Stella Ingrid Goldschlag (Berlijn, 10 juli 1922 – Freiburg im Breisgau, tussen 23 en 26 oktober 1994) was een Duitse collaborateur van Joodse afkomst die tijdens de Tweede Wereldoorlog als informante voor de Gestapo werkte.

Na een grote razzia in februari 1943 dook Goldschlag met haar ouders onder, maar werd in juli van dat jaar gearresteerd door de Gestapo. Na diverse gewelddadige verhoren werd ze gerekruteerd als , een Joodse informante die andere Joden opspoorde en verraadde. Naar eigen zeggen werkte ze voor de Gestapo om haar ouders voor deportatie te behoeden. Door haar 'Arisch' uiterlijk kreeg ze de bijnamen 'het blonde vergif' en 'de blonde Lorelei'. Hoeveel personen ze heeft verraden is onduidelijk, geschat wordt dat het gaat om honderden slachtoffers.

In mei 1946 veroordeelde een Sovjet-militair tribunaal haar tot tien jaar dwangarbeid, onder meer vanwege misdaden tegen de menselijkheid. Een jaar na haar vrijlating volgde in West-Duitsland een tweede proces, waarin ze schuldig werd bevonden aan medeplichtigheid aan moord in een onbekend aantal gevallen. Er werd geoordeeld dat ze uit eigen gewin had gehandeld en haar verklaring dat zij haar ouders wilde redden werd verworpen. Ze ging in hoger beroep, maar de rechter bevestigde het eerdere vonnis. Goldschlag kreeg een tienjarige gevangenisstraf opgelegd, maar deze hoefde ze vanwege haar eerdere straf niet uit te zitten.

In haar laatste levensjaren had ze veel gezondheidsproblemen en leidde ze een eenzaam en geïsoleerd bestaan. Ze overleed in 1994 op 72-jarige leeftijd.

Jeugd Stella Ingrid Goldschlag werd geboren in Berlijn op 10 juli 1922. Ze was het enige kind van Gerhard Goldschlag en Antonia "Toni" Lermer. Ze groeide op in een welvarend, muzikaal en sterk geassimileerd Joods gezin. Ten tijde van haar geboorte werkte haar vader aan de prestigieuze muziekacademie in Berlijn en was daarnaast componist, journalist en dirigent. Vanaf 1925 werkte hij als hoofdredacteur bij een Berlijns bureau dat wekelijkse bioscoopjournaals maakte voor onder andere Gaumont. Haar moeder was operazangeres en werd na de geboorte van Goldschlag huismoeder.

Naast het inkomen van haar vader leefde het gezin van inkomsten uit aandelen. Ze woonden in een luxueus gemeubileerd driekamerappartement aan de , nabij de , dat gevuld was met kunstwerken van opkomende kunstenaars.

Goldschlag omschreef haar opvoeding als liefdevol. Ze had een goede band met haar ouders, met name met haar vader. Haar ouders gaven haar de bijnaam (stipje), omdat ze zo klein en fragiel was. Volgens Goldschlag zagen haar ouders haar als een 'voortzetting van zichzelf'.

Opkomst nationaalsocialisme Aan de welvarende omstandigheden van het gezin kwam een einde na de beurskrach van 1929; lonen daalden en haar ouders verloren een groot deel van hun spaargeld. Na de machtsovername van Adolf Hitler op 30 januari 1933 verslechterde de situatie van het gezin verder door de invoering van antisemitische maatregelen. Haar vader verloor dat jaar zijn baan, omdat hij zich als Jood niet kon aansluiten bij de en daardoor niet langer in de media en kunstwereld kon werken. Hij vond na zijn ontslag werk als pianoleraar en was sporadisch pianist bij de . Door het verlies van zijn werk raakte hij depressief en verliet soms wekenlang het huis niet, wat emotioneel een grote weerslag had op Goldschlag. Haar ouders verloren in deze periode tevens een deel van hun sociale netwerk doordat veel niet-Joodse vrienden en oud-collega's het contact verbraken.miniatuur|Verjaardagsfoto van Goldschlag (midden) met enkele familieleden (juli 1936).|alt=Zwart-wit foto van vijf personen rond een tafel. De foto is buiten genomen. In het midden zit Stella Goldschlag naast een vrouw die een arm om haar heen heeft geslagen.Volgens Goldschlag was het opkomende antisemitisme ook merkbaar op haar school. In 1932 startte ze op het : een school voor hoger meisjesonderwijs waar met name meisjes afkomstig uit welgestelde West-Berlijnse families studeerden. Goldschlag stelde dat de Joodse leerlingen aan deze school lagere cijfers kregen en niet aan schoolreisjes mochten deelnemen.

