Aeterni Patris is de gangbare titel van een apostolische brief, vaak aangeduid als pauselijke bul, die paus Pius IX op 29 juni 1868 uitvaardigde om het Eerste Vaticaans Concilie formeel bijeen te roepen. Het concilie moest op 8 december 1869, het hoogfeest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria, in de Sint-Pietersbasiliek in Rome beginnen. De officiële Latijnse titel omschrijft het document als Litterae Apostolicae; in een deel van de historiografie wordt het vanwege zijn plechtige juridische vorm en convocerende functie als een bul aangeduid.De terminologie is niet geheel uniform. De officiële Latijnse tekst draagt het opschrift Litterae Apostolicae, terwijl onder meer Dierickx spreekt van de convocatiebul. In dit artikel wordt daarom zowel de formele aanduiding „apostolische brief” als de gebruikelijke benaming „bul” vermeld.

De titel is afgeleid van het incipit Aeterni Patris Unigenitus Filius, vrij vertaald als „De eniggeboren Zoon van de eeuwige Vader”.Deze Nederlandse weergave van het incipit is een vertaling en geen officiële Nederlandstalige titel van het document. In de brief verbond Pius IX de convocatie van het concilie met een uiteenzetting over de goddelijke oorsprong van de Kerk, het primaat van Petrus en diens opvolgers, en met zijn beoordeling van religieuze, intellectuele en maatschappelijke ontwikkelingen in de negentiende eeuw.

Aeterni Patris van Pius IX moet niet worden verward met de gelijknamige encycliek Aeterni Patris van Leo XIII uit 1879, die betrekking heeft op de christelijke filosofie en in het bijzonder op de herwaardering van Thomas van Aquino.

Achtergrond De convocatie vond plaats tegen de achtergrond van grote veranderingen in de verhouding tussen de Katholieke Kerk, politiek en samenleving in de negentiende eeuw. De Franse Revolutie, de afbraak van een aantal traditionele staatskerken, de groei van het politieke liberalisme en de conflicten rond de Kerkelijke Staat hadden de positie van de paus en van nationale katholieke kerken ingrijpend veranderd. Tegelijk groeide binnen het katholicisme het ultramontanisme, dat een sterkere oriëntatie op Rome en het pauselijk gezag voorstond tegenover onder meer gallicanisme en febronianisme.

Pius IX was in 1846 paus geworden en had aanvankelijk een reputatie als relatief hervormingsgezind kerkvorst. De revoluties van 1848, waarbij hij Rome tijdelijk moest verlaten, droegen volgens historici bij aan een hardere houding tegenover bepaalde aspecten van de liberale en revolutionaire politiek. In 1864 publiceerde hij de encycliek Quanta cura, waaraan de Syllabus Errorum was toegevoegd. Daarin werden uiteenlopende opvattingen veroordeeld die door de paus als strijdig met de katholieke leer werden beschouwd, waaronder bepaalde vormen van rationalisme, liberalisme en secularisering. De publicatie veroorzaakte zowel binnen als buiten de Kerk omvangrijke discussies over de verhouding tussen kerkelijk gezag, moderne staat en intellectuele vrijheid.

Voorbereiding van een concilie Pius IX bracht op 6 december 1864 tegenover een groep kardinalen onder geheimhouding voor het eerst concreet het idee ter sprake om een algemeen concilie bijeen te roepen. In maart 1865 werd een kardinalencommissie ingesteld die het voorstel moest onderzoeken. Vervolgens werden ongeveer veertig vooraanstaande bisschoppen uit verschillende landen geraadpleegd. Volgens kerkhistoricus Michiel Dierickx was een grote meerderheid van hen voorstander van een concilie.

De aanvankelijk genoemde onderwerpen waren breder dan de kwestie van de pauselijke onfeilbaarheid. Tot de voorgestelde doeleinden behoorden de bestrijding van wat binnen de Kerk als hedendaagse dwalingen werd beschouwd, aanpassing van het kerkelijk recht aan gewijzigde omstandigheden, verbetering van de opleiding van clerus en religieuzen en pogingen tot herstel van de eenheid met afgescheiden christelijke gemeenschappen. In de consultatie van 1865 hadden volgens Dierickx slechts twee kardinalen en acht bisschoppen uitdrukkelijk de definitie van de pauselijke onfeilbaarheid ter sprake gebracht.

Politieke en militaire spanningen in Italië vertraagden de voorbereidingen. Op 29 juni 1867 maakte Pius IX tijdens een bijeenkomst van enkele honderden bisschoppen in Rome publiek bekend dat hij een concilie wilde samenroepen. Precies een jaar later volgde met Aeterni Patris de formele convocatie voor 8 december 1869.

Tekst en rechtskarakter De Latijnse tekst werd gepubliceerd in deel IV van de Acta Sanctae Sedis uit 1868, op pagina's 3–9. De officiële opschrift luidt Litterae Apostolicae [...] quibus indicitur Oecumenicum Concilium Romae habendum, waarmee het document zichzelf presenteert als een apostolische brief waarbij een oecumenisch concilie in Rome wordt afgekondigd.

De brief opent met de plechtige formule Pius Episcopus, Servus Servorum Dei, ad futuram rei memoriam („Pius, bisschop, dienaar der dienaren Gods, ter toekomstige herinnering aan de zaak”). Daarna volgt eerst een theologische uiteenzetting, vervolgens een beschrijving van de toestand van Kerk en maatschappij, een motivering van het concilie en ten slotte de eigenlijke juridische convocatie.

Pius IX riep patriarchen, aartsbisschoppen, bisschoppen, abten en alle anderen die krachtens recht of voorrecht aan algemene concilies mochten deelnemen en er hun stem mochten uitbrengen, op om naar Rome te komen. De brief formuleert hun aanwezigheid niet uitsluitend als een uitnodiging, maar als een verplichting, behoudens een geldig beletsel dat volgens de voorgeschreven procedure moest worden aangetoond.

Aan het slot bevat het document een uitvoerige promulgatiebepaling. Pius IX bepaalde dat de brief publiek moest worden voorgelezen en aangeplakt bij onder andere de pauselijke basilieken en de Apostolische Kanselarij. Twee maanden na deze bekendmaking moesten de betrokkenen juridisch als voldoende op de hoogte worden beschouwd, alsof het document hun persoonlijk was meegedeeld. De tekst eindigt met een klassieke sanctieformule tegen het overtreden van de convocatie.

Inhoud

Ecclesiologie en pauselijk primaat De theologische argumentatie begint christologisch en soteriologisch. Christus wordt voorgesteld als degene die de mensheid van zonde en dwaling bevrijdt, de apostelen uitzendt en hun het bestuur van de Kerk toevertrouwt. De Kerk wordt, met een aan het Eerste Timoteüs ontleende formulering, beschreven als „zuil en fundament van de waarheid”.

Een centrale plaats wordt vervolgens toegekend aan Petrus. Volgens de brief koos Christus hem tot hoofd en centrum van de Kerk en verleende hij hem een bijzondere en hoogste bevoegdheid, macht en jurisdictie. Pius IX stelt dat dit primaat in de bisschoppen van Rome als opvolgers van Petrus blijft voortbestaan. Daarmee sluit de ecclesiologie van de convocatiebrief duidelijk aan bij de ultramontaanse nadruk op de pauselijke primaatspositie die in de negentiende eeuw aan invloed won.

Die passages mogen echter niet worden gelijkgesteld met de latere dogmatische definitie van pauselijke onfeilbaarheid. Aeterni Patris riep het concilie bijeen en bevatte een sterk geformuleerde leer over het pauselijk primaat, maar definieerde het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid niet. De conciliaire definitie volgde pas op 18 juli 1870 in de dogmatische constitutie Pastor Aeternus.

Functie van een oecumenisch concilie Pius IX legitimeerde het houden van een algemeen concilie door te verwijzen naar eerdere perioden waarin pausen samen met bisschoppen beraadslaagden over geloofsleer, kerkelijke discipline en morele problemen. Voor het nieuwe concilie somde hij een breed programma op: bescherming van de integriteit van het geloof, ordening van de eredienst, opleiding en discipline van de clerus, naleving van het kerkelijk recht, verbetering van de zeden, christelijke opvoeding van jongeren en bevordering van vrede en eensgezindheid.

