Gaetano Felice Orsini (Bologna, circa 1667 - Wenen, 21 oktober 1750) was een Italiaanse castraatzanger. Zijn loopbaan speelde zich voornamelijk af aan het keizerlijk hof te Wenen. Hij zou zich ontwikkelen tot een van de beste castraatzangers van zijn tijd en stond in hoog aanzien. Door zijn gelijkmatige carrière en het feit dat hij zijn werkzaamheden beperkte tot Wenen, zou hij echter minder beroemd worden dan opvallender collega's als Senesino of Bernacchi.

Levensloop Orsini's zangcarrière begon in Italië, maar het is onbekend waar hij heeft gewerkt en in welke uitvoeringen hij heeft meegezongen. In 1694 kwam hij in dienst bij het hof van Johann Seyfried von Eggenberg te Graz, waar hij zong in Santa Genuefa van Pietro Romolo Pignatta.

In 1698 kreeg Orsini een aanstelling aan de hofkapel in Wenen. In zijn beginjaren ging het nog vooral om bijrollen, maar vanaf 1709 was hij voornamelijk te horen in hoofd- en titelrollen. Orsini zong onder andere als Marciano in de opera Pulcheria (1707) en als Orpheus in Orfeo ed Euridice (1715), beide geschreven door kapelmeester Johann Joseph Fux. In de opera Adriano in Siria (1732) van kapelmeester Antonio Caldara vertolkte hij de hoofdrol van Adriano. Verder zong Orsini in opera's van hofcomponist Francesco Bartolomeo Conti en diens zoon Ignazio Conti. In 1739 verscheen Orsini als Giove in L'Astrea placate van Angelo Predieri. Tot slot zong Orsini in kamermuziekwerken, zoals cantates van Antonio Caldara en Francesco Conti.

Orsini werkte voornamelijk in Wenen, maar enkele malen was hij ook elders te horen. Zo was hij in 1708 in Rome de gast van markies Ruspoli en zong daar mee in Händels cantate Oh! Come chiare e belle. In de jaren 1720 en 1721 trad hij op in Reggio Emilia en in Milaan, waarbij hij in die laatste stad meewerkte aan de opera Il più fedel fra i vassalli van Francesco Gasparini. Voor de kroningsfeesten die in 1723 plaatsvonden in Praag trad Orsini op in Fux' opera Costanza e fortezza in de rol van Porsenna.

In 1719 zal Orsini ongetwijfeld zijn benaderd door Händel, die op dat moment op zoek was naar zangers en zangeressen voor zijn Royal Academy in Londen. Orsini bleef echter in Wenen.

Orsini was ook actief als componist en zangleraar. Samen met de bas Christoph Praun fungeerde hij als zangmeester en leidde hij aan het hof diverse zangers en zangeressen op. Enkelen van hen waren de castraat Filippo Balatri en de zangeressen Theresa Holzhauser en Anna Barbara Rogenhofer. Ook gaf hij les aan de aartshertogin van Oostenrijk. Kapelmeester Fux roemde de zangopleiding die Orsini gaf.

In 1725 werd in Wenen de Cäcilien Bruderschaft opgericht door keizerlijke hofmusici. Orsini was hier ook bij betrokken en heeft als penningmeester gediend.

In de jaren 1730 raakte Orsini zijn vooraanstaande positie kwijt aan de jonge zanger Saminbeni. Vooral na het overlijden van kapelmeester Antonio Caldara in 1736 verscheen hij minder op het podium, maar nog tot minstens 1739 zou hij deelnemen aan opera-uitvoeringen.

In 1740 ging Orsini met pensioen. Hij werd in 1750 nog vermeld als zanger in dienst van het hof, maar het is niet duidelijk of hij een actieve rol had - bijvoorbeeld als leraar - of slechts genoemd werd als pensioengerechtigde.

Op 21 oktober 1750 overleed Orsini.

Waardering Tijdens zijn loopbaan in Wenen trad Orsini op aan de zijde van bekende zangers en zangeressen als Maria Landini, Francesco Borosini, Regina Schoonjans en Faustina Bordoni. De Weense kapelmeesters waren zeer te spreken over Orsini's zangkwaliteiten en Fux gaf hem in vrijwel al zijn opera's een hoofdrol. Dikwijls werden Orsini's aria's gecombineerd met een solo-instrument als de violoncello, chalumeau of teorbe: zijn stem kwam op deze manier het beste tot zijn recht.

Orsini's rollen waren doorgaans die van helden, geliefden en adellijke personen. Dit paste binnen de heersende traditie dat castraatzangers alleen positieve rollen kregen toebedeeld. Orsini kreeg slechts de rol van antagonist toebedeeld als er bijvoorbeeld een gastzanger aanwezig was die de hoofdrol mocht zingen.

Componist Johann Joachim Quantz roemde de contra-altstem van Orsini en noemde hem een van de grootste zangers ooit. Hij schreef dat Orsini's stem nog tot op hoge leeftijd van een goede kwaliteit was.

Ook de 18e-eeuwse muziekrecensent Charles Burney omschreef Orsini als een van de grootste zangers, met een mooie en doordringende altstem. Het stembereik was volgens hem aanzienlijk en het acteerwerk van goede kwaliteit. Andere critici waren eveneens enthousiast over Orsini's stem en beschreven de mooie klankkleur en soepelheid. Ook Orsini's ontroerende interpretatie van de muziek werd geprezen.

Orsini ontving van keizer Karel VI een jaarsalaris van 1800 gulden dat later werd opgetrokken tot 2400 gulden. Daarnaast kreeg hij nog losse toelages.

Categorie:Castraat