miniatuur|Anton Günther Anton Günther (Lindenau in Bohemen, 17 november 1783 – Wenen, 24 februari 1863) was een Oostenrijks rooms-katholiek priester, filosoof en theoloog. Hij ontwikkelde in Wenen een eigen filosofisch-theologisch stelsel dat later bekend werd als het güntherianisme. Daarin probeerde hij de christelijke geloofsleer met behulp van de moderne filosofie rationeel te doordenken. Het menselijk zelfbewustzijn vormde daarbij een belangrijk uitgangspunt.
Günther keerde zich vooral tegen wat hij als de pantheïstische of monistische consequenties van het Duitse idealisme beschouwde. Zijn denken vond vanaf de jaren 1830 aanhang onder katholieke filosofen en theologen in Oostenrijk en de Duitse landen, maar riep eveneens aanzienlijke theologische kritiek op. In 1857 werden zijn werken door de Congregatie van de Index verboden. Günther onderwierp zich vervolgens aan dit kerkelijke besluit. De brief werd later gepubliceerd in Acta Apostolicae Sedis, deel 8 (1874), pp. 445–448.
Leven
Jeugd en opleiding Günther werd geboren in Lindenau, het huidige Lindava bij Cvikov in het noorden van het huidige Tsjechië, als zoon van een weinig bemiddelde, religieuze dorpssmid. Na middelbaar onderwijs in Bohemen studeerde hij filosofie en vervolgens rechten in Praag. Tijdens zijn filosofiestudie volgde hij onder anderen colleges van Bernard Bolzano.
Na zijn rechtenstudie trad Günther in 1810 in dienst van prins Carl August von Bretzenheim en kwam hij naar Wenen. Daar kwam hij in aanraking met de religieuze kring rond de redemptorist Clemens Maria Hofbauer. Deze omgeving speelde een belangrijke rol in zijn keuze voor een kerkelijke loopbaan. Vanaf 1817 legde hij zich op de theologie toe. Hij studeerde onder meer in Wenen en Győr en werd in 1821 tot priester gewijd.
Priester en onafhankelijk geleerde In 1822 begon Günther een noviciaat bij de jezuïeten in Starawieś in Galicië. Twee jaar later verliet hij de orde zonder er definitief toe te treden. Vanaf 1824 leefde hij voornamelijk als onafhankelijk geleerde in Wenen. Hij wees tijdens zijn leven verschillende aanbiedingen voor academische functies af en verkreeg zelf geen vaste Weense leerstoel.
Günther publiceerde vanaf het einde van de jaren 1820 een reeks filosofisch-theologische werken. Daardoor ontstond rond hem een netwerk van leerlingen, geestelijken en geleerden dat later als de güntheriaanse school werd aangeduid. Zijn invloed bleef dus niet beperkt tot zijn eigen publicaties, maar werkte door via auteurs die zijn filosofische uitgangspunten verder uitwerkten.
Günther bleef na de kerkelijke veroordeling van zijn geschriften in Wenen wonen. Hij overleed er op 24 februari 1863, 79 jaar oud.
Filosofie en theologie
Zelfbewustzijn en antropologie Centraal in Günthers filosofie stond het menselijke zelfbewustzijn. Hij zocht in de ervaring van het eigen ik een uitgangspunt dat zowel de eigen werkelijkheid van de menselijke persoon als het onderscheid tussen geest en natuur moest kunnen verklaren. Vanuit dat antropologische vertrekpunt probeerde hij vervolgens filosofische uitspraken over God, schepping en openbaring te ontwikkelen.
Günthers benadering stond in het teken van zijn verzet tegen verschillende vormen van monisme en pantheïsme. Hij meende dat filosofische systemen die het onderscheid tussen God en wereld onvoldoende handhaafden uiteindelijk de zelfstandigheid van de schepping verloren lieten gaan. In zijn polemieken betrok hij onder anderen René Descartes, Immanuel Kant, Johann Gottlieb Fichte, Friedrich Schelling en vooral Hegel. Hoewel hij elementen uit de moderne filosofie overnam, gebruikte hij deze juist om een filosofisch alternatief voor het door hem bestreden pantheïsme te ontwikkelen.
Geloof en rede Een belangrijk doel van Günthers project was het opnieuw formuleren van de verhouding tussen christelijk geloof en filosofische rede. Hij wilde zich niet eenvoudig op de traditionele scholastieke methode beroepen, maar de geloofsinhoud confronteren met de vragen die door de filosofie sinds Kant en het Duitse idealisme waren opgeworpen. Daarbij probeerde hij ook centrale christelijke leerstukken, waaronder de Drie-eenheid, schepping en incarnatie, filosofisch te reconstrueren.
