thumb|right|upright=0.85|page=1|Briefwisseling van Jacobus Isaac Doedes aan Nicolaas Beets, twee leden van Ernst en Vrede
Ernst en Vrede was een in 1852 gevormde besloten kring van predikanten uit de Nederlandse Hervormde Kerk. De kring was geworteld in het Réveil, zocht kerkherstel zonder afscheiding of de vorming van een nieuwe kerkelijke partij en geldt als een vroeg centrum van de ethisch-irenische richting. Onder de leden bevonden zich Nicolaas Beets, Jacobus Isaac Doedes, Daniël Chantepie de la Saussaye en Johannes Jacobus van Oosterzee.Van Rinsum (2010), pp. 230–233.Holtrop (1993), pp. 28–30.
Uit de kring kwam in januari 1853 het gelijknamige tijdschrift Ernst en Vrede. Maandschrift voor de Nederlandsche Hervormde Kerk voort, dat bij Kemink en Zoon in Utrecht verscheen en als orgaan van de kring diende. De eerste redactie bestond uit Beets, Doedes en La Saussaye; vanaf 1856 verzorgde La Saussaye de redactie alleen. Het tijdschrift omvatte zes jaargangen, gedateerd 1853–1858.Broeyer (1999), pp. 31–34. Kerkhistoricus F.G.M. Broeyer noemt het blad het belangrijkste Nederlandse theologische tijdschrift uit de jaren 1850.
Voorgeschiedenis en oprichting Vanaf 1847 kwamen hervormde predikanten uit de kring van het Réveil bijeen om over de toestand van hun kerk te spreken. Zij konden zich niet vinden in de Groninger Godgeleerden, maar evenmin in het streven van Guillaume Groen van Prinsterer naar kerkherstel door handhaving van de gereformeerde belijdenisgeschriften. In hun overleg stond de vraag centraal hoe de gereformeerde belijdenis zich tot de Bijbel en de voortgaande wetenschap moest verhouden. Na bijeenkomsten in onder meer Hemmen, Heemstede en bij De Klomp viel dit eerste gezelschap in 1851 uiteen.Van Rijn en Deetman (ca. 1915), pp. 343–347.
Op 28 januari 1852 kwam ten huize van predikant F.C. van den Ham in Utrecht een nieuwe, nog naamloze besloten predikantenkring voor het eerst bijeen. Beets leidde de bijeenkomst en werd voorzitter.Doedes (1894), p. 95. Tot de aanvankelijke leden behoorden onder anderen Doedes, Johannes Petrus Hasebroek, Ottho Gerhard Heldring, Van Oosterzee, Leonard Johannes van Rhijn en J.J. van Toorenenbergen.
Op 14 oktober 1852 trad La Saussaye, destijds predikant van de Waalse gemeente in Leiden, tot de kring toe. Tijdens die vergadering stelde hij voor een tijdschrift op te richten waarin de kring actuele kerkelijke en theologische vraagstukken voor een breder publiek kon behandelen. Op voorstel van Beets kregen het gezelschap en het voorgenomen blad beide de naam Ernst en Vrede.Van Toorenenbergen (1874), pp. 163–166.
Uitgangspunten De naam vatte het programma van de kring samen. Met ernst bedoelden de leden een oprechte, in het geloofsleven gewortelde omgang met de grote vragen van godsdienst, kerk en samenleving. Daaruit moest vrede voortkomen: christenen konden volgens Beets van inzicht verschillen zonder elkaar als ontrouw aan het christendom af te schrijven.
De deelnemers deelden niet in alle opzichten dezelfde theologische positie. Vooral La Saussaye werkte het ethische beginsel nadrukkelijk uit. Volgens hem liet de historische gereformeerde belijdenis ruimte voor kritisch wetenschappelijk onderzoek; zij was geen onveranderlijk eindpunt, maar moest in het kerkelijke en theologische debat verder worden doordacht.Drees (2023), pp. 32–33.
In het programma van de tweede jaargang van het tijdschrift werd deze positie ethisch-irenisch genoemd. Ethisch verwees niet in de eerste plaats naar zedelijk gedrag, maar naar de overtuiging dat geloofswaarheid in het persoonlijke geloof en het geweten wordt herkend. Irenisch betekende vredestichtend. Dat sloot een inhoudelijk debat niet uit; het programma was juist gericht op het vermijden van persoonlijke polemiek en de vorming van een nieuwe partij in de kerk.
Activiteiten De kring was niet alleen een overlegorgaan en de initiatiefnemer van het tijdschrift; enkele leden traden ook gezamenlijk naar buiten. Een aantal predikanten uit de kring stelde in 1856 een petitie tegen het wetsontwerp voor het lager onderwijs op. Volgens historica Annemarie Houkes werd het merendeel van de ongeveer 13.500 handtekeningen via het kerkelijke netwerk van de predikanten van Ernst en Vrede verzameld.
