Pieter Cornelis van Oosterzee (Rotterdam, 7 november 1819 – 's-Gravenhage, 15 augustus 1882) was een Nederlands bestuurder in het handels- en scheepvaartwezen. Van 1866 tot 1870 was hij president van de Factorij te Batavia, de Indische hoofdvestiging van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM). Na zijn terugkeer naar Nederland werd hij directeur van de Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij.

Loopbaan thumb|upright=1.1|Het stoomschip Prins Alexander van de Nederlandsch-Indische Stoomvaart-Maatschappij, waarvan Pieter Cornelis van Oosterzee directeur was; anoniem schilderij, omstreeks 1875, collectie Het Scheepvaartmuseum.

Van Oosterzee volgde in 1866 Nicolaas van Taack Trakranen op als president van de Factorij van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Batavia. De Factorij vormde het bestuurlijke en commerciële middelpunt van de werkzaamheden van de NHM in Nederlands-Indië. Van Oosterzee bleef vier jaar president en werd in 1870 opgevolgd door Jan Louis van Gennep.

Naast zijn functie bij de Handel-Maatschappij vervulde Van Oosterzee enkele maatschappelijke taken. Zo werd hij in 1866 benoemd in een commissie die moest beslissen over de bestemming van de resterende gelden die waren ingezameld voor slachtoffers van de overstromingen op Java in 1861. Bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1867 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. In 1869 werd hij benoemd tot erelid van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid.

Na zijn terugkeer naar Nederland werd Van Oosterzee benoemd tot directeur van de Nederlandsch-Indische Stoomvaart Maatschappij, als opvolger van de in 1873 overleden Willem Poolman. Deze maatschappij verzorgde stoomvaartverbindingen in en rond de Indische archipel. In 1874 ondertekende Van Oosterzee vanuit 's-Gravenhage als directeur het jaarverslag van de onderneming. In 1875 trad hij namens de aandeelhouders op bij de verlenging van de maatschappij en de wijziging van haar statuten.

Van Oosterzee bleef directeur van de stoomvaartmaatschappij tot zijn overlijden. Hij stierf op 15 augustus 1882 onverwacht in 's-Gravenhage. In een kort na zijn dood verschenen necrologie werd teruggeblikt op zijn loopbaan in Nederlands-Indië, zijn presidentschap van de Factorij en zijn latere directeurschap.

Familie Van Oosterzee behoorde tot het Nederlandse patriciërsgeslacht Van Oosterzee. Hij was een zoon van Mattheus Henrik van Oosterzee (1779–1823), stedelijk en rijksontvanger van de accijnzen, en Debora Jacoba Thomson. De predikant en hoogleraar Johannes Jacobus van Oosterzee (1817–1882) was zijn oudere broer.

Op 8 december 1847 huwde hij in Batavia met Carolina Johanna Theophanie Bernardina Sollewijn (1823–1887), dochter van kolonel Bernard Sollewijn. Tot hun kinderen behoorden Louis Albert van Oosterzee (1859–1918), bestuursambtenaar in Nederlands-Indië, en Cornélie van Oosterzee (1863–1943), componiste, pianiste en dirigente.

Literatuur W.M.F. Mansvelt, Geschiedenis van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, deel II, Haarlem, 1924, p. 363 en 461. D.G. van Epen (red.), Nederland's Patriciaat, deel 17, 's-Gravenhage, 1927, p. 257–281.

Noten

Categorie:Nederlands bestuurder Categorie:Persoon in Nederlands-Indië Categorie:Persoon in de 19e eeuw