De Bedoun of Bidoon (Arabisch: بدون جنسية, Romanisatie: Bidūn jinsīyya) zijn grotendeels staatloze, grotendeels Arabische minderheidsgroepen in verschillende landen in het Midden-Oosten, maar vooral in Koeweit. Ze stammen af van bewoners die ten tijde van de onafhankelijkheid van het land of kort daarna niet als burgers werden erkend. De term Bedoun slaat in de eerste plaats op deze specifieke staatloze populaties, maar omdat deze populaties in de regio een etnische groep vormen, wordt de term ook gebruikt voor de afstammelingen van deze staatloze personen, ongeacht legale status.
De grote populaties staatloze mensen in deze landen hebben geen toegang tot bepaalde basisvoorzieningen. Verschillende mensenrechtenorganisaties stellen dat Koeweit het internationaal recht schendt door etnische zuivering en genocide te plegen tegen de Bedoun, doordat het hen de toegang tot het staatsburgerschap en de daarmee gepaard gaande bescherming ontzegt. Bedoun worden ook gediscrimineerd in Bahrein, Oman, Saoedi-Arabië en Qatar.
Koeweit Koeweit heeft de grootste staatloze bevolking in de regio. Volgens documenten van Amnesty International toonde de officiële volkstelling in Koeweit in 1989 zo'n 250.000 Bedoun, wellicht een ondertelling. In 1995 meldde Human Rights Watch dat er 300.000 Bedoun waren. Op deze populatiepiek maakten Bedoun mogelijk bijna een derde van de Koeweitse autochtone bevolking uit.
In recentere jaren worden vaak populatienummers rond de 100.000 genoemd, maar schattingen gaan tot zo'n 215.000, van wie een deel met vervalste buitenlandse paspoorten leeft. Het aantal staatsburgers van Koeweit bedroeg in 2025 ongeveer 1,6 miljoen. Dit betekent dat Bedoun wellicht zo'n 6 tot 12 procent van de autochtone bevolking van Koeweit uitmaken. Al deze cijfers hebben uitsluitend betrekking op de autochtone bevolking; gastarbeiders, die al decennialang de grote meerderheid van de Koeweitse bevolking uitmaken, zijn hierin niet meegerekend.
Volgens diverse mensenrechtenorganisaties maakt de staat Koeweit zich schuldig aan etnische zuivering en genocide tegen de Bedoun. De Koeweitse Bedouncrisis vertoont overeenkomsten met de Rohingya-genocide in Myanmar.
Geschiedenis De meeste Bedoun in Koeweitstammen af van Bedoeïenenstammen die behoorden tot de Al-Muntafiqstammenconfederatie en die zich in Koeweit bevonden toen het land in 1961 onafhankelijk werd. Een minderheid van de Bedoun in Koeweit behoort tot de Ajam, de Perzische diaspora in Koeweit en andere golfstaten, die in 1961 ook al een significant deel van de bevolking van Koeweit uitmaakten. De procedure om te bepalen wie in aanmerking kwam voor het staatsburgerschap, werd vastgelegd in de nationaliteitswet van 1959 en bevoordeelde inherent de stedelijke inwoners van Koeweit en degenen die banden hadden met invloedrijke stammen of families. Veel gemeenschappen in afgelegen gebieden hebben zich niet geregistreerd voor het staatsburgerschap toen de wet werd aangenomen, hetzij door een gebrek aan kennis of begrip van de nieuwe wet en de gevolgen ervan, analfabetisme, of het ontbreken van documenten die hun band met het grondgebied aantoonden. Het concept van territoriaal gedefinieerd burgerschap zou voor velen ook een vreemd begrip zijn geweest, aangezien het afweek van de traditionele tribale opvattingen die werden bepaald door trouw aan een leider, in een context bovendien waarin er nog steeds migrerende gemeenschappen waren voor wie het begrip ‘staat’ onbekend was. Bijgevolg verkreeg ongeveer een derde van de toenmalige bevolking van Koeweit geen burgerschap en werd geclassificeerd als Bedoun.