Het tijdschrift Verschijning en redactie De eerste aflevering van Ernst en Vrede. Maandschrift voor de Nederlandsche Hervormde Kerk verscheen in januari 1853 bij Kemink en Zoon te Utrecht. Zij opende met een verklaring van de redactie over het doel van de onderneming, gevolgd door La Saussayes verhandeling Gezag en vrijheid. Hoewel het blad zich een Maandschrift noemde, verschenen per jaar zes afleveringen.
De eerste redactie bestond uit Beets, Doedes en La Saussaye. La Saussaye werd al spoedig de voornaamste auteur. Vanaf de vierde jaargang van 1856 droeg hij alleen de verantwoordelijkheid voor de redactie. Het blad fungeerde als het publieke orgaan van de kring, maar bevatte ook bijdragen van auteurs die daar niet of niet vanaf het begin toe behoorden.
Inhoud en medewerkers Het tijdschrift publiceerde theologische verhandelingen, Bijbelstudies, boekbesprekingen, correspondentie en commentaren op het kerkelijk leven. Onderwerpen waren onder meer de positie van de Nederlandse Hervormde Kerk, zending, het rooms-katholicisme, kerkelijke reglementen, schoolwetgeving, liturgie en de verhouding tussen kerk en staat.
Van Oosterzee leverde verspreid over vier jaargangen bijdragen aan het tijdschrift. Naast de uitvoerige Bijbelstudie Naäman, de Syriër (1853) verschenen van zijn hand een Brief aan de Redactie (1854), Eene getuigenis voor de leer van de eeuwigheid der straf en De Brief aan Philemon (beide 1856), gevolgd door Een goed woord voor eene miskende zaak (1857). Andere medewerkers waren onder meer J.J.L. ten Kate en Van Rhijn. J.H. Gunning jr. betuigde in 1854 zijn instemming met het programma en ging vervolgens aan het tijdschrift bijdragen. Hij zou de ethische theologie later verder ontwikkelen.
Naast theologische kwesties kwamen maatschappelijke onderwerpen aan bod. Naar aanleiding van Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet van Wolter Robert van Hoëvell schreef Doedes in 1855 over de slavernij in Suriname en schaarde hij zich achter het pleidooi voor afschaffing.
Een aanzienlijk deel van het blad werd ingenomen door La Saussayes debat met de Leidse theoloog Jan Hendrik Scholten. In een Openbare brief uit 1855 en lange vervolgreeksen in 1857 en 1858 bestreed La Saussaye Scholtens De leer der Hervormde Kerk in hare grondbeginselen. De artikelen besloegen samen honderden pagina's en verschenen in 1859 gebundeld als Beoordeeling van het werk van Dr. J.H. Scholten over de Leer der Hervormde Kerk.
Einde In de laatste jaren nam de medewerking aan het tijdschrift af en daalde het aantal abonnees. Daardoor kwam een steeds groter deel van het werk bij La Saussaye te liggen. Tegelijk werden binnen de kring verschillen zichtbaar tussen zijn meer vooruitstrevende toepassing van het ethische beginsel en de behoudender opstelling van andere leden. In 1858 bedankte Beets aanvankelijk als lid en verzocht hij het gezelschap zelfs een andere naam te kiezen wanneer het een koers zou gaan volgen die hij niet langer kon onderschrijven. Hij bleef uiteindelijk lid, maar de kring was toen al over haar hoogtepunt heen.
Op 8 oktober 1858 kondigde La Saussaye aan dat de zesde jaargang de laatste zou zijn. In de op 1 december 1858 gedateerde en in 1859 verschenen brochure De nood der Kerk. Brief van den Redacteur van het Tijdschrift „Ernst en Vrede” aan het Gezelschap van dien naam motiveerde hij de staking van het tijdschrift en zijn terugtreden als orgaan van de kring. Wanneer het ethische beginsel te sterk met één richting of persoonlijkheid werd vereenzelvigd, zou dit volgens hem juist de partijstrijd bevorderen die de kring had willen overwinnen. Het afsluitende redactionele bericht werd gedateerd op 26 maart 1859. Op de laatste vergadering, op 7 april 1859, werd na interne spanningen met algemene stemmen besloten de predikantenkring te ontbinden.
Betekenis Kerkhistorici beschouwen de kring en haar tijdschrift als een vroeg centrum van de ethisch-irenische richting binnen het Nederlandse protestantisme. Vooral via La Saussaye en later Gunning werkte deze benadering door in de Nederlandse theologie. Ook tijdgenoten namen het blad serieus: andere periodieken citeerden er geregeld en uitvoerig uit.
Externe links Eerste en tweede jaargang van het tijdschrift (1853–1854) bij Google Books Derde en vierde jaargang (1855–1856) bij Google Books Vijfde en zesde jaargang (1857–1858) bij Google Books
Categorie:Nederlands christelijk tijdschrift Categorie:Christelijke organisatie in Nederland Categorie:Geschiedenis van het protestantisme