Vanwege de toenemende vijandigheid vervolgde ze in 1935 haar opleiding aan de particuliere school van Dr. Leonore Goldschmidt voor Joodse en niet-Arische leerlingen.Half- en kwart-Joodse leerlingen werden als niet-Arisch beschouwd en daardoor uitgesloten van het openbaar onderwijs, ook als zij christelijk waren opgevoed. Het schoolgeld werd betaald door een welvarend familielid, omdat haar ouders niet voldoende financiële middelen hadden. Dat ze haar oude school had moeten verlaten, ervaarde ze als een 'onrechtvaardige persoonlijke belediging'.

Op haar nieuwe school loog ze over haar Joodse identiteit. Ze volgde protestantse godsdienstlessen en stelde ze dat haar moeder christen was, tot grote hilariteit van haar vrienden die wisten dat haar moeder in het koor van de synagoge zong. Pogingen tot emigratie miniatuur|Joodse mannen worden afgevoerd naar Sachsenhausen (november 1938).|alt=Zwart-wit foto van een grote groep lopende mannen die aan weerszijden wordt bewaakt door de SS en politie.De school had als doel de leerlingen voor te bereiden op emigratie. Vanwege de financiële situatie en de leeftijd van haar ouders werd het echter lastig om als gezin in het buitenland te worden toegelaten. Haar vader leek daarbij lange tijd geen voorstander van emigratie, omdat hij geloofde dat zijn status als oorlogsveteraan hem in nazi-Duitsland enige bescherming zou bieden.

In november 1938 werden tijdens de Kristallnacht in heel nazi-Duitsland synagogen en Joodse winkels, scholen en begraafplaatsen vernield. Joodse mannen werden opgepakt en naar concentratiekampen afgevoerd. Goldschlags vader besloot daarop tijdelijk onder te duiken.

De wens en druk om te emigreren nam toe, maar dit werd steeds lastiger. Met hulp van familieleden uit de Verenigde Staten kreeg het gezin de noodzakelijke garantverklaring en geld voor drie stoomboottickets, maar de wachttijd voor visa lag begin 1939 op enkele jaren. Dat jaar deed er zich kort een kans voor: via Goldschlags school konden tachtig leerlingen middels een kindertransport naar Engeland vertrekken. Haar vader wilde zijn gezin echter niet uiteen halen, dus bleef Goldschlag in Duitsland. miniatuur|Een groep Joodse mannen staat in de rij voor een Berlijns reisbureau (januari 1939).|links|alt=Zwart-wit foto van een groep mannen voor het kantoor van reisbureau Palestine & Orient Lloyd. Nadat nazi-Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenviel, werd de kans op emigratie nog kleiner. Begin 1940 bezocht haar vader het Amerikaanse consulaat, maar het gezin kwam op een lange wachtlijst terecht en zou naar verwachting ongeveer twee jaar op visa moeten wachten. Haar ouders betaalden vervolgens vierhonderd Reichsmark aan een advocaat voor visa voor Santo Domingo, maar deze werden niet geleverd. Van het Palestina-kantoor kreeg het gezin tevens geen hulp, omdat ze niet zionistisch waren.

In september 1939 sloot de school die Goldschlag bezocht. Hierna studeerde ze korte tijd aan een handelsschool totdat ze haar diploma van het middelbaar onderwijs behaalde. Hoewel het voor meisjes uit middenklasse relatief modern was om te werken, werd ze door haar moeder ingeschreven voor een beroepsopleiding modetekenen bij de particuliere Joodse kunstschool . Vanwege haar goede cijfers had ze recht op een studiebeurs.

Een praktische opleiding zou haar kansen op emigratie mogelijk vergroten. Haar ouders probeerden via zionistische organisaties te regelen dat Goldschlag alleen kon emigreren, maar ze werd door de beperkte capaciteit afgewezen. Zelf ervaarde ze dit als een 'daad van opzettelijke vijandigheid'. Na 23 oktober 1941 werd emigratie door de invoering van het 'uitreisverbod voor Joden' verboden.

