De zaak van de Goljanovo-slaven () verwijst naar gevallen van mensenhandel en moderne slavernij die plaatsvonden in het district Goljanovo in Moskou, Rusland, beginnend in de late jaren '90 en voortdurend tot ten minste 2016. De slachtoffers waren voornamelijk vrouwen uit Oezbekistan, Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan. Zij werden onderworpen aan dwangarbeid, seksuele uitbuiting, marteling en zware fysieke mishandeling in levensmiddelenwinkels die werden beheerd door een crimineel netwerk afkomstig uit het zuiden van Kazachstan.

De operatie werd geleid door een criminele organisatie onder aanvoering van de familie Istanbekov, in samenwerking met meerdere medeplichtigen. De zaak kreeg internationale bekendheid nadat mensenrechtenactivisten en journalisten in oktober 2012 twaalf gevangenen wisten te bevrijden. Ondanks uitgebreide documentatie van misdrijven, waaronder verkrachting, marteling, kindermishandeling en dodelijke slachtoffers, weigerden de Russische autoriteiten herhaaldelijk om de daders te vervolgen en wezen ze tot minstens 32 keer toe verzoeken af om een strafzaak te openen.

In december 2024 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat Rusland het verbod op slavernij en discriminatie onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens had geschonden. Het Hof concludeerde dat de stelselmatige procedurele inactiviteit van de staat in feite een regime van straffeloosheid voor de criminelen had geïnstitutionaliseerd. De zaak wordt door het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en de Verenigde Naties aangehaald als typerend voor de systematische tekortkomingen in de strijd tegen mensenhandel en de bescherming van slachtoffers.

Achtergrond Internationale instanties, waaronder het United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC) en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, classificeren Centraal-Azië als een belangrijke regio voor de oorsprong, de doorvoer en de bestemming van slachtoffers van mensenhandel. De Russische Federatie wordt consequent aangemerkt als een belangrijk bestemmingsland voor slachtoffers van dwangarbeid, gedreven door de vraag naar goedkope arbeidskrachten in sectoren zoals detailhandel, bouw en landbouw. Het Trafficking in Persons Report van het Amerikaanse State Department heeft Rusland regelmatig in de laagste categorie (Tier 3) geplaatst, wijzend op een structureel gebrek aan overheidsinspanningen om slachtoffers proactief te identificeren, verergerd door meldingen van corruptie en medeplichtigheid van ambtenaren.

Het criminele netwerk In de jaren 1990 vestigde zich in Moskou een crimineel netwerk bestaande uit personen afkomstig uit het district Kazygurt in de Oblast Turkestan (in het zuiden van Kazachstan). De kerngroep bestond uit drie zussen: Zjanar Istanbekova, Zjansulu Istanbekova en Sjolpan Istanbekova, samen met hun echtgenoten: Rasjid Moesabekov, Saken Moezdybajev en Boelat Moechamedcalin.

De groep exploiteerde meerdere levensmiddelenwinkels, voornamelijk in het district Goljanovo, waaronder locaties aan de Oeralskaja-straat en de Novossibirskaja-straat. Deze winkels dienden als uitbuitingslocaties waar slachtoffers in gevangenschap werden gehouden, soms wel meer dan tien jaar lang. Familieleden, kinderen en zakenpartners van de familie Istanbekov namen deel aan de operatie en fungeerden als opzichters, wervers en bewakers.

Naast mensenhandel en dwangarbeid fungeerden deze winkels als dekmantel voor een bredere criminele onderneming. Volgens getuigenissen van bevrijde gevangenen en onderzoeksrapporten van journalisten gebruikte het netwerk de locaties voor diverse andere illegale praktijken, waaronder drugshandel, de verkoop van namaakdrank zonder vergunning en illegale financiële activiteiten.

Rekrutering en gevangenschap Rekruteringsmethoden Het criminele netwerk rekruteerde slachtoffers via verschillende methoden. Medeplichtigen in Kazachstan en Oezbekistan plaatsten personeelsadvertenties die hoge salarissen beloofden voor werk in Moskouse supermarkten. De groep richtte zich bewust op wezen, kwetsbare vrouwen en individuen uit verarmde milieus. Bij aankomst in Moskou werden de paspoorten, mobiele telefoons en persoonlijke bezittingen van de slachtoffers direct in beslag genomen door de winkeleigenaren.