Een tweede, kleinere groep Bedoun was voorheen gevestigd in (en al dan niet burger van) nabijgelegen Arabische staten, waaronder Irak, Saoedi-Arabië, Syrië en Jordanië. Zij werden in de jaren 60 en 70 gerekruteerd voor het Koeweitse leger en de politie en vestigden zich met hun families in Koeweit. De jonge Koeweitse staat, die voor de uitdaging stond een nationaal leger op te bouwen maar onvoldoende belangstelling bij de eigen bevolking kon vinden, hing in de beginfase sterk af van deze buitenlandse rekruten. In plaats van echter toe te geven aan de politiek gevoelige kwestie van het rekruteren van buitenlanders, registreerde de Koeweitse regering hen als Bedoun. Tot in de jaren 90 bestond ongeveer 80 procent van de strijdkrachten uit Bedoun. Aangenomen wordt dat de meeste Bedoun die onder deze categorie vallen, Koeweit na de Golfoorlog van 1990-1991 hebben verlaten, zodat de resterende Bedoun-bevolking vandaag de dag voornamelijk bestaat uit de eerstgenoemde groep, die nooit de nationaliteit van andere Arabische staten bezaten.
Een derde groep Bedoun zijn kinderen van een Koeweitse moeder en een Bedoun vader.
Tot en met de eerste helft van de jaren 80 werden de Bedoun als Koeweitse burgers behandeld: ze hadden toegang tot de arbeidsmarkt, onderwijs en gratis gezondheidszorg, net als Koeweitse burgers. Ze konden ook een burgerlijk huwelijk laten registreren en geldige identiteitsdocumenten verkrijgen. Het recht op politieke participatie was echter een belangrijk verschil ten opzichte van Koeweitse burgers, aangezien Bedoun niet mochten stemmen. (Volgens de nationaliteitswet van 1959 moeten zelfs genaturaliseerde burgers al 30 jaar de Koeweitse nationaliteit bezitten voordat ze mogen stemmen).
Vanaf halverwege de jaren 80 werden de rechten van Bedoun steeds meer ingeperkt. De moordpoging op Emir Jaber al-Ahmad al-Jaber al-Sabah vormde een keerpunt, aangezien Koeweit de schuld legde bij een factie binnen de Bedoun, ondanks het feit dat de Islamitische Jihad Organisatie de verantwoordelijkheid voor de aanslag op zich nam. In die sfeer van oplopende sektarische spanningen en groeiende interne onrust, aangewakkerd door een wankelende economie en regionale spanningen als gevolg van de Iraanse Revolutie in 1979 en de Iran-Irakoorlog (1980-1988), begon de Koeweitse overheid de Bedoun als een veiligheidsrisico te zien. Dat gevoel werd nog versterkt toen bekend raakte dat sommige nieuwkomers en vluchtelingen uit Irak, die de dienstplicht of vervolging probeerden te ontlopen, hun identiteitspapieren weggooiden en zich voordeden als Bedoun.
In 1986 wijzigde de regering de status van de Bedoun in die van ‘illegale vreemdelingen’ en begon zij hen hun rechten te ontnemen. Sindsdien weigert de Koeweitse overheid Bedoun eender welke vorm van documentatie te verstrekken, waaronder geboorteakten, overlijdensakten, identiteitskaarten, huwelijksakten en rijbewijzen. De Bedoun worden ook geconfronteerd met discriminatie op vlak van tewerkstelling, onderwijs, huisvesting en de mogelijkheid om te reizen. Het is hen niet toegestaan hun kinderen naar staatsscholen of naar de staatsuniversiteit te sturen. Eind jaren tachtig probeerde de regering de Vreemdelingenwet te handhaven en naar verluidt werden een aantal Bedoun het land uitgezet, hoewel er geen publiek beschikbare overheidsdocumenten zijn die dit bevestigen. In 1988 oordeelde het hoger gerechtshof van Koeweit dat, aangezien geen enkele andere staat hen als burgers beschouwde, zij in de zin van de wet niet als ‘vreemdelingen’ konden worden aangemerkt. De regering negeerde de uitspraak en ging naar verluidt door met het uitzetten van leden van de Bedoun-gemeenschap.
Na de Iraakse inval in Koeweit in 1990 en de daaropvolgende Golfoorlog ging het van kwaad naar erger voor de Bedoun. Omdat zij destijds de ruggengraat van het Koeweitse leger vormden, kregen ze de schuld toegeschreven voor de snelle val van het land. Bovendien werd een klein aantal Bedoun gedwongen mee te vechten aan Iraakse zijde, waarop de hele gemeenschap op verdenking van collaboratie kwam te staan. Zodra de bezetting voorbij was, schroefde de Koeweitse regering de repressie tegen de Bedoun flink op. Ze werden massaal uit het leger gezet, een aantal moest voor de militaire rechtbank komen, vluchtelingen mochten niet meer terugkeren, anderen belandden in overvolle kampen waar ze werden mishandeld, en zo'n 10.000 Bedoun werden het land uitgezet. Het resultaat was een dramatische bevolkingsdaling: vóór de oorlog telde de gemeenschap nog zo'n 250.000 leden, na alle maatregelen was dat aantal geslonken tot ongeveer 100.000.
In 1995 werd in het Britse parlement gemeld dat de heersende familie Al-Sabah 150.000 staatloze Bedoun had gedeporteerd naar vluchtelingenkampen in de Koeweitse woestijn nabij de Iraakse grens, waar ze minimale watervoorziening, onvoldoende voedsel en geen basisvoorzieningen zoals onderdak hadden, en dat ze met de dood werden bedreigd als ze naar hun huizen in Koeweit-stad zouden terugkeren. Als gevolg hiervan vluchtten veel van de Bedoun naar Irak, waar ze tot op de dag van vandaag staatloos zijn, en naar Europa. De Koeweitse regering wordt er ook van beschuldigd te hebben geprobeerd de nationaliteiten van Bedoun in officiële staatsdocumenten te vervalsen.
In 2004 maakten de Bedoun nog slechts 40% uit van het Koeweitse leger, een aanzienlijke afname ten opzichte van hun aanwezigheid in de jaren zeventig en tachtig. In 2013 schatte de Britse regering dat er 110.729 'geregistreerde' Bedoun in Koeweit woonden, zonder een totale schatting te geven, maar met de opmerking dat alle staatlozen in Koeweit het risico lopen op vervolging en schendingen van de mensenrechten. De Koeweitse regering gaf in hetzelfde jaar aan kennis te hebben van slechts 93.000 Bedoun in Koeweit. In 2018 beweerde de Koeweitse regering dat zij jaarlijks tot 4.000 staatloze Bedoun zou naturaliseren, maar dit wordt als onwaarschijnlijk beschouwd. In 2019 kondigde de Iraanse ambassade in Koeweit aan Iraans staatsburgerschap teverlenen aan Bedoun die hun Iraanse afkomst kunnen bewijzen. Aan dit Iraans paspoort is geen verplichting verbonden om te verhuizen naar Iran, dus Bedoun met een Iraans paspoort kunnen hiermee legaal in Koeweit verblijven.
In de 21ste eeuw is het aantal zelfmoorden onder de Bedoun sterk gestegen. Er zijn van de jaren negentig tot heden ook meldingen van gedwongen verdwijningen van Bedoun, maar door het ontransparante mediabeleid in Koeweit is het moeilijk voor onafhankelijke journalisten om dit te bevestigen. In 2021verloren honderden Koeweitse Bedoun toegang tot hun bankrekening.
Naturalisatie en denaturalisatie Volgens de nationaliteitswet bestaat er in Koeweit een juridische procedure die mensen zonder de Koeweitse nationaliteit toelaat om het staatsburgerschap te verkrijgen. Maar aangezien de toegang tot het staatsburgerschap in Koeweit geval per geval wordt gecontroleerd door de regerende familie Al-Sabah is deze procedure niet onderworpen aan enig extern toezicht. De uitvoering van de nationaliteitswet blijkt arbitrair en mist transparantie, waardoor de regerende familie Al-Sabah naturalisatie heeft kunnen inzetten met demografische manipulatie als doel.