De organieke wet van 15 juni 1881 tot wijziging van de wet van 1 juni 1850 op het middelbaar onderwijs (Frans: Loi du 15 juin 1881 apportant des modifications à la loi du 1er juin 1850, sur l'enseignement moyen), in de historiografie ook aangeduid als de tweede organieke wet op het middelbaar onderwijs, was een Belgische onderwijswet die tot stand kwam onder de Regering-Frère-Orban II van Walthère Frère-Orban (1878–1884).Sandrine Lothaire, Marc Demeuse en Antoine Derobertmasure, "Histoire de la formation initiale des enseignants en Belgique francophone", Courrier hebdomadaire du CRISP, nr. 2564–2565, 2022, pp. 5–78, in het bijzonder p. 19, DOI 10.3917/cris.2564.0005. De wet werd op 15 juni 1881 bekrachtigd en verscheen op 19 juni 1881 in het Belgisch Staatsblad.Loi du 15 juin 1881 apportant des modifications à la loi du 1er juin 1850, sur l'enseignement moyen, Pasinomie, 1881, nr. 180, pp. 149–158; gepubliceerd in het Moniteur belge van 19 juni 1881.

De wet wijzigde de eerste organieke wet op het middelbaar onderwijs van 1 juni 1850. Zij breidde het door de Staat georganiseerde middelbaar onderwijs uit, voorzag voor het eerst in een wettelijk georganiseerd netwerk van middelbare staatsscholen voor meisjes, wijzigde de regels inzake de financiering en het gemeentelijke patronage van vrije scholen en hervormde onderdelen van de personeelswerving en het toezicht. De hervorming maakte deel uit van de liberale onderwijspolitiek tijdens de Eerste Schoolstrijd (1879–1884), hoewel dat conflict in de eerste plaats draaide om de hervorming van het lager onderwijs van 1879.

Achtergrond De eerste organieke wet op het Belgische middelbaar onderwijs dateerde van 1 juni 1850. Zij voorzag in tien koninklijke athenea en maximaal vijftig middelbare staatsscholen. Daarnaast konden provincies en gemeenten onderwijsinstellingen organiseren en konden gemeenten onder bepaalde voorwaarden particuliere instellingen patroneren.André Uyttebrouck, "Les communes et l'enseignement secondaire, 1830-1914", in L'initiative publique des communes en Belgique 1795-1940. Actes du 12e Colloque international, Spa, 4-7 septembre 1984, deel II, Brussel, Crédit Communal de Belgique, Collection Histoire, reeks in-8°, nr. 71, 1986, in het bijzonder pp. 691–697.

In de daaropvolgende decennia nam de behoefte aan middelbaar onderwijs toe. Volgens historicus André Uyttebrouck speelden onder meer demografische ontwikkelingen, de toenemende vraag van ouders naar onderwijs na de lagere school, de politieke tegenstelling tussen katholieken en liberalen en de groeiende belangstelling voor meisjesonderwijs daarbij een rol. Het maximumaantal staatsscholen dat in 1850 was vastgelegd, werd daardoor steeds meer als een beperking ervaren.

Ook voor meisjes bestonden vóór 1881 al instellingen die onderwijs aanboden dat boven het gewone lager onderwijs uitstak. Een deel daarvan werd door gemeenten georganiseerd en andere instellingen waren ontstaan uit particuliere, niet-confessionele initiatieven. Hun juridische positie was echter niet uniform. De wet van 1881 bracht het middelbaar meisjesonderwijs nadrukkelijk binnen het wettelijke kader van het staatsonderwijs.

Na de liberale verkiezingsoverwinning van 1878 werd een afzonderlijk ministerie van Openbaar Onderwijs opgericht onder leiding van Pierre Van Humbeeck. De regering gaf aanvankelijk prioriteit aan het lager onderwijs. De lageronderwijswet van 1879 werd het belangrijkste strijdpunt van de Eerste Schoolstrijd. Daarna volgde de hervorming van het middelbaar onderwijs.

Totstandkoming Het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 1850 werd in februari 1880 bij de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend. Het verslag over het ontwerp volgde op 30 april 1880. De Kamer behandelde het ontwerp uitvoerig tussen 29 maart en 8 april 1881 en nam het op 8 april aan. De Senaat behandelde het voorstel op 7 en 8 juni en keurde het op 8 juni 1881 goed. Koning Leopold II bekrachtigde de wet op 15 juni 1881.

