Quamquam pluries is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 15 augustus 1889, over de devotie tot Jozef van Nazareth en diens rol als beschermheilige van de Rooms-Katholieke Kerk.Leo XIII, Quamquam pluries. De patrocinio s. Ioseph una cum virginis Deiparae pro temporum difficultate implorando, 15 augustus 1889, Acta Sanctae Sedis 22 (1888–1889), pp. 65–69. De encycliek bouwde voort op de beslissing van Pius IX uit 1870 om Jozef tot patroon van de Katholieke Kerk uit te roepen. Leo XIII verbond die beschermende functie vooral met Jozefs positie als echtgenoot van Maria, zijn vaderlijke verantwoordelijkheid voor Jezus en zijn rol als hoofd van de Heilige Familie.
Naast haar devotionele karakter bevat Quamquam pluries een sociale dimensie. Jozef wordt voorgesteld als voorbeeld voor echtgenoten en vaders, maar ook voor arbeiders en mensen met weinig bezit. Leo verdedigt de waardigheid van lichamelijke arbeid en erkent dat armen hun maatschappelijke positie langs rechtmatige weg mogen verbeteren, terwijl hij revolutionair geweld afwijst. Historica Anne Klejment beschouwt deze passages als een voorafschaduwing van thema's die Leo XIII twee jaar later uitgebreider behandelde in de sociale encycliek Rerum novarum.Anne Klejment, “Dorothy Day’s Socially Engaged Devotion to St. Joseph”, U.S. Catholic Historian 40 (2022), nr. 2, pp. 1–25, in het bijzonder pp. 23–24. doi:10.1353/cht.2022.0007.
Achtergrond De publicatie vond plaats tijdens het pontificaat van Leo XIII, dat werd gekenmerkt door pogingen om de verhouding tussen de Katholieke Kerk en de moderne samenleving opnieuw te bepalen. Leo combineerde een herwaardering van de scholastieke filosofie, met name van Thomas van Aquino, met aandacht voor maatschappelijke en politieke vraagstukken. In zijn latere sociale leer legde hij onder meer nadruk op de wederzijdse rechten en plichten van arbeid en kapitaal.Jan Roobrouck, “1878-1903: Leo XIII”, KADOC – Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving, KU Leuven, laatst bijgewerkt 11 februari 2026.
De verering van Jozef had in de negentiende eeuw binnen het katholicisme een sterkere institutionele positie gekregen. Pius IX verklaarde hem op 8 december 1870 tot patroon van de Katholieke Kerk. Leo verwijst daar in Quamquam pluries uitdrukkelijk naar en stelt dat de devotie tot Jozef sindsdien verder was gegroeid. Klejment plaatst de encycliek eveneens in deze ontwikkeling en wijst erop dat de pauselijke bevordering van de Jozefdevotie samenviel met maatschappelijke aandacht voor gezin, arbeid en de positie van arbeiders.
Leo richtte de encycliek formeel tot de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen en overige bisschoppen die in gemeenschap met de Heilige Stoel stonden. Zij moesten de gelovigen aansporen tot gebed en tot het inroepen van de voorspraak van Jozef.
Inhoud
Aanleiding Aan het begin van de encycliek beschrijft Leo XIII de toestand van Kerk en samenleving in uitgesproken sombere termen. Volgens hem namen geloof en christelijke naastenliefde af, verslechterden de zeden en opvattingen onder de jeugd en stonden zowel de Kerk als het pauselijke gezag onder druk. Deze passages geven in de eerste plaats Leo's eigen beoordeling van de religieuze en maatschappelijke situatie weer.
Tegen deze achtergrond roept de paus op tot gebed. Hij sluit aan bij zijn eerdere bevordering van de rozenkrans in de maand oktober en vraagt de gelovigen naast Maria ook Jozef om voorspraak te vragen.
Jozef en de Heilige Familie De centrale theologische redenering van de encycliek vertrekt vanuit de verhouding van Jozef tot Maria en Jezus. Volgens Leo berust Jozefs bijzondere waardigheid op het feit dat hij de echtgenoot van Maria was en door zijn tijdgenoten als vader van Jezus werd beschouwd. Het huwelijk met Maria maakte hem volgens de encycliek tot haar levensgezel en beschermer, terwijl hij tegenover Jezus de verantwoordelijkheden van een vader en huisvader uitoefende.
Leo beschrijft Jozef daarbij als bewaker, verzorger en verdediger van de Heilige Familie. Hij verwijst naar Jozefs arbeid voor het levensonderhoud van Maria en Jezus en naar zijn bescherming van Jezus tegen het door Herodes veroorzaakte gevaar. De evangelieverhalen over de jeugd van Jezus vormen daarmee de bijbelse achtergrond van de argumentatie, al is de encycliek geen systematische bijbelcommentaar.
Beschermheerschap over de Kerk Vanuit de Heilige Familie maakt Leo vervolgens een ecclesiologische vergelijking. Het huisgezin van Nazareth wordt in de encycliek voorgesteld als een voorafbeelding van de wordende Kerk. Omdat Jozef volgens deze redenering de Heilige Familie beschermde, acht Leo het passend dat hij ook als hemelse beschermer van de Kerk wordt aangeroepen.
Deze gedachte werd een eeuw later opnieuw aangehaald door Johannes Paulus II. In de apostolische exhortatie Redemptoris custos uit 1989, gepubliceerd ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van Quamquam pluries, citeerde hij Leo's redenering over Jozefs bescherming van de Heilige Familie en de daaruit afgeleide bescherming van de Kerk.Johannes Paulus II, Redemptoris custos. Over de persoon en de zending van de heilige Jozef in het leven van Christus en van de Kerk, 15 augustus 1989, nrs. 1 en 28.
Bijbelse typologie Een afzonderlijk onderdeel van Leo's argumentatie is de vergelijking tussen Jozef van Nazareth en de oudtestamentische Jozef, zoon van Jakob. De Egyptische Jozef wordt in de encycliek beschouwd als een voorafbeelding of type van Jozef van Nazareth. Zoals de eerste Jozef volgens het verhaal in Genesis het huis van zijn meester bestuurde en tijdens een hongersnood voor Egypte zorgde, zo zou Jozef van Nazareth de Heilige Familie en vervolgens, in geestelijke zin, de Kerk beschermen.
Deze typologische manier van argumenteren behoort tot de traditionele christelijke Schriftuitleg waarbij personen en gebeurtenissen uit het Oude Testament worden gelezen als voorafbeeldingen van personen of gebeurtenissen in het Nieuwe Testament. Johannes Paulus II nam dezelfde vergelijking tussen de beide Jozefs later opnieuw op in Redemptoris custos.
Gezin, arbeid en maatschappelijke orde De encycliek presenteert Jozef niet uitsluitend als voorwerp van devotie, maar tevens als moreel voorbeeld voor uiteenlopende maatschappelijke groepen. Vaders kunnen volgens Leo van hem zorgzaamheid leren en gehuwden liefde, vrede en huwelijkstrouw. Voor mensen met bezit vormt hij een herinnering aan de betrekkelijkheid van materiële rijkdom.
Bijzondere aandacht gaat uit naar arbeiders, ambachtslieden en armen. Leo benadrukt dat Jozef, ondanks zijn afstamming, door arbeid in het onderhoud van zijn gezin voorzag. Daaruit leidt de encycliek af dat een nederige maatschappelijke positie op zichzelf niet vernederend is en dat arbeid, wanneer zij deugdzaam wordt verricht, de arbeider waardigheid kan geven.
Tegelijk erkent Leo dat mensen die in armoede leven het recht kunnen hebben hun toestand met rechtmatige middelen te verbeteren. Hij verwerpt echter geweld en oproer als methode voor maatschappelijke verandering. Klejment wijst erop dat juist deze combinatie van de waardigheid van arbeid, aandacht voor arbeiders en afwijzing van revolutionair socialisme vooruitloopt op elementen van Rerum novarum uit 1891.
Theologische en filosofische thematiek
Heilseconomie en ecclesiologie De theologische kern van Quamquam pluries ligt in de plaats die Jozef volgens Leo inneemt in de christelijke heilsgeschiedenis. Zijn betekenis ontstaat in de encycliek niet uit een zelfstandige rol naast Christus, maar uit zijn verhouding tot Maria en Jezus. Jozef beschermt het kind Jezus en zijn moeder en wordt daardoor binnen Leo's redenering verbonden met het mysterie van de menswording en met de historische oorsprong van de Kerk.