De tekst geeft daarmee geen gedetailleerde conciliaire agenda. Zij omschrijft veeleer de terreinen waarop volgens de paus beraad en hervorming noodzakelijk waren. De uiteindelijke werkzaamheden van Vaticanum I werden mede gevormd door de voorbereidende commissies en door de debatten die na de opening van het concilie ontstonden.

Intellectuele en filosofische context Aeterni Patris is geen systematisch filosofisch traktaat. Het zou daarom anachronistisch zijn het document als een uiteenzetting van het thomisme te karakteriseren. Dierickx merkt juist op dat het herleefde thomisme pas later in de negentiende eeuw een veel dominantere positie in de katholieke filosofische en theologische opleiding verkreeg. Het expliciete programma voor herstel van de filosofie van Thomas van Aquino wordt vooral verbonden met de gelijknamige encycliek Aeterni Patris van Leo XIII uit 1879.

Voor de intellectuele achtergrond van het document waren onder meer debatten over rationalisme, geloof en rede, religieus gezag en liberale staatsopvattingen van belang. De convocatiebrief zelf benoemt die filosofische stromingen niet in een systematisch begrippenapparaat. Zij spreekt vooral in normatieve tegenstellingen als waarheid en dwaling, goddelijke en menselijke wet, geloof en ongeloof, en presenteert het kerkelijk leergezag als waarborg voor religieuze waarheid en maatschappelijke orde.

De verhouding tussen geloof en rede kreeg tijdens het concilie zelf een meer systematische behandeling in de dogmatische constitutie Dei Filius van 24 april 1870. Het is daarom nuttig onderscheid te maken tussen de intellectuele problemen die de achtergrond van Aeterni Patris vormden en de preciezere leerstellige formuleringen waartoe het concilie later kwam.

Maatschappelijke dimensie Pius IX beschrijft in de brief een maatschappelijke crisis die volgens hem zowel de Kerk als de burgerlijke samenleving trof. Hij noemt onder andere aantasting van kerkelijke goederen, druk op geestelijken, opheffing van religieuze gemeenschappen, verspreiding van antiklerikale of godsdienstvijandige publicaties en het onttrekken van het onderwijs aan de invloed van de clerus. De formuleringen zijn polemisch en moeten worden gelezen als de beoordeling van de situatie door Pius IX, niet als een neutrale beschrijving van de negentiende-eeuwse maatschappij.

Op sociaal en moreel terrein legt de tekst sterke nadruk op opvoeding, huwelijk, clericale vorming, zeden en religieuze praktijk. Pius IX verbindt de katholieke leer bovendien uitdrukkelijk met wat hij beschouwt als de tijdelijke welvaart, orde en rust van volkeren en zelfs met de vooruitgang van de wetenschappen. Daaruit blijkt een maatschappijbeeld waarin religieuze waarheid, morele ordening en het welzijn van de politieke gemeenschap nauw met elkaar verbonden worden gedacht.

Die positie moet worden gesitueerd in een overgangsperiode waarin de traditionele verwevenheid van Kerk en staat in veel Europese landen onder druk stond. Dierickx typeerde de jaren rond Vaticanum I als een overgang tussen het ancien régime, waarin katholicisme in verscheidene landen een staatsgodsdienst was, en een politieke orde waarin scheiding tussen Kerk en staat steeds algemener werd.

Politieke dimensie De convocatie was ook politiek gevoelig. De Italiaanse eenwording had een groot deel van de Kerkelijke Staat aan het pauselijk gezag onttrokken en de resterende territoriale positie van Pius IX was onzeker. Daarnaast waren in Europa en Latijns-Amerika regeringen ontstaan die uiteenlopende vormen van liberalisme, secularisering of antiklerikalisme vertegenwoordigden. Deze ontwikkelingen vormden een belangrijke achtergrond van de pauselijke beoordeling van de moderne wereld en van de voorbereidingen op het concilie.