Károly Markó sr. (Lőcse, 23 november 1793 – Villa di Lappeggi, Italië , 19 november 1860) was een Hongaarse kunstschilder, lid van de Hongaarse Academie van Wetenschappen vanaf 1840, en een van de grondleggers van de Hongaarse landschapsschilderkunst. Zijn kunst is gebaseerd op de heroïsche, historische en idealistische landschapsschilderkunst van de 17e en 18e eeuw. Zijn landschappen hebben een idyllische sfeer en beelden mythologische, bijbelse of alledaagse taferelen uit. Hij werd gevierd als de Hongaarse Claude Lorrain. Hij was de vader van Károly Markó (1822-1891), eveneens kunstschilder.
Károly Markó werd in 1793 geboren in Lőcse, destijds een van de intellectuele centra van het Hongaarse Hoogland. Al op jonge leeftijd werd hij opgeleid tot schilder, maar zijn carrière nam aanvankelijk een andere wending. Begin 19e eeuw studeerde hij ingenieurswetenschappen in Pest en Kolozsvár. Na het behalen van zijn diploma werkte hij van 1812 tot 1818 als ingenieur in Lublin en Rozsnyó.
In Rozsnyó maakte hij zijn eerste schilderijen, kopieën van werken van de beroemde Weense schilder Joseph Fischer. Later schilderde hij vele kopieën van werken van bekende schilders. In 1818 arriveerde hij in Pest om zijn tekenvaardigheden te verbeteren. In 1822 werd hij student aan de Academie voor Schone Kunsten in Wenen, waar hij geschiedenis en landschapsschilderkunst studeerde.
Markó trouwde in Wenen en kreeg acht kinderen. Vanaf 1826 woonde hij in Kismarton, en vanaf 1830 op het landgoed Esterházy. Hij bleef schilderijen kopiëren voor kunsthandelaren.
In opdracht van zijn beschermheer, een Weense bankier, keerde Markó terug naar huis en schilderde het allereerste Hongaarse landschapsschilderij: Visegrád (1826). In 1832 maakte hij een rondreis door Italië, waarbij hij Rome, Florence, Venetië en Bologna bezocht. In 1838 werd hij ziek door malaria, waarna hij Rome verliet, naar Pisa verhuisde en daar tot 1843 woonde.
Tussen 1843 en 1848 reisde Markó verder en vestigde zich in Florence. Hij was in Europa al een bekend schilder geworden. Hij werkte regelmatig voor aristocraten. In 1848 verhuisde hij naar Appeggio, waar hij tot zijn dood in 1860 woonde.
In 1853 bezocht Markó zijn geboorteland. Deze reis inspireerde zijn schilderijen als Puszta en Alföld, met een waterput. In 1840 werd een tentoonstelling van zijn werken gehouden op de eerste Kunsttentoonstelling van Pest. In datzelfde jaar werd hij verkozen tot lid van de Hongaarse Academie van Wetenschappen. Zijn werken zijn te vinden in musea in Oostenrijk, Tsjechië, Denemarken, Hongarije, Duitsland, Italië en Slowakije.
In 2011 werd een tentoonstelling van zijn werk georganiseerd door de Hongaarse Nationale Galerie en het Christelijk Museum, ter gelegenheid van de 150e verjaardag van zijn dood.
Categorie:Hongaars kunstschilder Categorie:19e-eeuws schilder Categorie:20e-eeuws schilder