Deze werkwijze werd door tegenstanders als rationalistisch of semirationalistisch beoordeeld. Een dergelijke typering behoeft echter nuancering. Volgens de theoloog Justin Shaun Coyle beschouwde de kerkelijke kritiek Günthers methode als een reductie van openbaring tot rede, terwijl Günthers eigen project juist mede was gemotiveerd door zijn streven het christendom tegen het rationalisme van zijn tijd te verdedigen. De controverse draaide daardoor niet alleen om de vraag óf rede in de theologie mocht worden gebruikt, maar vooral om de grenzen van filosofische bewijsvoering ten aanzien van geopenbaarde geloofswaarheden.
Güntherianisme en katholiek liberalisme Günthers geschriften vormden de grondslag voor een bredere filosofisch-theologische stroming die vooral tussen circa 1830 en 1870 invloed uitoefende binnen het Duitstalige katholicisme. Historici hebben deze kring tevens in verband gebracht met het negentiende-eeuwse katholieke liberalisme. Donald J. Dietrich behandelde Günther vanuit die context als een katholiek liberaal binnen de Habsburgse monarchie.
Tijdens en na de revoluties van 1848 traden verschillende güntherianen in Wenen ook politiek en journalistiek naar voren. Historicus Thomas W. Simons karakteriseerde de güntheriaanse kring in de jaren 1848–1857 als de eerste katholieke politieke beweging van Wenen. Deze politieke activiteiten gingen in belangrijke mate van Günthers volgelingen uit; Günthers blijvende betekenis lag zelf vooral in zijn filosofische en theologische werk.
Kerkelijke veroordeling Vanaf het begin van de jaren 1850 werden Günthers geschriften in Rome onderzocht. Op 8 januari 1857 vaardigde de Congregatie van de Index, met goedkeuring van Pius IX, een decreet uit waarmee zijn werken werden verboden.
In de apostolische brief Eximiam tuam van 15 juni 1857 lichtte Pius IX de bezwaren toe. De pauselijke tekst bekritiseerde onder meer Günthers opvattingen over de verhouding tussen rede en geloof, de eenheid van God in de Drie-eenheid, de incarnatie, de verhouding tussen lichaam en ziel en Gods vrijheid bij de schepping. De veroordeling kan daarom niet tot één afzonderlijke these worden teruggebracht.
Dezelfde brief vermeldt dat Günther op 10 februari 1857 schriftelijk verklaarde zich aan het besluit van de kerkelijke autoriteit te onderwerpen. Zijn instemming met het kerkelijke oordeel betekende niet dat de intellectuele discussie onmiddellijk eindigde: zijn leerlingen en tegenstanders bleven over zijn systeem publiceren.
Receptie en invloed De kerkelijke veroordeling beperkte de verdere institutionele verbreiding van het güntherianisme. De theologische ontwikkelingen rond het Eerste Vaticaans Concilie (1869–1870) verkleinden vervolgens de ruimte voor enkele leerstellingen die met Günthers school waren verbonden. Mezei wijst er onder meer op dat Dei Filius in 1870 de vrijheid van God in de schepping nadrukkelijk formuleerde tegenover opvattingen die ook met Günther in verband waren gebracht.
In de tweede helft van de negentiende eeuw verloor de güntheriaanse school geleidelijk terrein, mede in een kerkelijk klimaat waarin de neoscholastiek aan invloed won. Enkele vroegere güntherianen sloten zich na het Eerste Vaticaans Concilie bij de oudkatholieke beweging aan. Het is daarom te vergaand om te stellen dat het concilie zelf Günthers volledige filosofie formeel „ten gunste van het neothomisme” verwierp; de neergang van zijn school maakte deel uit van een bredere ontwikkeling binnen de negentiende-eeuwse katholieke filosofie en theologie.
In recenter onderzoek is Günther opnieuw bestudeerd als vertegenwoordiger van de katholieke confrontatie met de moderne filosofie. Coyle plaatst hem in de discussie over rationalisme en het Duitse idealisme, terwijl Mezei vooral zijn kritiek op pantheïsme, zijn begrip van zelfbewustzijn en zijn plaats binnen de Oostenrijkse filosofische traditie onderzoekt.
Werken Tot Günthers belangrijkste werken behoren onder andere:
Vorschule zur speculativen Theologie des positiven Christenthums, 2 delen (1828–1829) Peregrins Gastmahl (1830) Süd- und Nordlichter am Horizonte speculativer Theologie (1832) Janusköpfe für Philosophie und Theologie (1833) Der letzte Symboliker (1834) Thomas a scrupulis (1835) Die Juste-Milieus in der deutschen Philosophie gegenwärtiger Zeit (1838) Eurystheus und Herakles (1843) Lydia, samen met Johann Emanuel Veith (1849–1854) Lentigos und Peregrins Briefwechsel (1857)
Een negendelige uitgave van zijn verzamelde werken verscheen postuum in 1882.
Literatuur
Externe links
Anton Günther
Categorie:Oostenrijks filosoof Categorie:Oostenrijks theoloog