De organieke wet op het middelbaar onderwijs van 1 juni 1850 (Frans: Loi du 1er juin 1850 sur l'enseignement moyen) was een Belgische organieke wet die het officiële middelbaar onderwijs op nationaal niveau organiseerde. De wet kwam tot stand onder de liberale Regering-Rogier I en gaf de centrale overheid een grotere rol bij de inrichting, programma's, personeelsbenoemingen en inspectie van het middelbaar onderwijs dat van de staat, provincies of gemeenten afhing.Mara Donato Di Paola, "Educational policy on language teaching in Belgian secondary state schools, 1830–1890", History of Education & Children's Literature, jg. 10, nr. 2 (2015), pp. 157–183, in het bijzonder pp. 161–164. doi:10.1400/236048.Mara Donato Di Paola, "Les concours généraux de l'enseignement officiel en Belgique (1840–1850). Histoire d'un instrument polyvalent de politique éducative", Histoire & mesure, XXIX-1 (2014), pp. 41–72, in het bijzonder p. 48. doi:10.4000/histoiremesure.4916.
De wet vormde tevens een belangrijk onderdeel van het negentiende-eeuwse conflict over de verhouding tussen Kerk en staat in het onderwijs. Zij maakte een verdere uitbouw van een door de burgerlijke overheid bestuurd middelbaar onderwijs mogelijk, zonder het godsdienstonderwijs uit de staatsscholen te verwijderen. De katholieke bisschoppen verzetten zich tegen onderdelen van de regeling, onder meer omdat zij ruimere waarborgen voor de katholieke vorming en voor de godsdienstige gezindheid van het onderwijzend personeel verlangden.Caroline Sägesser, "Les cours de religion et de morale dans l'enseignement obligatoire", Courrier hebdomadaire du CRISP, nrs. 2140–2141 (2012), pp. 7–10, in het bijzonder p. 9. CRISP.
Achtergrond De Belgische Grondwet van 1831 waarborgde de vrijheid van onderwijs. In de daaropvolgende decennia ontstond daardoor zowel een uitgebreid katholiek onderwijsnet als onderwijs dat door de staat, provincies en gemeenten werd georganiseerd. Over de plaats van de Kerk binnen het officiële onderwijs bestond echter politieke onenigheid. Katholieken benadrukten het recht om vrij confessioneel onderwijs in te richten en verlangden invloed op de godsdienstige vorming in officiële scholen, terwijl een belangrijk deel van de liberale beweging een openbaar onderwijs nastreefde dat bestuurlijk onafhankelijk was van het kerkelijk gezag.
Op het liberale congres van 1846 werd de ontwikkeling van openbaar onderwijs dat aan de burgerlijke overheid ondergeschikt was als politiek programmapunt naar voren geschoven. Na de vorming van de liberale regering van Charles Rogier in 1847 kwam een wettelijke regeling van het middelbaar onderwijs op de politieke agenda. De wet van 1850 was de eerste algemene Belgische wet die de organisatie van het officiële middelbaar onderwijs op deze schaal vastlegde en geldt in de geschiedschrijving als een belangrijk moment in de institutionalisering van het Belgische staatsonderwijs.
Inhoud
Organisatie van het onderwijs De wet was van toepassing op instellingen voor middelbaar onderwijs die van de regering, een provincie of een gemeente afhingen. Zij onderscheidde twee hoofdtypen. De koninklijke athenea (Frans: athénées royaux) verzorgden middelbaar onderwijs van een hogere graad, terwijl de middelbare scholen (écoles moyennes) onderwijs van een lagere graad aanboden.Loi sur l'enseignement moyen du 1er juin 1850, Brussel: Van Dooren, 1850, in het bijzonder art. 1–3, 8, 10–11, 21–27 en 33–40. Digitale kopie, exemplaar van KU Leuven Libraries via Google Books.
Artikel 3 bepaalde dat er tien koninklijke athenea zouden zijn. Twee daarvan waren voorzien voor de provincie Henegouwen en één voor elk van de overige provincies. Hetzelfde artikel machtigde de regering om het aantal middelbare scholen tot vijftig uit te breiden. De formulering van de wet hield dus niet in dat vijftig nieuwe, volledig door de centrale staat gefinancierde scholen onmiddellijk werden opgericht.