De memorie van toelichting onderscheidde vijf belangrijke onderdelen van de hervorming: de uitbreiding van het aantal middelbare staatsinstellingen voor jongens, de organisatie van middelbaar staatsonderwijs voor meisjes, financiële staatssteun voor de eerste inrichting van scholen, de afbouw van het gemeentelijke patronage van particuliere scholen en nieuwe regels voor de aanwerving van onderwijzend personeel.

Inhoud

Uitbreiding van het staatsonderwijs Artikel 1 breidde het netwerk van koninklijke athenea en colleges uit. In Henegouwen moesten er ten minste drie zijn en in elk van de overige provincies ten minste twee. Dit kwam neer op een wettelijk minimum van negentien koninklijke athenea of colleges. Daarnaast moest het aantal middelbare staatsscholen voor jongens tot ten minste honderd worden uitgebreid.

De genoemde aantallen waren als minima opgevat en niet als maxima. In de memorie van toelichting stelde de regering dat toekomstige onderwijsbehoeften niet volledig konden worden voorzien en dat de Staat daarom de mogelijkheid moest behouden om meer instellingen op te richten.

Een bijkomend doel was de geografische toegankelijkheid van het middelbaar onderwijs te verbeteren. De regering verwachtte dat een dichter netwerk van middelbare scholen gezinnen in staat zou stellen hun kinderen verder te laten studeren zonder de kosten van een verblijf buiten de woonplaats.

Middelbaar onderwijs voor meisjes Een van de belangrijkste vernieuwingen was de wettelijke organisatie van middelbaar staatsonderwijs voor meisjes. De regering werd verplicht ten minste vijftig middelbare staatsscholen voor meisjes op te richten. Ook provincies en gemeenten kregen uitdrukkelijk de mogelijkheid middelbare meisjesscholen te organiseren.

Het wettelijk geregelde meisjesonderwijs betrof in eerste instantie vooral het lagere niveau van het middelbaar onderwijs. De bestaande wet van 1850 liet echter toe aanvullende vakken en cursussen in te voeren, waardoor sommige meisjesscholen een uitgebreider programma konden aanbieden.

De wet regelde tevens de kwalificaties van vrouwelijke personeelsleden. Voor toezichthoudende functies was aanvankelijk een onderwijzeressendiploma vereist. Voor de functies van regentes en directrice werd voorzien in de latere invoering van een specifiek diploma dat hun geschiktheid voor die functies moest aantonen.

Financiering Gemeenten waarin een atheneum of middelbare staatsschool gevestigd was, moesten een geschikt gebouw en de nodige uitrusting ter beschikking stellen en voor het onderhoud daarvan instaan. Daarnaast konden zij worden verplicht jaarlijks bij te dragen in de kosten van de instelling. Zonder hun toestemming mocht die bijdrage niet hoger zijn dan een derde van de uitgaven.

De Staat kreeg tegelijk de bevoegdheid subsidies te verlenen voor de eerste inrichting van athenea en middelbare scholen, waaronder kosten voor gebouwen en schoolmeubilair. Deze regeling maakte een verdere uitbreiding van het officiële netwerk financieel mogelijk.

Patronage van vrije scholen De wet beperkte het systeem waarbij gemeenten particuliere middelbare onderwijsinstellingen konden patroneren. Bestaande patronages konden, na goedkeuring, worden voortgezet of vernieuwd voor maximaal vijf jaar. Nieuwe patronages mochten niet meer worden toegestaan.

Deze maatregel moet worden gezien tegen de achtergrond van een gemengd onderwijslandschap waarin staats-, provinciale, gemeentelijke en vrije — in belangrijke mate katholieke — onderwijsinstellingen naast elkaar bestonden.

Personeel en toezicht De wet wijzigde tevens een aantal benoemings- en diplomavereisten voor het personeel van de middelbare scholen. Onder het liberale beleid werd voor bepaalde onderwijsfuncties een voorkeur gegeven aan kandidaten die hun opleiding in door de Staat georganiseerde normaalscholen hadden gevolgd. Voor verschillende functies werden diploma- of examenvoorwaarden vastgelegd, terwijl de regering onder bepaalde voorwaarden uitzonderingen kon toestaan.

