal.
De samenwerking tussen de Italiaanse en Amerikaanse inlichtingendiensten over het stay-behindnetwerk kreeg in 1956 een formele basis in een overeenkomst tussen SIFAR en de Amerikaanse Central Intelligence Agency (CIA). De geschiedenis van Gladio werd vanaf 1990 onderwerp van afzonderlijke politieke en historiografische controverses. Die latere discussie moet worden onderscheiden van de specifiek op SIFAR betrekking hebbende dossiervorming en de gebeurtenissen rond het Piano Solo.
Piano Solo Na zijn vertrek bij SIFAR werd De Lorenzo commandant-generaal van de Carabinieri. In het voorjaar van 1964 gaf hij opdracht tot de voorbereiding van een noodplan waarmee de Carabinieri in een ernstige binnenlandse crisis met eigen middelen de openbare orde zouden kunnen beheersen. Het plan kreeg de naam Piano Solo, verwijzend naar het uitgangspunt dat uitsluitend de Carabinieri de voorziene operatie zouden uitvoeren.
Het plan werd tussen maart en juli 1964 uitgewerkt tijdens een periode van politieke spanningen en een regeringscrisis rond de eerste centrumlinkse regeringscoalitie. Het voorzag onder meer in maatregelen om strategische locaties onder controle te brengen en in de arrestatie van een groot aantal politieke activisten, die bij activering van het plan naar militaire locaties zouden worden overgebracht. Nadat de regeringscrisis in juli was opgelost, werd het plan niet uitgevoerd en vervolgens opgeborgen.
De precieze politieke betekenis van Piano Solo is onderwerp gebleven van historisch debat. De latere onderzoekscommissies stelden de aanwezigheid van omvangrijke politieke dossiers bij SIFAR en het bestaan van het plan vast. Treccani omschrijft het plan, op basis van die onderzoeken, als een mogelijk middel waarmee de Carabinieri in het politieke leven hadden kunnen interveniëren. Historicus Matteo Faini interpreteert de gebeurtenissen van 1964 in een studie in Intelligence and National Security als een coup manqué, een niet-voltooide of afgebroken staatsgreep. Andere bronnen zijn terughoudender met die kwalificatie.
Een memorandum van het Amerikaanse Bureau of Intelligence and Research uit januari 1968 maakte bijvoorbeeld expliciet onderscheid tussen de aantijging van ongeoorloofde dossiervorming, die volgens het memorandum door een Italiaanse regeringscommissie was bevestigd, en de beschuldiging dat De Lorenzo in 1964 daadwerkelijk een staatsgreep had beraamd, die op dat moment nog door een andere commissie werd onderzocht. Daarom kan Piano Solo niet zonder nadere kwalificatie als een bewezen poging tot staatsgreep worden omschreven.
SIFAR-affaire en onderzoeken Vanaf het voorjaar van 1967 kwam de kwestie van de politieke dossiers en de gebeurtenissen van 1964 uitgebreid in de openbaarheid. De beschuldigingen betroffen zowel de ongeoorloofde verzameling en het gebruik van vertrouwelijke informatie als de mogelijke politieke functie van het Piano Solo. In april 1967 moest De Lorenzo zijn toenmalige functie als chef van de generale staf van het Italiaanse leger neerleggen.
De affaire leidde tot verschillende ministeriële onderzoeken. Vervolgens stelde het Italiaanse parlement bij wet van 31 maart 1969 een bijzondere onderzoekscommissie in, de Commissione parlamentare d'inchiesta sugli eventi del giugno-luglio 1964 (SIFAR). De commissie moest de gebeurtenissen van juni en juli 1964 onderzoeken, beoordelen of gedragingen van SIFAR in strijd waren geweest met de geldende voorschriften en voorstellen formuleren voor een reorganisatie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De commissie, bestaande uit negen afgevaardigden en negen senatoren en voorgezeten door Giuseppe Alessi, bracht na afloop van haar werkzaamheden een eindrapport uit, naast vier minderheidsrapporten. Dat er zowel een meerderheidsrapport als meerdere minderheidsrapporten verschenen, weerspiegelde mede de politieke controverse rond de interpretatie van de gebeurtenissen.
Opvolging door SID SIFAR werd in 1966 institutioneel opgevolgd door de Servizio Informazioni Difesa (SID). Deze chronologie is van belang: de vervanging van SIFAR vond plaats voordat de kwestie van de dossiers en Piano Solo in het voorjaar van 1967 uitgroeide tot een grote publieke affaire. De overgang van SIFAR naar SID kan daarom niet eenvoudig worden beschreven als een rechtstreeks gevolg van de publieke onthullingen over een vermeende staatsgreeppoging.
De politieke dossiervorming, de onderzoeken naar de gebeurtenissen van 1964 en de discussie over de verhouding tussen militaire inlichtingendiensten en democratische controle bleven ook na de opheffing van SIFAR onderwerp van parlementair en historisch onderzoek.
Literatuur
Categorie:Geheime dienst