Werk- en leefomstandigheden Gevangenen werden gedwongen diensten te draaien van 20 tot 21 uur per dag, bijna volledig staand. Slaap was beperkt tot drie of vier uur op de vloer van krappe, overvolle opslagruimtes. Gevangenen kregen oud brood, water en voedsel dat over de datum was; eten zonder toestemming resulteerde in zware afranselingen. De panden werden streng bewaakt met videocamera's om ontsnappingspogingen te voorkomen. Het was de slachtoffers verboden met elkaar te praten, of om meer dan een standaard groet uit te wisselen met klanten.

Mishandeling en geweld Slachtoffers werden onderworpen aan systematische martelingen en extreem fysiek geweld, waaronder slagen met moersleutels, spiesen en deegrollers, het breken van botten en het overgieten met kokend water. Medische zorg werd stelselmatig geweigerd, wat resulteerde in blijvende misvormingen, slecht geheelde botbreuken en chronische aandoeningen.

Vrouwelijke gevangenen werden systematisch verkracht door de eigenaren, familieleden en bewakers. Vrouwen die zwanger raakten, werden vaak gedwongen om abortus te ondergaan in een vergevorderd stadium van de zwangerschap. Als gevolg van gedwongen seksuele handelingen bevielen de gevangen vrouwen van ongeveer tien kinderen tijdens hun gevangenschap. Kinderen werden routinematig van hun moeders gescheiden, geregistreerd onder de naam van de daders en onderworpen aan fysiek geweld en misbruik. De zoon van een van de slachtoffers had onbehandelde gebroken benen, ernstige rachitis en werd gediagnosticeerd met het zogenaamde 'battered-child-syndroom'. Naar verluidt zijn gedurende de twee decennia dat de groep actief was, verschillende gevangenen en kinderen overleden of spoorloos verdwenen.

Medeplichtigheid van de overheid en corruptie bij de politie Dat het criminele netwerk bijna twintig jaar kon blijven bestaan, werd mogelijk gemaakt door systematische corruptie binnen de Russische politie. Ondanks talloze ontsnappingspogingen van slachtoffers door de jaren heen, weigerde de lokale politie herhaaldelijk in te grijpen en hielp zij de daders juist actief.

Gevangenen die wisten te ontsnappen en het politiebureau in Goljanovo bereikten, werden vaak direct teruggebracht naar hun ontvoerders. In ruil voor steekpenningen negeerden politieagenten zichtbare sporen van marteling, verdoezelden zij getuigenissen en dwongen zij de slachtoffers documenten te ondertekenen waarin stond dat zij geen klachten hadden. Slachtoffers werden voortdurend bedreigd dat hun familieleden zouden worden opgesloten wegens drugsbezit; in ten minste één gedocumenteerd geval werd een mannelijke gevangene die ontsnapte, vervolgens tot vier jaar cel veroordeeld op basis van verzonnen aanklachten wegens het bezit van heroïne.

Regelmatige inspecties door de Federale Migratiedienst en lokale autoriteiten rapporteerden structureel "geen overtredingen", ondanks de zichtbare aanwezigheid van ongedocumenteerde werknemers die de taal niet spraken en de illegale, klokrond verkoop van alcohol. Mensenrechtenorganisaties merkten op dat de politie een "uitzonderlijke weerstand" vertoonde om de zaak te onderzoeken, wat wees op een veel breder patroon van corruptie binnen het staatsapparaat.

Ontsnappingen en bevrijdingen Vroege incidenten De eerste bekende slachtoffers werden eind jaren negentig geronseld. In 2002, na de ontsnapping van een minderjarig meisje, wist de politie verschillende slachtoffers te bevrijden die in zwaar verwaarloosde fysieke toestand verkeerden. Sjolpan Istanbekova werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, maar kreeg na twee jaar al gratie. Ondanks deze veroordeling zette het criminele netwerk zijn operaties onder leiding van de andere familieleden gewoon voort.