Het aantal inspecteurs voor het middelbaar onderwijs werd op vier gebracht. Daarnaast kreeg de regering de mogelijkheid bijzondere inspecties in te stellen voor onder meer moderne talen, tekenen, gymnastiek en handwerken in meisjesscholen.

Levensbeschouwelijke context Hoewel de wet tot stand kwam tijdens de Eerste Schoolstrijd, regelde zij de verhouding tussen Staat en Kerk niet opnieuw. De memorie van toelichting stelde uitdrukkelijk dat het wetsontwerp deze kwestie niet aan de orde stelde. Het is daarom niet nauwkeurig de wet uitsluitend als een wettelijke invoering van levensbeschouwelijke neutraliteit te karakteriseren.

De politieke context was niettemin sterk levensbeschouwelijk bepaald. Volgens Lothaire, Demeuse en Derobertmasure droeg de tweede organieke wet bij aan de Eerste Schoolstrijd, die weliswaar vooral rond het lager onderwijs werd uitgevochten, maar deel uitmaakte van een bredere tegenstelling tussen voorstanders van het officiële onderwijs en verdedigers van het vrije katholieke onderwijs.

De benaming loi de malheur ("ongelukswet"), die in de katholieke polemiek van deze periode werd gebruikt, had in de historische literatuur in de eerste plaats betrekking op de lageronderwijswet van 1879 en niet specifiek op de wet op het middelbaar onderwijs van 1881.

Uitvoering en gevolgen De uitvoering van de wet leidde tot een aanzienlijke uitbreiding van het aandeel van de Staat in het middelbaar onderwijs. Verschillende bestaande gemeentelijke instellingen werden door de Staat overgenomen en daarnaast werden nieuwe staatsinstellingen opgericht. Volgens Uyttebrouck bleven in 1882 nog slechts enkele gemeentelijke middelbare scholen bestaan, onder andere in Brussel en Luik.

Ook de overheidsuitgaven voor het middelbaar onderwijs namen toe. Uyttebrouck berekende dat de gezamenlijke bijdrage van de openbare overheden steeg van ongeveer 3,2 miljoen frank in 1880 tot 4.692.365 frank in 1883, een toename van ongeveer 46 procent. Vooral het aandeel van de Staat nam toe.

De wettelijke minimumaantallen waren bij de machtswisseling van 1884 nog niet volledig bereikt. Er waren toen 26 athenea, 85 middelbare staatsscholen voor jongens en 36 voor meisjes. Het aantal athenea lag daarmee boven het minimum van negentien, terwijl de minima van honderd jongensscholen en vijftig meisjesscholen nog niet waren bereikt.

Hervorming vanaf 1884 Bij de verkiezingen van 1884 verloren de liberalen de macht aan de katholieken. De nieuwe katholieke regering wijzigde de expansieve bepalingen van 1881. Artikel 16 van de wet van 20 september 1884 veranderde de minimumaantallen in maximumaantallen: voortaan mochten er ten hoogste twintig koninklijke athenea of colleges, honderd middelbare staatsscholen voor jongens en vijftig voor meisjes bestaan.

Op 21 september 1884 volgde een koninklijk besluit waarbij de koninklijke athenea van Bouillon, Dinant, Virton en Ieper en het koninklijk college van Thuin werden opgeheven of een ander statuut kregen. In de daaropvolgende jaren werden nog enkele andere middelbare staatsscholen gesloten.

De hervorming van 1884 beëindigde de uitbreiding van het staatsnet niet volledig, maar legde wel wettelijke bovengrenzen op en remde daarmee de expansie die de wet van 1881 mogelijk had gemaakt.Mara Donato Di Paola, "« Prendre exemple du modèle scolaire allemand ? » La réforme des humanités en Belgique à la fin du XIXe siècle dans son contexte européen (1870-1890)", Histoire de l'éducation, nr. 149, 2018, pp. 45–75, in het bijzonder pp. 65–68, DOI 10.4000/histoire-education.4005.

Breder hervormingsprogramma