De koninklijke athenea omvatten zowel klassiek-humanioraonderwijs als meer beroeps- en praktijkgerichte richtingen. Het humanioraonderwijs was in belangrijke mate gericht op de voorbereiding op universitaire studies, terwijl de meer professionele afdelingen onder meer aansluiting boden op handel, industrie en technische of militaire vervolgopleidingen. Naast talen en klassieke vakken voorzagen de programma's onder andere in wiskunde, natuurwetenschappen, geschiedenis en aardrijkskunde.
Ook voor de middelbare scholen legde de wet een curriculum vast met zowel algemeen vormende als praktische vakken. De duur van de eigenlijke middelbare opleiding bedroeg in beginsel twee tot drie jaar, waarbij tevens voorbereidende afdelingen konden worden ingericht. De regering kon de programma's aanpassen aan plaatselijke behoeften.
Bestuur, personeel en inspectie De leiding over de koninklijke athenea en de door de staat georganiseerde middelbare scholen berustte bij de regering. Zij benoemde het personeel en oefende toezicht uit door middel van inspecteurs. Daarnaast voorzag de wet in lokale bestuursorganen en in een centrale raad ter bevordering van het middelbaar onderwijs.
De wet stelde eveneens eisen aan de bekwaamheid van leerkrachten en regelde de verdere professionalisering van het onderwijzend personeel. Zij voorzag onder meer in pedagogische opleiding voor toekomstige leraren en in studiebeurzen daarvoor. Artikel 36 gaf bovendien een wettelijke basis aan een jaarlijks algemeen concours tussen leerlingen van het officiële onderwijs, een instrument dat voordien al werd gebruikt om scholen en onderwijsresultaten met elkaar te vergelijken.
De regering diende periodiek verslag uit te brengen aan de wetgevende macht over de toestand van het middelbaar onderwijs.
Financiering De financiering van de middelbare scholen berustte niet uitsluitend bij de centrale overheid. De wet voorzag in staatstoelagen, maar legde tegelijk verplichtingen bij de betrokken gemeenten. Die moesten onder meer geschikte lokalen, meubilair en het onderhoud daarvan verzekeren. Het stelsel combineerde daarmee centrale regelgeving en subsidiëring met financiële en materiële verantwoordelijkheid op lokaal niveau.
Godsdienstonderwijs en verhouding met de Kerk Anders dan soms wordt gesteld, schafte de wet van 1850 het godsdienstonderwijs in de officiële middelbare scholen niet af. Artikel 8 bepaalde uitdrukkelijk dat het middelbaar onderwijs godsdienstonderwijs omvatte. De bedienaars van de erkende erediensten moesten worden uitgenodigd om dat onderwijs te geven of erop toe te zien. Zij konden tevens opmerkingen over het godsdienstonderwijs aan de bevoegde onderwijsraad voorleggen.
De wet kende de geestelijkheid daarentegen geen algemeen bestuurlijk of inspectierecht over de officiële scholen toe. De algemene leiding, benoeming van personeel en onderwijsinspectie bleven onder de burgerlijke overheid ressorteren. Volgens Caroline Sägesser werd de rol van de geestelijkheid in de staatsscholen daardoor in hoofdzaak beperkt tot het godsdienstonderwijs.
De katholieke bisschoppen vonden deze regeling ontoereikend. Zij verlangden onder meer meer garanties over het katholieke karakter van het onderwijs en over de personen die andere vakken onderwezen. De verhouding tussen de bisschoppen en de overheid bemoeilijkte daardoor de praktische organisatie van het godsdienstonderwijs in sommige athenea.
In 1854 kwam onder de Regering-De Brouckère een praktische toenadering tot stand die bekendstaat als de Conventie van Antwerpen. Daarbij werd voortgebouwd op een regeling die voor het Koninklijk Atheneum van Antwerpen was uitgewerkt en werden aanvullende garanties geboden voor de katholieke godsdienstige vorming in officiële instellingen. De conventie was een bestuurlijk compromis over de toepassing van het systeem en geen vervanging van de wet van 1850 zelf.
Taalregeling De taalregeling van de wet moet worden onderscheiden van de feitelijke onderwijstaal. De wet negeerde het Nederlands niet volledig. In de programma's werd naast een grondige studie van het Frans ook onderwijs in het Vlaams of het Duits voorgeschreven in de streken waar deze talen in gebruik waren. In de Vlaamse provincies maakte het Vlaams daardoor als schoolvak deel uit van de programma's.
Dit betekende echter niet dat Nederlands en Frans als onderwijstaal een gelijkwaardige positie kregen. Het Frans nam in de programma's de centrale plaats in en bleef in de negentiende-eeuwse staatsscholen de dominante taal. Volgens historica Mara Donato Di Paola verliep het onderwijs in zowel de Vlaamse als de Waalse koninklijke athenea en middelbare scholen na 1850 in de praktijk in het Frans.Mara Donato Di Paola, "« Prendre exemple du modèle scolaire allemand ? » La réforme des humanités en Belgique à la fin du XIXe siècle dans son contexte européen (1870–1890)", Histoire de l'éducation, nr. 149 (2018), pp. 45–75, in het bijzonder p. 50. doi:10.4000/histoire-education.4005. Het Nederlands had onder de regeling van 1850 dus wel een plaats als onderwezen taal, maar nog niet als algemene instructietaal van het officiële middelbaar onderwijs.
Betekenis De wet van 1850 vormde een belangrijke stap in de ontwikkeling van een nationaal georganiseerd officieel middelbaar onderwijs in België. Zij gaf de staat middelen om programma's en kwalificatievereisten vast te leggen, personeel te benoemen, inspectie te organiseren en onderwijsinstellingen financieel te ondersteunen. Daarmee werd de rol van de centrale overheid aanzienlijk systematischer dan voordien.
Tegelijkertijd maakte de wet geen einde aan de vrijheid van onderwijs of aan het katholieke onderwijsnet. Het Belgische onderwijs bleef bestaan uit verschillende netten. De controverse over de verhouding tussen openbaar onderwijs, godsdienst en kerkelijke invloed bleef daardoor voortbestaan en maakte deel uit van de bredere negentiende-eeuwse schoolstrijd.
Zie ook
Organieke wet op het middelbaar onderwijs van 15 juni 1881 Wetten-Harmel (1952-1953) Wet-Collard van 27 juli 1955 Schoolstrijd (België) Regering-Rogier I Charles Rogier Onderwijs in België
Literatuur
A. Brosens, "De strijd om de wet van 1850 op het middelbaar onderwijs", Anciens Pays et Assemblées d'États, nr. 59 (1972), pp. 79–127. Mara Donato Di Paola, "Les concours généraux de l'enseignement officiel en Belgique (1840–1850). Histoire d'un instrument polyvalent de politique éducative", Histoire & mesure, XXIX-1 (2014), pp. 41–72. doi:10.4000/histoiremesure.4916. Mara Donato Di Paola, "Educational policy on language teaching in Belgian secondary state schools, 1830–1890", History of Education & Children's Literature, jg. 10, nr. 2 (2015), pp. 157–183. doi:10.1400/236048. Mara Donato Di Paola, "« Prendre exemple du modèle scolaire allemand ? » La réforme des humanités en Belgique à la fin du XIXe siècle dans son contexte européen (1870–1890)", Histoire de l'éducation, nr. 149 (2018), pp. 45–75. doi:10.4000/histoire-education.4005. Henri Fassbender, "L'épiscopat belge et le projet de loi sur l'enseignement moyen de 1850. Attitudes et opinions", Bulletin de l'Institut historique belge de Rome, nr. 40 (1969), pp. 469–520. Caroline Sägesser, "Les cours de religion et de morale dans l'enseignement obligatoire", Courrier hebdomadaire du CRISP, nrs. 2140–2141 (2012). W. Theuns, De organieke wet op het middelbaar onderwijs (1 juni 1850) en de conventie van Antwerpen, Leuven/Parijs: Nauwelaerts/Béatrice-Nauwelaerts, 1959.
Categorie:Geschiedenis van België in de 19e eeuw Categorie:Geschiedenis van het onderwijs Categorie:Onderwijswetgeving Categorie:Belgische wet Categorie:Politiek in 1850