Het Duits ultimatum aan België is een door het Duitse Keizerrijk, op 2 augustus 1914, aan het Koninkrijk België gerichte eis tot vrije doorgang van zijn troepen over het Belgisch grondgebied met het doel een offensief tegen Frankrijk te voeren. Deze nota werd in Berlijn opgesteld door stafchef Helmuth Johannes Ludwig von Moltke en door het Duits ministerie van Buitenlandse Zaken met een begeleidende nota op 29 juli bezorgd aan de Duitse ambassadeur Claus von Below-Saleske in Brussel. Hem werd opgedragen de nota voorlopig verzegeld te bewaren en deze pas aan de Belgische overheid te bezorgen na een nog te volgen bevel. Op 2 augustus om 19u00 Belgische tijd (20u00 Duitse tijd) werd de nota overhandigd aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Julien Davignon. De Belgische regering werd gevraagd binnen de 12 uur een antwoord te bezorgen. Een weigering van Belgische zijde in te gaan op de eis zou door Duitsland als vijandig beschouwd worden en derhalve tot een Duitse invasie van België leiden. Op 3 augustus volgde het unaniem afwijzende antwoord van de Belgische regering en het staatshoofd en opperbevelhebber Koning Albert. Slechts enkele uren later in de ochtend van 4 augustus 1914 vielen Duitse troepen België binnen nabij Gemmenich.

De tekst van het ultimatum

thumb|right|Eerste bladzijde van het Duits ultimatum aan België

Het originele doucment wordt bewaard in het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis in het Jubelpark te Brussel. In de tentoonstellingszaal over de Eerste Wereldoorlog is een deel van de tekst weergegeven zoals te zien op bijgaande foto.

Duitstalige versie

De tekst, zoals door de Duitse ambassadeur in België overhandigd aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Julien Davignon luidt als volgt:

(Très Confidentiel.)

Der kaiserlichen Regierung liegen zuverlässige Nachrichten vor über den beabsichtigten Aufmarsch französischer Streitkräfte an der Maas in der Strecke Givet – Namur. Sie lassen keinen Zweifel über die Absicht Frankreichs, durch belgisches Gebiet gegen Deutschland vorzugehen. Die kaiserliche Regierung kann sich der Besorgnis nicht erwehren, daß Belgien trotz des besten Willens nicht imstande sein wird, ohne Hilfe einen französischen Vormarsch mit so großer Aussicht auf Erfolg abzuwehren, daß darin eine ausreichende Sicherheit gegen die Bedrohung Deutschlands gefunden werden kann. Es ist ein Gebot der Selbsterhaltung für Deutschland, dem feindlichen Angriff zuvorzukommen. Mit dem größten Bedauern würde es daher die deutsche Regierung erfüllen, wenn Belgien einen Akt der Feindseligkeit gegen sich darin erblicken würde, daß die Maßnahmen seiner Gegner Deutschland zwingen, zur Gegenwehr auch seinerseits belgisches Gebiet zu betreten. Um jede Mißdeutung auszuschließen, erklärt die kaiserliche Regierung das Folgende: Deutschland beabsichtigt keinerlei Feindseligkeit gegen Belgien. Ist Belgien gewillt, in dem bevorstehenden Kriege Deutschland gegenüber eine wohlwollende Neutralität einzunehmen, so verpflichtet sich die deutsche Regierung, beim Friedensschluß Besitzstand und Unabhängigkeit des Königreichs in vollem Umfang zu garantieren. Deutschland verpflichtet sich unter obiger Voraussetzung, das Gebiet des Königreichs wieder zu räumen, sobald der Friede geschlossen ist. Bei einer freundschaftlichen Haltung Belgiens ist Deutschland bereit, im Einvernehmen mit den königlich belgischen Behörden alle Bedürfnisse seiner Truppen gegen Barzahlung anzukaufen und jeden Schaden zu ersetzen, der etwa durch deutsche Truppen verursacht werden könnte. Sollte Belgien den deutschen Truppen feindlich entgegentreten, insbesondere ihrem Vorgehen durch Widerstand der Maas-Befestigungen oder durch Zerstörungen der Eisenbahnen, Straßen, Tunneln oder sonstigen Kunstbauten Schwierigkeiten bereiten, so wird Deutschland zu seinem Bedauern gezwungen sein, das Königreich Belgien als Feind zu betrachten. In diesem Falle würde Deutschland dem Königreich gegenüber keine Verpflichtungen übernehmen können, sondern müßte die Regelung des Verhältnisses beider Staaten zueinander der Entscheidung der Waffen überlassen.