De overgang van de Heilige Familie naar de Kerk vormt de belangrijkste ecclesiologische gedachte van het document. Johannes Paulus II nam deze gedachte in 1989 opnieuw op en presenteerde Jozef als iemand die door zijn vaderlijke dienst aan Jezus deel had aan het goddelijke heilsplan en daarom als beschermer van Christus' mystieke lichaam, de Kerk, kon worden beschouwd.
Mensbeeld en sociale ethiek Quamquam pluries bevat geen zelfstandig filosofisch systeem. De sociale passages gaan vooral uit van een normatief mensbeeld waarin gezin, arbeid, deugd, plicht en maatschappelijke verantwoordelijkheid met elkaar verbonden zijn. De waardigheid van een persoon wordt daarbij niet uitsluitend aan rijkdom of maatschappelijke rang gekoppeld. Jozefs ambachtelijke arbeid dient als voorbeeld om de waardigheid van arbeid en van mensen uit lagere sociale lagen te onderstrepen.
De argumentatie staat tegelijk binnen een hiërarchische visie op gezin en maatschappij die kenmerkend was voor het negentiende-eeuwse katholieke denken. Leo stelt maatschappelijke ongelijkheid niet als zodanig ter discussie, maar erkent wel de legitimiteit van verbetering van de levensomstandigheden en beroept zich daarbij op rede en rechtvaardigheid. Zijn latere Rerum novarum zou de sociale kwestie uitgebreider behandelen en onder meer de rechten en plichten van arbeiders en werkgevers bespreken.
Binnen Leo's bredere intellectuele programma stond daarnaast de gedachte centraal dat geloof en rede niet als noodzakelijk tegengesteld hoefden te worden beschouwd. Zijn bevordering van het thomisme maakte deel uit van zijn poging de katholieke intellectuele traditie in gesprek te brengen met de moderne wereld. Het zou echter te ver gaan om Quamquam pluries zelf als een systematisch neothomistisch filosofisch traktaat te beschrijven; de tekst heeft primair een pastorale en devotionele functie.
Devotionele voorschriften Aan het einde van de encycliek formuleerde Leo XIII concrete voorschriften. Gedurende de maand oktober moest na het bidden van de rozenkrans een speciaal gebed tot Jozef worden toegevoegd. De paus bepaalde dat deze praktijk jaarlijks moest worden herhaald. Het bij de encycliek gevoegde gebed werd later bekend onder de Latijnse beginwoorden Ad te, beate Ioseph.
Leo verleende aan het bidden ervan volgens de toenmalige kerkelijke discipline een aflaat van zeven jaar en zeven quadragenae of “vastentijden”. De wijze waarop gedeeltelijke aflaten in dagen en jaren werden uitgedrukt, werd in 1967 door Paulus VI afgeschaft. Sindsdien wordt een gedeeltelijke aflaat niet meer in een aantal dagen of jaren uitgedrukt.Paulus VI, apostolische constitutie Indulgentiarum doctrina, 1 januari 1967, hoofdstuk IV en norm 4.
Naast het oktobergebed prees Leo de in sommige landen al bestaande gewoonte om de maand maart aan Jozef te wijden met dagelijkse oefeningen van vroomheid. Waar dat niet mogelijk was, beval hij een driedaagse gebedsperiode voor het feest van Jozef op 19 maart aan. Ook spoorde hij gelovigen aan die feestdag met bijzondere devotie te vieren waar deze geen verplichte kerkelijke feestdag was.
Het voorschrift voor oktober en de aanbeveling voor maart zijn daarmee twee verschillende onderdelen van de encycliek. De maand maart werd niet door Quamquam pluries voor het eerst als Jozefmaand ingesteld; Leo beschreef de gewoonte uitdrukkelijk als een reeds bestaande en aanbevelenswaardige praktijk.
Receptie en invloed De encycliek kreeg een belangrijke plaats in de latere pauselijke leer over Jozef. Johannes Paulus II koos voor zijn apostolische exhortatie Redemptoris custos van 15 augustus 1989 bewust de honderdste verjaardag van Quamquam pluries. Hij verwees verschillende malen naar Leo XIII en nam diens opvattingen over Jozefs vaderlijke dienst, zijn beschermheerschap over de Kerk en zijn voorbeeldfunctie voor arbeiders opnieuw op.