Raïssa Maritain, geboren als Raïssa Oumansoff (ook gespeld als Oumançoff of Oumansov) (Rostov aan de Don, 12 september 1883 – Parijs, 4 november 1960), was een in het Russische Keizerrijk geboren Franse dichteres, essayiste en filosofisch-religieuze auteur van Joodse afkomst.Judith D. Suther, Raïssa Maritain: Pilgrim, Poet, Exile, New York: Fordham University Press, 1990, ISBN 9780823212316. Zie ook Google Books. Zij was getrouwd met de Franse filosoof Jacques Maritain. Beiden bekeerden zich in 1906 tot het rooms-katholicisme en maakten deel uit van het Franse katholieke intellectuele milieu van de eerste helft van de twintigste eeuw.

Maritain publiceerde poëzie, memoires en teksten over spiritualiteit, mystiek, kunst en filosofie. Daarnaast werkte zij met Jacques Maritain samen en was zij betrokken bij de thomistische studiegroepen die in hun woningen in Versailles en Meudon bijeenkwamen.Brenna Moore, Sacred Dread: Raïssa Maritain, the Allure of Suffering, and the French Catholic Revival (1905–1944), Notre Dame: University of Notre Dame Press, 2013, ISBN 9780268035297. Uitgeverspagina. Haar werk en positie binnen de Franse katholieke renaissance zijn later afzonderlijk onderwerp geworden van historisch, theologisch en literatuurwetenschappelijk onderzoek.Emma Mason, ‘Abîme Inconnus’: Raïssa Maritain’s Poetic and Mystical Gifts, New Blackfriars, 2026, doi:10.1017/nbf.2026.10138.

Jeugd en opleiding Oumansoff werd geboren in Rostov aan de Don in een Joodse familie. Haar vader was kleermaker. Het gezin verhuisde tijdens haar vroege jeugd naar Marioepol en vestigde zich in 1893 in Parijs. Een belangrijk motief voor de emigratie was volgens haar biografen de beperkte maatschappelijke en onderwijskundige positie van Joden in het Russische Keizerrijk en de wens van haar ouders om hun dochters betere onderwijskansen te geven.

In Parijs volgde zij onderwijs en begon zij op jonge leeftijd aan de Sorbonne natuurwetenschappen te studeren. Daar ontmoette zij rond 1900-1901 Jacques Maritain, die eveneens belangstelling had voor zowel filosofie als natuurwetenschappen. Beiden waren ontevreden over wat zij als de beperkingen van het toenmalige wetenschappelijke positivisme en filosofische scepticisme ervoeren. Op aanbeveling van hun vriend Charles Péguy bezochten zij colleges van Henri Bergson aan het Collège de France. Bergsons kritiek op het positivisme speelde een rol in hun hernieuwde belangstelling voor metafysische vragen.

Raïssa Oumansoff en Jacques Maritain trouwden op 26 november 1904.

Bekering en thomisme In de jaren na hun huwelijk raakten de Maritains bevriend met de katholieke schrijver Léon Bloy. In 1906 werden Raïssa, Jacques en Raïssa's jongere zus Véra gedoopt in de Rooms-Katholieke Kerk. Bloy trad daarbij als peetvader op.Jean-Luc Barré, Jacques and Raïssa Maritain: Beggars for Heaven, vert. Bernard E. Doering, Notre Dame: University of Notre Dame Press, 2005, ISBN 9780268021832. JSTOR.

Na hun bekering maakten Raïssa en Jacques kennis met het werk van Thomas van Aquino. De studie van Thomas werd vervolgens een belangrijk onderdeel van hun intellectuele en religieuze leven. Volgens de biografische en historische literatuur was Raïssa niet slechts een toeschouwer van Jacques' filosofische ontwikkeling: zij bestudeerde zelf theologische en filosofische teksten, besprak zijn werk met hem en nam deel aan de vorming van het intellectuele milieu waarin zijn thomisme zich ontwikkelde.

In 1912 werden Jacques, Raïssa en Véra benedictijnse oblaten. Jacques en Raïssa legden datzelfde jaar na geestelijke begeleiding een privégelofte van huwelijkse onthouding af. Deze keuze, die tijdens hun huwelijk grotendeels privé bleef, hing samen met hun streven naar een contemplatief leven als leken.

Intellectueel milieu en samenwerking Vanaf de jaren 1910 en vooral na de Eerste Wereldoorlog ontstonden rond de Maritains bijeenkomsten waarin filosofische en theologische onderwerpen werden besproken. Aanvankelijk vonden dergelijke bijeenkomsten plaats in Versailles en later in hun huis in Meudon. Daaruit ontwikkelden zich geregelde thomistische studiegroepen.Jean-Louis Loubet del Bayle, ‘Le milieu Maritain’, Bulletin de l'Institut d'histoire du temps présent, nr. 20, 1992.

De bijeenkomsten werden bezocht door geestelijken, filosofen, schrijvers en kunstenaars. Onder de personen die met het milieu rond de Maritains verbonden waren, bevonden zich onder anderen de dominicaan Réginald Garrigou-Lagrange, theoloog Charles Journet, schrijver Julien Green, dichter Jean Cocteau en kunstenaars als Georges Rouault en Gino Severini. Het huis van de Maritains functioneerde daarmee zowel als woonomgeving als ontmoetingsplaats voor een deel van het Franse katholieke intellectuele leven van het interbellum.