Die Kaiserliche Regierung gibt sich der bestimten Hoffnung hin, dass diese Eventualität nicht eintreten, und dass die Königliche Belgische Regierung die geeigneten Massnahmen zu treffen wird, um zu verhinderen, dass Vorkommnisse, wie dievorstehend erwähnten, sich ereignen. In diesem Falle würden die freundschaftlichen Bande, die beide Nachbarstaaten verbinden, eine weitere und dauernde Festigung erfahren.

Vertaling

(zeer vertrouwelijk)

De keizerlijke regering beschikt over betrouwbare berichten betreffende de geplande opmars van Franse strijdkrachten bij de Maas langsheen de lijn Givet-Namur. Zij laten geen twijfel toe over het Franse voornemen, om doorheen Belgisch grondgebied tegen Duitsland op te treden. De keizerlijke regering kan zich niet van de bezorgdheid ontdoen, dat België ongeacht zijn beste wil niet bij machte zal zijn zonder hulp een Franse opmars met zo een kans op succes te weerstaan, om hierin voldoende zekerheid tegen de bedreiging van Duitsland te vinden. Het is een plicht van zelfbehoud voor Duitsland de vijandelijke aanval te voorkomen. Het zou daarom de Duitse regering met de grootste droefenis vervullen, indien België het als een daad van vijandigheid tegenover zich zou ontwaren, moesten de maatregelen van zijn tegenstander Duitsland er toe dwingen als verweer ook zijnerzijds Belgisch grondgebied te betreden. Om elk misverstand uit te sluiten, verklaart de keizerlijke regering het volgende: Duitsland voorziet geen enkele vijandigheid tegenover België. Is België bereid, in de nabij zijnde oorlog tegenover Duitsland een welwillende neutraliteit te hanteren, dan verplicht de Duitse regering zich ertoe, bij afsluiten van de vrede het huidige bezit en onafhankelijkheid van het koninkrijk ten volle te waarborgen. Duitsland verplicht zich ertoe onder bovenstaande voorwaarde, het grondgebied van het koninkrijk te ontruimen, zodra de vrede gesloten is. Bij een vriendschappelijke houding van België is Duitsland bereid, in akkoord met de koninklijke Belgische overheden alle behoeften van zijn troepen tegen contante betaling aan te kopen en elke schade te herstellen, die door Duitse troepen zou kunnen veroorzaakt zijn. Indien België de Duitse troepen vijandig tegemoet treden, in het bijzonder hun voortgang door weerstand van de Maasvestigingen of door het vernielen van spoorwegen, wegen, tunnels of andere bouwwerken moeilijkheden veroorzaakt, dan zal Duitsland tot zijn spijt gedwongen zijn, het koninkrijk België als vijand te beschouwen. In dat geval zal Duitsland tegenover het koninkrijk geen enkele verplichting voor zich nemen, maar zal het regelen van de onderlinge verhoudingen beider staten overlaten aan de beslissing door de wapens afgedwongen.

De keizerlijke regering is bepaald hoopvol dat deze mogelijkheden zich niet zullen voltrekken, en dat de koninklijke belgische regering de toepasselijke maatregelen zal treffen, om te verhinderen, dat gebeurtenissen, zoals die hiervoor vermeld, zich voordoen. In dit geval zullen de vriendschapsbanden, die beide buurlanden verbinden, een verdere en blijvende versteviging kennen.

Belgische reactie op het ultimatum

Na de ontvangst van het ultimatum in de vooravond van 2 augustus 1914 komt de Belgische regering onder leiding van Koning Albert in crisisberaad bijeen op het Koninklijk Paleis te Brussel. Alle aanwezigen reageren verbijsterd en geschokt bij kennisname van de inhoud van het document doch zijn unaniem in hun afwijzing van de Duitse eis en hun ongeloof ten aanzien van de gegeven garanties. Na overleg over de mogelijke gevolgen van een afwijzing, die België onvermijdelijk in een oorlog zal betrekken, wordt om 3u00 's nachts een antwoord opgesteld dat precies na het aflopen van het 12 uur durende ultimatum om 7u00 's ochtends bezorgd wordt aan de Duitse ambassadeur die nog tijdens de nacht onverrichterzake poolshoogte was komen nemen op het kabinet van Buitenlandse Zaken.

