Bernard Marinus Blijdenstein (Wierden, 29 augustus 1859 - Weltevreden, 27 februari 1912) was een Nederlands waterbouwkundig ingenieur. Hij is een zoon van Izaak Blijdenstein, notaris te Wierden, en Mietje Veening. Hij is getrouwd op 10 juni 1890 te Banjoemas, Java met Louise Jacqueline Marie Ottenhoff.

Opleiding en eerste werkkring miniatuur|Kaart van Noord China, om overstromingsramp van de Gele River in 1887 duidelijk te maken Blijdenstein heeft in 1879 het eindexamen van de HBS gedaan Hij studeerde daarna aan de Polytechnische School te Delft en studeerde daar af als civiel ingenieur in 1885. Daarna heeft hij wat in Europa rond gereisd, onder andere in Engeland en Frankrijk. Hij heeft naar aanleiding van die reis een tweetal artikelen over de kanalen in Parijs voor De Ingenieur geschreven. Terug in Nederland kwam hij in dienst bij Rijkswaterstaat onder ir. Déking Dura waar hij werkte aan de kanaalwerken in Overijssel. Maar in 1888 werd hij gevraagd om met ir. P.G. van Schermbeek en A. Visser van de baggermaatschappij Volker & Bos een reis naar China te maken om de overstromingen van de Gele Rivier te bekijken en te zien of daar nog werk uit voort zou kunnen komen voor de Nederlandse aannemers. Hij maakte deze reis voor een groot deel op eigen kosten. Hij had tijdens de reis naar China per telegram het aanbod gekregen voor een functie als aspirant ingenieur bij BOW in Nederlands-Indië en besloot om vanuit China naar Java te reizen om hierover met de directeur van de BOW, ir. M.J. van Bosse van gedachten te wisselen. Hij is toen in augustus 1889 aangenomen. Een verslag van de reis naar China is opgenomen in De Ingenieur van 21 november1891.

Loopbaan Blijdenstein begon zijn Indische loopbaan bij de havenwerken van Tanjong-Priok, met standplaats Batavia. Maar al op17 maart 1890 werd hij overgeplaatst naar Banyumas en daar toegevoegd aan de bij wijze van proef ingestelde irrigatie-afdeling Serayu. Hierdoor maakte Blijdenstein de leerjaren van de irrigatie-afdelingen mee. Die nieuwe irrigatie-afdelingen gaven nogal wat opstart problemen, waardoor dit een goede leerschool voor Blijdenstein bleek. Hij leerde daar ook Louise Ottenhof kennen, de dochter van de resident van Banyumas. Zij zijn op 10 juni 1890 gehuwd in Banyumas.

Brantas Kort daarop werd Blijdenstein overgeplaatst naar Madura, waar hij eerstaanwezend ingenieur van BOW werd. Niet al te lang daarna (4 juni 1892) werd hij belast met opnemingen voor de verbetering van de bevloeiing uit de Singomertoleiding. Lang zou hij ook hier niet blijven. Spoedig ontstond in de tweede van de op Java ingestelde irrigatie-afdelingen, die van Brantas, een vacature voor sectie-ingenieur.

Met deze nieuwe plaatsing begon voor Blijdenstein een periode van buitengewone werkzaamheid. Aan het hoofd van de vooral op het gebied van de suikercultuur verreweg gewichtigste van de drie secties van genoemde irrigatie-afdeling, nl. van de sectie Mojokerto, omvattende de bestuursafdelingen Surabaya, Sidhoarjo, Mojokerto en Jombang van de residentie Surabaya, en de afdeling Nganjoek van de residentie Kediri, vond Blijdenstein een belangrijk en ruim werkterrein en de gelegenheid om in de eerste plaats het toezicht beter te organiseren en goed te werken aan de verbetering van irrigatie en afwatering van genoemde irrigatie-afdeling. Onder zijn leiding kwamen de irrigatiekaarten van het gebied gereed. Verder is gelijk begonnen is met het instellen van gelijktijdige debietwaarnemingen in de Brantas, Soerabaja- en Panongrivieren, en in de beide hoofdaderen van bevloeiing van de delta van Sidoarjo, de Maugetten en Parrongkanalen, als ook in de twee takken van de Kontorivier. Op zijn initiatief werd grote uitbreiding gegeven aan het telefoonnet in zijn sectie, waardoor centrale leiding in het waterbeheer werd bevorderd. miniatuur|De Padi dam in 2019 Verder kwam onder zijn leiding tot stand:

een stuwdam met inlaatsluis Goedee in de kali Konto; de stuw met inlaatsluis Poedaksari in de kali Bangsal; verschillende stuwdammen en inlaatsluizen in de delta van Sidhoardjo; een aftapsluis Kangkoengan uit de Brantas; een belangrijke verbetering in de afwatering van het District Djenggolo III van de afd. Sidhoardjo; de stuwdam Padi in de kali Pikatan (Over deze stuw heeft hij een publicatie geschreven); werken tot bandjir vrijmaken der hoofdplaats Ngandjoek; de verbetering van den bevloeiings- en afwateringstoestand in het gebied van de Boeloebondoleiding in de afd. Sidhoardjo.