Bevrijding in oktober 2012 Op 30 oktober 2012 deden activisten van de anti-slavernijbeweging "Alternativa", geleid door Oleg Melnikov en vergezeld door journalisten van de krant Novaja Gazeta, een inval in de winkel aan de Novossibirskaja-straat. De groep wist de weerstand van de eigenaren te breken en bevrijdde twaalf mensen (negen vrouwen en drie mannen) uit Kazachstan, Oezbekistan en Tadzjikistan. Tijdens de inval probeerden de daders verschillende arbeiders en kinderen via de achteruitgangen weg te smokkelen, hoewel de meesten van hen later in veiligheid konden worden gebracht.

Na de bevrijding werden de slachtoffers 14 uur lang ondervraagd op het politiebureau van Goljanovo, waar agenten hen probeerden vast te houden voor deportatie. Alleen de aanhoudende aanwezigheid van journalisten en activisten kon voorkomen dat de slachtoffers werden overgedragen aan de mensenhandelaren.

Verdere uitbuiting (2013–2016) Ondanks de grote media-aandacht voor de inval in 2012, bleven de winkels operationeel en maakten ze nieuwe slachtoffers. In 2013 werd Zjanibek Kanybek, een 18-jarige jongen uit Kazachstan, tweeënhalf jaar lang als slaaf vastgehouden. Na ontsnappingspogingen werd hij gemarteld met elektrische schokken; hij werd pas in 2015 vrijgelaten nadat zijn fysieke toestand zo slecht was geworden dat hij niet langer rendabel was voor het netwerk.

In december 2016 wist de 21-jarige Kazachse Nesibeli Ibragimova na acht maanden gevangenschap te ontsnappen. Uit haar ontsnapping bleek dat de daders nog steeds straffeloos opereerden en nog steeds meerdere slachtoffers, waaronder kinderen, vasthielden.

Gerechtelijke procedures Russische onderzoeken In november 2012 werd de strafzaak tegen de familie Istanbekov geseponeerd door het Openbaar Ministerie van het district Preobrazjenskoje, op grond van een "gebrek aan bewijs van een misdrijf". Er werd geconcludeerd dat de slachtoffers zouden hebben "ingestemd" met hun behandeling. In de daaropvolgende jaren vaardigden de Russische autoriteiten liefst 32 formele weigeringen uit om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Rechercheurs negeerden fysiek bewijs, weigerden bewakingsbeelden te bekijken en verhinderden medisch onderzoek van de slachtoffers. In plaats van de daders te vervolgen, stelde de federale Onderzoekscommissie wel onderzoeken in naar de NGO's die de slachtoffers te hulp schoten.

Internationale reactie De Kazachse autoriteiten openden strafzaken tegen de winkeleigenaren en plaatsten hen op de internationale opsporingslijst, maar de onderzoeken moesten worden opgeschort vanwege een gebrek aan medewerking vanuit Rusland. In 2017 werd een werver die banden had met het netwerk, door een Oezbeekse rechtbank wél veroordeeld wegens mensenhandel.

Europees Hof voor de Rechten van de Mens In november 2016 dienden voormalige gevangenen een formele klacht in bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Op 10 december 2024 deed het EHRM uitspraak in de zaak F.M. en Anderen t. Rusland. Het Hof stelde unaniem vast dat de eisers slachtoffer waren geworden van grensoverschrijdende mensenhandel en slavernij. Het oordeelde dat Rusland artikel 4 (verbod op slavernij en dwangarbeid) en artikel 14 (verbod op discriminatie) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens had geschonden. Het Hof beval Rusland een totale schadevergoeding van €319.731,75 te betalen aan de slachtoffers.

Verenigde Naties Op 15 mei 2025 stuurden drie speciale rapporteurs van de Verenigde Naties (VN) een officiële waarschuwing naar de Russische regering. Zij veroordeelden daarin de structurele weigering om in te grijpen en de voortdurende straffeloosheid van de daders. De VN gaf Rusland 60 dagen de tijd om te reageren; er werd geen enkele reactie ontvangen.

In de populaire cultuur De gebeurtenissen rond de slaven in Goljanovo hebben geleid tot meerdere culturele uitingen die het probleem van de moderne slavernij aan de kaak stellen: