Chrétien Veraart, geboren Guillaume Jean Henri Veraart, (Bergen op Zoom, 31 maart 1872 – Ukkel, 10 januari 1951) was een Belgisch architect die zeer actief was in de eerste helft van de twintigste eeuw in Brussel, het huidige Vlaams-Brabant en de Westhoek. Hij heeft vele historische gebouwen gerestaureerd die tijdens de Eerste Wereldoorlog waren beschadigd.

Biografie Chrétien Guillaume Veraart en zijn familie waren Nederlandse staatsburgers. Kort na Chrétiens geboorte verhuisde zijn familie naar Brussel. Hij studeerde van 1888 tot 1895 architectuur aan het Institut supérieur Saint-Luc in Schaarbeek en behoorde tot de generatie neogotische kunstenaars die uit deze architectuurschool voortkwamen en verantwoordelijk waren voor de Sint-Lucasneogotiek. Zijn stages waren in het academiejaar 1892-1893 bij architect Raemaekers te Brussel en in 1894-1895 bij architect Pierre Langerock te Leuven. In 1910 verkreeg Veraart de Belgische nationaliteit.

Veraart bouwde en restaureerde verschillende kerken, kastelen, gemeentehuizen en scholen in Brussel en België. Zijn eerste restauratie was de Onze-Lieve-Vrouwkerk in Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, een kerk die hij in 1944 nogmaals zou restaureren. Een van zijn eerste creaties was de Sint-Remigiuskerk in Molenbeek (vanaf 1905), gevolgd door de Sint-Gertrudiskerk in Sint-Gertrudis-Pede. In 1909 ontwierp hij mee de Sint-Jozefskerk in Lot. In 1910 restaureerde hij de Sint-Martinusbasiliek in Halle en ontwierp hij de Sint-Pietersbandenkerk in Oudenaken. In 1911 maakte hij de plannen in neogotische stijl voor de school en de kapel van de Maristenbroeders in Oudergem. Deze kapel in neogotische stijl, de Sint-Marcellinus Champagnatkapel, was onderdeel van het eveneens door hem ontworpen schoolgebouw van de Maristenbroeders (van 1912 tot 1961 Heilig Hart Instituut, van 1961 tot 1974 Champagnatcollege, nadien Lutgardiscollege). In 1912 volgde een restauratie van de vensters van de Sint-Martinuskerk in Pepingen. In 1913 volgde de Sint-Lambertuskerk in Beersel, met behoud van de 15e-eeuwse gotische toren en vanaf 1913 tot 1917 restauratie van Het Steen (het Rubenskasteel) in Elewijt in opdracht van de nieuwe eigenaar, senator Auguste de Becker Remy. De plannen voor de nieuwe Sint-Jozefskerk in Sint-Jozef-Olen waren in 1914 klaar, maar de kerk werd pas na de oorlog in 1923 gebouwd. In 1916 restaureerde hij het in 1914 verwoeste Kasteel De Maurissens in Pellenberg. In 1920 transformeerde en vergrootte hij het Hôtel Roger-Verstraete aan de Louizalaan in Brussel waarbij hij het art-nouveau-aspect van Victor Horta's oorspronkelijke ontwerp (1901) verwijderde. In 1920 en 1921 restaureerde hij samen met Ernest Richir het Abeelhof, het Groot Marshof en het gemeentehuis in Vlamertinge, het gemeentehuis en de school van Brielen en meerdere andere bouwwerken, inclusief gezinswoningen in en rond Ieper. In Ieper ontwierpen ze ook nieuwbouw zoals de wederopbouw van het Sint-Jansgodshuis, de reconstructie van de Sint-Niklaaskerk, een nieuwe Middelbare Staatsschool aan de Kiekenmarkt en de herbouw van de Sint-Vedastuskerk met restauratie van de toren en toevoeging van een nieuwe pastorie en kapelanij in Vlamertinge evenals een nieuwe Heilige-Familiekapel in de Hospitaalstraat, ook in deelgemeente Vlamertinge. Van 1919 tot 1923 restaureerde hij de Collegiale kerk Onze-Lieve-Vrouw van Dinant, de hoofdkerk en een van de bepalende bouwwerken van Dinant, in 1921 de Onze-Lieve-Vrouw Bezoekingkerk in De Klijte. In 1920 ontwierp hij met Richir een reconstructie van de vernielde Sint-Vedastuskerk in Reningelst die in 1923 werd voltooid, in 1922 ontwierp hij de Sint-Antonius van Paduakerk in Vilvoorde, in 1925, samen met Camille Colruyt en Leo Vingerhoets, de Sint-Martinuskerk in Weerde. Doorheen het interbellum leidde Veraart mee tussen 1920 en 1940 de restauratie van de Abdij Ter Kameren in Elsene. Na de Tweede Wereldoorlog ontwierp hij nog de Onze-Lieve-Vrouw van Lourdeskerk in Jette in 1949 en de Kostbaar Bloedkerk in Ukkel, in 1950 en restaureerde hij de Sint-Jan-Evangelistkerk in Tervuren.

Gezinnen wendden zich ook tot hem voor privéwoningen. In de wijk Opale/Plasky in Schaarbeek bouwde Veraart in 1912 een herenhuis voor een accountant aan de Émile Maxlaan 131, een andere vlakbij de Vergotesquare. Na de verwoestingen van de Eerste Wereldoorlog ontwierp hij met Richir nummer 5 aan het Martelarenplein en nummer 1 aan het Monseigneur Ladeuzeplein, beide in Leuven. In 1928 tekende hij samen met Ernest Richir een villa voor Georges Dierickx, een industrieel, een groot pand bestaande uit een villa met vier gevels en een monumentale entreeportiek met Toscaanse zuilen, evenals de huisvesting van de conciërge, een huis met drie gevels aan de zuidzijde in Ukkel (Edith Cavellstraat 105-107).

Erkenning Veraart werd tijdens zijn carrière meermaals onderscheiden. Hij werd ridder in de Kroonorde, kreeg een medaille omwille van zijn restauratiewerken na de Eerste Wereldoorlog, won in 1898 de tweede prijs in de driejaarlijkse wedstrijd van de Société Royale des Architectes d’Anvers en kreeg een gouden medaille op de Wereldtentoonstelling van 1913 in Gent.

Galerij

Categorie:Belgisch architect