Sociaal leven miniatuur|Huwelijksaankondiging Stella Goldschlag en Manfred Kübler (28 november 1941). Aan Goldschlags naam is ‘Sara’ toegevoegd, dit was sinds 1939 verplicht voor Joodse vrouwen met een niet-Joodse naam.|alt=Familiebericht uit een krant met de tekst 'Hierbij maken Manfred Israel Kübler en mevrouw Stella-Ingrid Sara, geboren Goldschlag, hun vandaag plaatsvindende huwelijk bekend. Berlin W 15 Brandenburgische Straße 40' in het Duits. In haar tienerjaren probeerde Goldschlag zich los te maken van haar ouders. Ze had een vriendenkring, die ze omschreef als een clique, met wie ze ging kamperen, picknicken en muziek luisterde en maakte. Haar beschermende ouders waren echter weinig enthousiast over haar sociale activiteiten.

Vanaf 1939 was Goldschlag zangeres bij een jazzband, bestaande uit zes Joodse tieners, genaamd ''. Ze droomde van een carrière als jazzzangeres in de Verenigde Staten. De band speelde Amerikaanse muziek van zowel witte als Afro-Amerikaanse artiesten. Jazz werd in nazi-Duitsland beschouwd als 'verdorven', waardoor het spelen ervan werd gezien als een daad van verzet. Omdat Joden op veel openbare plaatsen niet werden toegelaten, kwamen ze samen in appartementen.

Op negentienjarige leeftijd verloofde Goldschlag zich met Manfred Kübler, de leider van de jazzband. Toen haar ouders hoorden van de verloving, probeerden ze haar op andere gedachten te brengen. De familie van Kübler vreesde op hun beurt dat Goldschlag enkel uit was op hun geld. Desondanks trouwden Goldschlag en Kübler op 28 november 1941. miniatuur|Franse dwangarbeidsters aan het werk in de wapenfabriek van Siemens in Berlijn (1943).|alt=Zwart-wit foto van een fabrieksinterieur waarop meerdere vrouwen te zien zijn die werken met een machine. miniatuur|Een Joodse vrouw in Berlijn met een Jodenster op haar jas (september 1941).|alt=Zwart-wit foto van een straatbeeld met een oudere vrouw die een jas draagt met daarop een Jodenster.

Dwangarbeid en onderduik Op 1 september 1941, kort nadat ze haar opleiding afrondde, werd Goldschlag tewerkgesteld als dwangarbeidster bij Siemens-Schuckertwerke in het westen van Berlijn. Begin 1942 werkte ze, net als haar ouders, bij munitiefabriek Ehrich & Graetz in Berlijn-Treptow. Ze werkte zes dagen per week, tien uur per dag.

Vanaf 19 september 1941 waren Duitse Joden verplicht een Jodenster te dragen. Het was voor Goldschlag een openbare aanduiding van een identiteit waarmee zij zich niet vereenzelvigde en ze voelde zich naar eigen zeggen 'een van de gebrandmerkte slaven'. Na verloop van tijd droeg ze haar ster enkel nog tijdens haar tewerkstelling. Daarbuiten kon zij zich met haar blonde haar en blauwe ogen gemakkelijk als Arische vrouw voordoen.

In de ochtend van 27 februari 1943 vonden grote razzia's plaats in fabrieken waar Joodse dwangarbeiders werkten. In het kader van de werden zij opgepakt en naar werk- en concentratiekampen gedeporteerd. Goldschlag en haar moeder verstopten zich in de kelder en ontvluchtten na de wisseling van de dienst het gebouw via een achterdeur.Haar vader was niet aanwezig tijdens deze razzia, omdat hij nachtdiensten werkte. De Gestapoagent die de achterdeur bewaakte, liet hen vanwege hun Arische uiterlijk gaan. Goldschlags echtgenoot werd tijdens de opgepakt, naar concentratiekamp Auschwitz gedeporteerd en aldaar vermoord.

Na de razzia dook Goldschlag samen met haar ouders onder. Onderduikers in Berlijn, ook wel '' (onderzeeërs) genoemd, leefden in de illegaliteit, maar konden zich niet altijd fysiek verbergen. Ze wisselden regelmatig van onderduikplek en bewogen zich, soms noodgedwongen, in het openbaar.

Net als veel andere Joodse onderduikers gebruikte Goldschlag een andere identiteit. Van haar oud-medestudent Cioma Schönhaus, onderduiknaam Günther Rogoff, had ze een vals identiteitsbewijs gekregen met de naam 'Inge Proeck'. In het voorjaar van 1943 leerde ze de Joodse vervalser Rolf Isaaksohn kennen die haar en haar ouders van vervalste persoonspapieren voorzag. Met Isaaksohn ontwikkelde ze al snel een hechte band en dook samen met hem onder.

Arrestatie en foltering