Als sectie-ingenieur te Modjokerto ontwierp Blijdenstein ook een spui-inrichting tot het tegengaan van de aanzanding van het Porrongkanaal en plannen voor verbetering van irrigatie en afwatering in het Kontogebied, hij heeft die werken hij echter niet tot uitvoering kunnen brengen. Bij een grote bandjir in de Brantasrivier in april 1896 zijn veel dijken doorgebroken en was er zware overstroming Blijdenstein heeft toen adequaat de schade herteld, met name de reparatie van de irrigatiewerken.

Ziekteverlof Blijdenstein werd daarna ziek en heeft in 1899 ziekteverlof en repatriëring naar Nederland aangevraagd. In juli 1899 ging hij naar Nederland waar hij een aantal zware operaties onderging. Hij genas langzaam en in 1902 kon hij weer terug naar Nederlands-Indië.

Poerwakarta Onmiddellijk na aankomst te Batavia ging hij gelijk weer aan de slag op irrigatiegebied. Op 15 januari 1902 werd hij toegevoegd aan de chef van de 1ste Waterstaatsafdeling voor de opnemingen en ontwerpen tot verbetering der bevloeiing en afwatering in Noord-Krawang. Bedoelde opnemingen waren bij zijn komst op zijn nieuwe standplaats, Poerwakarta, feitelijk voltooid en, naar het heette, behoefde aan het "ontwerp der grootsche verbeteringen", die hier werden beoogd, en die zich zouden uitstrekken over meer dan 120.000 bouw oppervlakte, alleen nog de laatste hand te worden gelegd. Dit laatste bleek echter een grote misrekening van de autoriteiten te Batavia. Blijdenstein wist al spoedig aan te tonen dat er zoveel ontbrak aan die vrijwel gereed liggende ontwerpen, dat hij het ontwerpwerk volledig over moest doen. Dit project is bij de aanbieding aan de directeur van BOW voor de hier bedoelde bevloeiings- en afwateringswerken door den afdelingschef terecht een model genoemd. In de toelichting komen veel denkbeelden voor waarvan de bestudering ook voor andere werken waarde hebben. Het ging dit ontwerp echter als vele andere werken van grote omvang. Ten dele omdat er voor de verwezenlijking de nodige hoge uitgaven nodig waren (de begroting sloot op rond 12 miljoen gulden), maar vooral ook uit hoofde van gebrek aan voldoend waterstaatspersoneel, is de uitvoering achterwege gebleven. Omdat de uitvoering dus niet door kon gaan is de bijdrage van Blijdenstein niet erg bekend.

Bandoeng In mei 1903 werd Blijdenstein benoemd tot ingenieur der 1ste klasse en overgeplaatst naar Bandoeng, om aldaar op te treden in de positie van eerstaanwezend ingenieur der Preanger Regentschappen. In dit grootste van Java's gewesten vond Blijdenstein gelegenheid om, naast de zorg voor bestaande gebouwen, bruggen en wegen, ook mede te werken met de Algemenen Dienst op het gebied van den aanleg van nieuwe wegen en kleine bevloeiingswerken, terwijl tal van nieuwe bouwwerken onder zijn leiding werden tot stand gebracht. Onder de gebouwen van bijzondere aard, door hem in overleg met speciale deskundigen ontworpen, mogen vooral genoemd worden die, opgericht voor de centrale bereiding van gouvernementskoffie (kofiefabriek).

Weer naar de Brantas Slechts een tweetal jaren bleef Blijdenstein in de Preanger. In 1905 werd hij, met Malang als standplaats, benoemd als chef over de irrigatie-afdeling Brantas, waarin hij eerde de functie van sectie-ingenieur had vervuld. Hoewel ook deze plaatsing niet van lange duur was, heeft Blijdenstein toch betrekkelijk veel kunnen doen. Eerder getroffen waterregelingen werden onder zijn leiding verder bevestigd, nieuwe ontworpen en vooral de bijdragen van belanghebbende ondernemingen in de kosten van waterverdeling herzien en beter geregeld, terwijl ook het verbeteren van bestaande en uitvoeren van nieuwe werken met grote ijver werd voortgezet.