Antwoord op het ultimatum

"Par sa note du 2 août 1914, le Gouvernement allemand a fait connaître que, d'après des nouvelles sûres, les forces françaises auraient l'intention de marcher sur la Meuse, par Givet et Namur, et que la Belgique, malgré sa meilleure volonté, ne serait pas en état de repousser sans secours les marches en avant des troupes françaises.

"Le Gouvernement allemand s'estimerait. dans l'obligation de prévenir cette attaque et de violer le territoire belge. Dans ces conditions, l'Allemagne propose au Gouvernement du Roi de prendre vis-à-vis d'elle une attitude amicale et elle s'engage, an moment de la paix, à garantir l'intégrité du royaume et de ses possessions dans toute leur étendue.

"La note ajoute que, si la Belgique fait des difficultés à la marche en avant des troupes allemandes, l'Allemagne sera obligée de la considérer comme ennemie et de laisser le règlement ultérieur des rapports des deux États l'un vis-à-vis de l'autre à la décision des armes.

"Cette note a provoqué chez le Gouvernement du Roi un profond et douloureux étonnement. Les intentions qu'elle attribue à la France sont en contradiction avec les déclarations formelles qui nous ont été faites, le 1er août, au nom du Gouvernement de la République.

"D'ailleurs, si, contrairement à notre attente, une violation de la neutralité belge venait à être commise par la France, la Belgique remplirait tous ses devoirs internationaux et son armée s'opposerait à l'envahisseur avec la plus vigoureuse résistance. Les traités de 1859, confirmés par les traités de 1870, consacrent l'indépendance et la neutralité de la Belgique, sous la garantie des Puissances, et notamment lu Gouvernement de Sa Majesté le roi de Prusse.

"La Belgique a toujours été fidèle à ses obligations internationales; elle a accompli ses devoirs dans un esprit de loyale impartialité; elle n'a négligé aucun effort pour maintenir et faire respecter sa neutralité. L'atteinte à son indépendance, dont la menace le Gouvernement allemand, constituerait une flagrante violation du droit des gens.

"Aucun, intérêt stratégique ne justifie la violation du droit. Le Gouvernement belge, en acceptant les propositions qui lui sont notifiées, sacrifierait l'honneur de la nation, en même temps qu'il trahirait ses devoirs vis-à-vis de l'Europe. Conscient du rôle que la Belgique joue depuis plus de quatre-vingts ans dans la civilisation du monde, il se refuse à croire que l'indépendance de la Belgique ne puisse être conservée qu'au prix de la violation de sa neutralité. Si cet espoir était déçu, le Gouvernement belge est fermement décidé à repousser par toits les moyens en son pouvoir, toute atteinte à son droit."

vertaling

Met zijn nota van 2 augustus 1914 geeft de Duitse regering te kennen dat, volgens betrouwbare berichten, de Franse strijdkrachten de intentie hebben langsheen de Maas op te rukken, via Givet en Namen, en dat België, ondanks zijn beste wil, niet in staat zou zijn zonder hulp de opmars van de Franse troepen af te weren.

De Duitse regering zou zich verplicht beschouwen deze aanval te voorkomen en het Belgisch grondgebied te schenden. Onder deze voorwaarden stelt Duitsland de regering van de Koning voor om ten zijn aanzien een bevriende houding aan te nemen en verbindt zij er zich toe, op het ogenblik van de vrede, de integriteit van het koninkrijk en zijn bezittingen in hun geheel te waarborgen.

De nota voegt hieraan toe dat, indien België de opmars van de Duitse troepen bemoeilijkt, Duitsland verplicht zal zijn haar als een vijand te beschouwen en de regeling van de latere onderlinge betrekkingen van de twee staten te laten afhangen van de beslissing door de wapens.

Deze nota heeft bij de regering van de Koning een diepe en pijnlijke verbazing veroorzaakt. De intenties die zij Frankrijk toeschrijft zijn in tegenspraak met de formele verklaringen die ons werden gedaan, op 1 augustus, in naam van de regering van de Republiek.