De Joodse Coördinatie Commissie (J.C.C.) was een in 1945 opgerichte Joodse hulporganisatie voor de wederopbouw van de Joodse gemeenschap in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Zij hield zich onder meer bezig met de ondersteuning van terugkerende Holocaustoverlevenden, het traceren van vermiste Joden en het opsporen en herenigen van ondergedoken kinderen met hun ouders.

Geschiedenis

De Joodse Coördinatie Commissie werd op 7 januari 1945 in Eindhoven opgericht. De organisatie hield geen verband met de gelijknamige organisatie die in 1940 was opgericht. In het bestuur zetelden onder anderen Abraham de Jong (voorzitter), Isidore Spangenthal (vice-voorzitter), Samuel Eisenmann (waarnemend secretaris), Jaap van Amerongen (penningmeester) en Salomon Roet (leider Registratiebureau).

Het zuidelijke deel van Nederland werd in het najaar van 1944 bevrijd, waarna er aldaar nieuwe Joodse hulporganisaties werden opgericht voor de belangenbehartiging van Joden. Zij hielden zich bezig met de wederopbouw van de Joodse gemeenschap, door middel van het bieden van sociale en financiële hulp, het opsporen van vermiste familieleden, het organiseren van religieuze diensten en de coördinatie van de zorg voor Joodse kinderen die ondergedoken hadden gezeten. Het J.C.C. groeide uit tot de belangrijkste van deze nieuw opgerichte organisaties.

Na de Tweede Wereldoorlog keerden Holocaustoverlevenden vanuit concentratiekampen terug naar Nederland. Soms arriveerden zij pas in het najaar van 1945, enkele maanden na de bevrijding van Nederland. Veel van hen werden beschouwd als buitenstaanders, omdat zij de collectieve Nederlands oorlogservaring, van bijvoorbeeld de Hongerwinter, niet deelden. Tegelijkertijd was er weinig belangstelling voor de ervaringen van Holocaustoverlevenden, mede doordat het voor anderen niet mogelijk was een voorstelling te maken van hun ervaringen. Zo omschreef Holocaustoverlevende Janny Moffie-Bolle haar terugkeer als een "kilte en totale onverschilligheid". De hulpverlening van het J.C.C. werd uitgevoerd door vrijwilligers die tevens lotgenoten waren, waardoor hulpbehoevenden naast praktische hulp ook emotionele steun vonden.

Professionalisering Op 26 juni 1945, na de bevrijding van Nederland, verhuisde de J.C.C. naar Amsterdam en groeide uit tot een overkoepelende landelijke organisatie. Personen konden bij het J.C.C. terecht voor sociale en maatschappelijke vraagstukken, alsmede voor vragen omtrent rechtsherstel en non-enemy-verklaringen. Aanvankelijk werd de werking van het J.C.C. gefinancierd door naar Engeland en de Verenigde Staten uitgeweken Nederlandse Joden. Later kwam daar financiering van het en bij. Tezamen doneerden zij ongeveer één miljoen gulden.

De steun van de twee buitenlandse geldschieters zorgde tevens voor meer kennis en de professionalisering van de organisatie. Voorheen werd het werk van de J.C.C. uitgevoerd door vrijwilligers, maar zij werden vervangen voor professionele hulpverleners. De sociale dienst van het J.C.C. werd in 1946 voortgezet onder de naam Joods Maatschappelijk Werk (JMW).

Opheffing Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een modernisering van het zorglandschap, mede gedreven door de stichting Nederlands Volksherstel die pleitte voor een meer inclusieve manier van zorgbieding. Dit stuitte tegen de borst van kerkelijke genootschappen die op traditionele voet verder wilden en de JMW niet erkenden. In 1948 kwam de erkenning voor het JMW en vanaf 1 september 1948 nam het JMW de sociale afdeling van het J.C.C. over, waarna het J.C.C. ophield te bestaan.

Categorie:Joodse organisatie in Nederland Categorie:Nasleep Tweede Wereldoorlog in Nederland