Jean-François Joseph Jamar (Stavelot, 19 januari 1870 – 15 november 1954) was een Belgisch magistraat. Van januari 1939 tot juni 1945 was hij eerste voorzitter van het Hof van Cassatie. Tijdens de Duitse bezetting van België tijdens de Tweede Wereldoorlog stond hij voor het moeilijke dilemma tussen samenwerking met de bezettingsautoriteiten en het behoud van de Belgische rechtspleging.

Biografie Familie en opleiding Joseph Jamar werd geboren in een oude Luikse familie van magistraten en juristen. Zijn vader, François Jamar, was raadsheer in het hof van beroep in Luik. Zijn moeder, Clémence Sancy, stamde eveneens uit een familie waarin verschillende magistraten en hoge militairen voorkwamen.

Hij liep school aan het Athénée royal in Verviers, waar zijn vader destijds voorzitter was van de rechtbank van eerste aanleg. In 1891 behaalde hij aan de Universiteit van Luik de graad van doctor in de rechten.

Loopbaan Na zijn rechtenstudie begon Jamar een loopbaan aan de balie. Hij startte als advocaat-stagiair bij Xavier Neujean. Na ongeveer vijftien jaar aan de balie van het justitiepaleis van Luik trad hij in april 1906 toe tot de magistratuur. Hij werd benoemd tot rechter bij de rechtbank van eerste aanleg in Verviers. In december 1907 werd hij substituut van de procureur des Konings in Luik. Daar verwierf hij bekendheid met bijzonder gezaghebbende adviezen in burgerlijke zaken en welsprekende requisitoirs in correctionele zaken.

Hij was onderluitenant bij het bataljon jagers te voet van de Burgerwacht van Luik. Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam hij in augustus 1914 deel aan de verdediging van het fort van Embourg.

Na de oorlog verliep Jamars carrière snel. In maart 1919 werd hij benoemd tot raadsheer in het hof van beroep in Luik, mede dankzij de steun van socialistische en liberale provincieraadsleden. Jamar zelf was afkomstig uit een liberale familie en werd in die periode beschouwd als een progressief liberaal. Hij werd belast met het voorzitten van assisenzaken, waaronder verschillende spraakmakende processen die na de oorlog plaatsvonden. Daarbij onderscheidde hij zich door zijn gezag en zijn grote zorg voor onpartijdigheid. Zijn groeiende bekendheid leidde ertoe dat hij in maart 1923 werd benoemd tot raadsheer in het Hof van Cassatie, waar hij zich onderscheidde als een belezen, nauwgezette en onafhankelijke rechtsgeleerde. In januari 1939 werd hij eerste voorzitter van het Hof.

Tweede Wereldoorlog Zijn benoeming tot eerste voorzitter werd vanaf de Duitse inval in België in mei 1940 een zware verantwoordelijkheid. Het Hof vormde als hoogste rechtbank een van de belangrijkste gesprekspartners van de Duitse bezettingsautoriteiten. Naarmate de druk van de bezetter toenam, werd het Hof geconfronteerd met een moeilijk dilemma. Enerzijds kon het zich krachtig verzetten tegen de bezettingsmacht, met het risico dat de Belgische rechtspleging zou worden opgeheven en de bevolking volledig aan vijandelijke rechtbanken zou worden overgeleverd. Anderzijds kon het bepaalde concessies doen aan de bezetter, in de hoop het wezenlijke van het Belgische en internationale recht te behouden.

In de praktijk kozen Jamar en zijn belangrijkste medewerker, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, doorgaans voor een politiek van verzoening. Tot de herfst van 1942 was dit Adolphe Gesché, waarna Raoul Hayoit de Termicourt tot aan de bevrijding als waarnemend procureur-generaal optrad. Hoewel er protesten tegen de bezettingspolitiek waren, bleven deze doorgaans discreet. Ze leidden niet tot een daadwerkelijke weigering van samenwerking, ondanks verschillende dreigingen met stakingen binnen de magistratuur. Jamar werd hierdoor als relatief volgzaam tegenover de eisen van de bezetter beschouwd. Tegelijkertijd verdedigde hij krachtig magistraten en advocaten die waren gearresteerd of met arrestatie werden bedreigd wegens juridische handelingen die zij in de uitoefening van hun ambt hadden gesteld.

Na de oorlog In juni 1945 ging Jamar met emeritaat. Voor zijn tijdens de bezetting gevoerde 'politiek van het minste kwaad' ontving hij het Burgerlijk Kruis van de Eerste Klasse. Tegelijkertijd was Jamar gevoelig voor de kritiek die op zijn houding tijdens de bezetting werd geuit. Een groot deel van de laatste jaren van zijn leven besteedde hij daarom aan het schrijven van oorlogsmemoires. Daarin probeerde hij, aan de hand van documenten, zijn eigen houding en die van het Hof tijdens de periode 1940–1944 te rechtvaardigen.

Na zijn pensionering trok hij zich vrijwel volledig terug uit het openbare leven. Zijn laatste publieke optreden had voornamelijk betrekking op de verdediging van eremagistraten in een conflict met de regering over de financiële behandeling van hun emeritaat.

Bibliografie Mémoires de guerre, 1940-1944, 1950.

Literatuur Fabrice MAERTEN, Fonds Jamar, Brussel, CEGES, 2007. Nicolas HANSEN, Un haut magistrat belge face à l'occupation. Joseph Jamar, Premier Président de la Cour de Cassation de 1940-1944, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Université catholique de Louvain, 2008. Kristen PETERS, 'Les abandons de poste dans la magistrature lors de la Seconde Guerre mondiale', in Cahiers d'Histoire du Temps présent, nr. 24, 2011, 165-166, 173.

Categorie:Raadsheer in het Hof van Cassatie (België) Categorie:Belgisch advocaat