Als de voornaamste werken uit die periode zijn te noemen de verhoging der Brantasdijken, het verbeteren der bevloeiing uit de kali Kedak en van die uit de kali Djandjing en het maken van een spuisluis ten behoeve van de Ngaresleiding. Veel werken zijn onder zijn leiding ontworpen, maar vóór zijn vertrek nog niet tot uitvoering gekomen, en waarvan genoemd kunnen worden de grote algemene verbetering der bevloeiing van Sidhoardja, de stuwdam Kedoeng Tjialoek in de kali Marmojo, de sluis Sidoringen, de verbetering van de Penggaronleiding en annex daarmede van de afwatering der Afdelingshoofdplaats Modjokerto, een inlaat- en spuisluis voor de bevloeiing van het Tjandilimagebied, de bevestiging van de afstort Kepoeloengan, de verbetering der bevloeiing uit en van de afwatering van de Keboiring, een wadoek (bevloeiingsreservoir) Soember Kepoeh, enz.. miniatuur|Europeaan poseert op de vulkaan Gunung Kelud met in de diepte de lahar als gevolg van de eruptie in 1901 In dezen tijd maakte Blijdenstein ook nog een zeer belangrijke studie over de verzandingen van de beddingen van de Brantas en de Konto na de eruptie van de Kelud in 1901 en lukte het hem een project uit te voeren, waardoor op een goedkope manier aan het kratermeer van de Kelud een ontlasting zou zijn verzekerd. Helaas bleek dit werk bij de uitbarsting van 1919 niet voldoende. Ongelukkigerwijze is hij in die tijd weer door een ziekte (typhus) getroffen, die hem enige maanden aan zijn werk onttrok.

Batavia In november 1907 werd Blijdenstein overgeplaatst naar de directie te Batavia, en wel om daar aan de afdeling E, irrigatie, werkzaam te zijn. Al spoedig bleek echter dat hij zichzelf daarmede geen dienst had bewezen. Wel waardeerde hij het, vooral voor de opvoeding van zijn kinderen, in Batavia geplaatst te zijn. Maar zijn zware operatie, de tyfus aanval en het zittende werk in het klamme Batavia deden hem geen goed. Het was een voor hem gelukkige oplossing dat de positie van Chef der 1ste Waterstaatsafdeling open viel en dat hij voor de vervulling daarvan werd aangewezen. Zodoende trad hij in een werkkring, waarin bureau- en buitenwerk elkander gelukkig afwisselen en waarin Batavia herhaaldelijk enige dagen voor koelere klimaten kon worden verlaten.

De nieuwe werkkring die hem stelde over alle waterstaatswerken in de gewesten Bantam, Batavia en de Preanger Regentschappen, in de aanvang ook nog over die van de Lampongse districten, vervulde hij weer met volle toewijding. Bij veel belangrijke vraagstukken, zoals die met betrekking tot de in uitvoering zijnde grote irrigatiewerken in Bantam, de wegverbeteringen in de Preanger en in Krawang, en ook de kleinere, maar toch niet eenvoudige irrigatiewerken in die gewesten hebben ze aan hem een betrouwbare, degelijke en hoogst deskundige leiding gehad.

Het einde Blijdenstein had zich heel sterk voorgenomen om de hoogste denkbare rang in Nederlands-Indë te behalen (hoofdingenieur 1ste klasse) en de 20 dienstjaren vol te maken waardoor hij recht had op een Indisch Pensioen. In verband met de opvoeding van zijn kinderen zijn zijn vrouw en de kinderen in mei 1911 naar Nederland vertrokken. De bedoeling was dat hij met ingang van zijn pensionering in 1913 zou volgen.

Hij werd inderdaad in februari 1912 bevorderd tot hoofdingenieur 1ste klasse en op 4 maart 1912 zou zijn verlof ingaan. Helaas liep het anders. Hij kreeg in de loop van februari weer een tyfus-aanval. Op 27 februari is hij overleden. Hij is op 28 februari begraven op de begraafplaats van Weltevreden bij Batavia.

Publicaties van ir. B.M. Blijdenstein

digitale versie digitale versie

Categorie:Nederlands waterbouwkundige Categorie:Waterbouwkundige in Nederlands-Indië Categorie:Nederlands civiel ingenieur