Raïssa speelde binnen dit milieu een eigen rol. Suther beschrijft haar aandeel in de organisatie en ontwikkeling van de thomistische studiegroepen, terwijl Moore haar plaatst binnen de bredere Franse katholieke renaissance en haar eigen religieuze en intellectuele geschriften analyseert. Jacques en Raïssa schreven ook gezamenlijk. Een voorbeeld is De la vie d'oraison, dat aanvankelijk voor het milieu van de studiegroepen werd geschreven en later in verschillende edities werd gepubliceerd.

Schrijverschap Maritain publiceerde zowel proza als poëzie. Haar religieuze essays behandelen onder meer gebed, contemplatie en de verhouding tussen het geestelijke leven en het dagelijks bestaan. In haar werk komen tevens haar Joodse achtergrond, haar katholieke geloof en haar ervaringen met de politieke en religieuze omwentelingen van de twintigste eeuw aan de orde.

Een belangrijk deel van haar literaire nalatenschap bestaat uit haar herinneringen. Het eerste deel van Les Grandes Amitiés verscheen in 1941 in New York. Het vervolg, Les Aventures de la grâce, verscheen afzonderlijk en werd later samen met het eerste deel onder de titel Les Grandes Amitiés uitgegeven. De memoires behandelen haar jeugd in Rusland en Frankrijk, haar ontmoeting met Jacques Maritain, hun intellectuele crisis en bekering en hun contacten met kunstenaars, schrijvers en denkers.

Haar poëzie kreeg tijdens haar leven minder publieke aandacht dan het filosofische werk van haar echtgenoot. Latere onderzoekers hebben haar literaire productie echter als zelfstandig onderzoeksobject behandeld. Literatuurwetenschapper Emma Mason interpreteert haar poëzie bijvoorbeeld in samenhang met haar opvattingen over mystiek, contemplatie, oorlog en religieuze ervaring.

Maritain verrichtte daarnaast vertaalwerk. Zo vertaalde zij een theologische verhandeling van de zeventiende-eeuwse dominicaan Johannes van Sint-Thomas over de gaven van de Heilige Geest in het Frans; deze vertaling verscheen in 1950.

Verenigde Staten en laatste jaren Door de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting van Frankrijk verbleven Jacques en Raïssa Maritain vanaf 1940 in de Verenigde Staten. Raïssa's Joodse afkomst maakte terugkeer naar het door nazi-Duitsland beheerste Europa bijzonder riskant. De daaropvolgende jaren verbleven de Maritains onder meer in New York en Princeton.

Na de oorlog was Jacques Maritain van 1945 tot 1948 Frans ambassadeur bij de Heilige Stoel. Daarna vestigden zij zich opnieuw in de Verenigde Staten, waar Jacques aan Princeton-universiteit verbonden was. Raïssa bleef in deze periode schrijven.

Na de dood van haar zus Véra in 1959 keerden Jacques en Raïssa in 1960 naar Frankrijk terug. Raïssa Maritain overleed op 4 november 1960 in Parijs, 77 jaar oud. Zij werd begraven in Kolbsheim in de Elzas. Jacques Maritain werd na zijn overlijden in 1973 naast haar begraven.

Betekenis en receptie Raïssa Maritain werd lange tijd vooral beschreven in relatie tot het filosofische oeuvre van haar echtgenoot. Vanaf het einde van de twintigste eeuw is meer onderzoek verschenen waarin haar eigen schrijverschap, spiritualiteit en intellectuele positie centraal staan. Suthers Raïssa Maritain: Pilgrim, Poet, Exile uit 1990 was een boeklange studie die specifiek aan haar leven en werk was gewijd.

Brenna Moore heeft haar vervolgens onderzocht als een van de vrouwelijke intellectuelen binnen de Franse katholieke renaissance en besteedde daarbij bijzondere aandacht aan de betekenis van gender, haar Joodse achtergrond, mystiek en het thema van het lijden in haar werk. Haar positie wordt daardoor in recent onderzoek niet uitsluitend gezien als die van echtgenote of medewerker van Jacques Maritain, maar ook als die van een afzonderlijke auteur binnen het katholieke intellectuele en literaire leven van de twintigste eeuw.

Selectie uit de werken

De mœurs divines (1921) De la vie d'oraison (met Jacques Maritain; eerste particuliere uitgave 1922, herziene handelseditie 1925) Le Prince de ce monde (1929) La Vie donnée (poëzie, 1935) Lettre de nuit (poëzie, 1939) Les Grandes Amitiés (memoires; eerste deel 1941; later met Les Aventures de la grâce in één band uitgegeven) Marc Chagall (1943) Portes de l'horizon (poëzie, 1952) L'Ange de l'École, ou Saint Thomas d'Aquin raconté aux enfants (1957) Liturgie et contemplation (1959) Journal de Raïssa (postuum, 1962) Poèmes et essais (postuum, 1968)

Literatuur

Jean-Luc Barré, Jacques and Raïssa Maritain: Beggars for Heaven, vertaling Bernard E. Doering, University of Notre Dame Press, 2005. Brenna Moore, Sacred Dread: Raïssa Maritain, the Allure of Suffering, and the French Catholic Revival (1905–1944), University of Notre Dame Press, 2013. Judith D. Suther, Raïssa Maritain: Pilgrim, Poet, Exile, Fordham University Press, 1990. Emma Mason, ‘Abîme Inconnus’: Raïssa Maritain’s Poetic and Mystical Gifts, New Blackfriars, 2026.

Externe links Online Boeken by Raïssa Maritain - Maritain Center Fonds Jacques & Raïssa Maritain

Categorie:Frans filosoof Categorie:Frans dichter Categorie:Frans schrijver Categorie:Rooms-katholiek persoon