Augustissimae Virginis Mariae is een encycliek van paus Leo XIII, uitgevaardigd op 12 september 1897. Het document behandelt het rozenkransgebed en in het bijzonder de Broederschap van de Heilige Rozenkrans. Het is gericht aan de patriarchen, primaten, aartsbisschoppen, bisschoppen en andere plaatselijke ordinarissen die in gemeenschap met de Heilige Stoel staan.
De encycliek maakt deel uit van de langdurige bevordering van de rozenkrans tijdens het pontificaat van Leo XIII. In de encycliek Diuturni Temporis van 1898 schreef Leo dat hij sinds 1 september 1883 ieder jaar een encycliek aan de rozenkrans had gewijd.Leo XIII, Diuturni Temporis, 5 september 1898, § 2; Acta Sanctae Sedis, 31 (1898–1899), pp. 146–149. In Augustissimae Virginis Mariae verbindt hij de Mariadevotie met gezamenlijk gebed, katholieke verenigingsvorming en de katholieke leer over de voorspraak van de heiligen.
Historische context Het pontificaat van Leo XIII (1878–1903) wordt in de historiografie onder meer geplaatst tegen de achtergrond van de katholieke reactie op de politieke, intellectuele en sociale veranderingen van de moderniteit. Robert P. Kraynak beschrijft daarbij de herleving van het thomisme als een belangrijk onderdeel van Leo's bredere intellectuele programma. In onderzoek naar Leo's mariologie brengt Grzegorz Bachanek diens uitspraken over Maria tevens in verband met de kerkelijke conflicten en sociale spanningen van de late negentiende eeuw. Deze algemene context betekent niet dat Augustissimae Virginis Mariae zelf een systematische uiteenzetting van politieke of sociale filosofie bevat.
De encycliek behandelt ook de geschiedenis van de rozenkransbroederschap. Leo schrijft voorzichtig dat Dominicus als haar stichter werd beschouwd. Historisch onderzoek plaatst het ontstaan van gedocumenteerde rozenkransbroederschappen echter in de vijftiende eeuw. Rita George Tvrtković beschrijft hoe Alanus de Rupe de rozenkrans in de vijftiende eeuw met Dominicus verbond en hoe in de jaren 1460 en 1470 rozenkransbroederschappen ontstonden, waaronder die van Keulen in 1475. De verwijzing van Leo naar Dominicus kan daarom als weergave van een kerkelijke traditie worden gelezen en niet als een door modern historisch onderzoek vastgestelde oorsprong.
Inhoud
Maria en de heilsgeschiedenis In het eerste deel behandelt Leo XIII de plaats van Maria in de christelijke heilsgeschiedenis. Hij beschrijft haar uitverkiezing tot moeder van het mensgeworden Woord en verbindt haar positie met de orde van natuur, genade en heerlijkheid. Vervolgens verwijst hij naar gebeurtenissen uit het Nieuwe Testament, waaronder het bezoek van Maria aan Elisabet, de bruiloft te Kana en Jezus' woorden aan de geliefde leerling in Johannes 19:27.
Deze passages dienen als grondslag voor Leo's oproep tot Mariadevotie. Met het oog op de naderende oktobermaand spoort hij de bisschoppen en gelovigen opnieuw aan tot het bidden van de rozenkrans. De devotie wordt daarbij voorgesteld als een vorm van gebed voor zowel persoonlijke als kerkelijke noden.
Verenigingsleven en gemeenschappelijk gebed Een tweede thema is het menselijke verenigingsleven. Leo stelt dat de neiging van mensen om zich met anderen te verenigen in zijn tijd sterk tot ontwikkeling was gekomen. Hij noemt verschillende katholieke verenigingsvormen en beoordeelt dergelijke verbanden positief wanneer zij gericht zijn op godsdienstige, liefdadige of maatschappelijke doeleinden.
Binnen dit geheel kent hij een bijzondere plaats toe aan de Broederschap van de Heilige Rozenkrans. Volgens de encycliek bestaat haar eigenlijke kern uit het gezamenlijk beoefenen van de rozenkrans. Leo benadrukt daarbij het verschil tussen uitsluitend individueel gebed en gemeenschappelijk gebed. Ter ondersteuning verwijst hij onder meer naar Handelingen van de Apostelen 1:14 en naar uitspraken van Gregorius de Grote, Augustinus van Hippo en Cyprianus van Carthago.
De encycliek gebruikt voor de broederschap tevens militaire beeldspraak en spreekt over een georganiseerde gemeenschap van gebed. In dat verband verwijst Leo naar de Slag bij Lepanto van 1571 en naar latere katholieke overwinningen op Ottomaanse strijdkrachten. De koppeling tussen de rozenkrans, Maria en Lepanto heeft een oudere geschiedenis. Tvrtković beschrijft hoe na Lepanto binnen de dominicaanse traditie het beeld van Maria als Onze-Lieve-Vrouw van de Overwinning verder werd ontwikkeld en de overwinning met rozenkransgebed werd verbonden. De voorstelling in de encycliek is daarmee een religieuze interpretatie van deze historische gebeurtenissen.
Gebed tot God en voorspraak van heiligen Een uitvoerig theologisch gedeelte behandelt de verhouding tussen het gebed tot God en het aanroepen van heiligen. Leo maakt daarbij een principieel onderscheid: God wordt aangesproken als de oorsprong en schenker van genade en heerlijkheid, terwijl heiligen worden aangeroepen als voorsprekers.
Voor deze redenering verwijst de encycliek naar de vijfentwintigste zitting van het Concilie van Trente, naar Thomas van Aquino en naar Bijbelteksten zoals Openbaring 8:4. Binnen deze leer over voorspraak kent Leo aan Maria een uitzonderlijke plaats toe vanwege haar verhouding tot Christus en haar moederschap. De Mariologie van de encycliek staat daarmee binnen een christologisch kader: God blijft volgens de tekst de bron van genade, terwijl Maria en de overige heiligen als voorsprekers functioneren.
Mysteries van de rozenkrans en de engelen Leo verbindt vervolgens de meditatie over de mysteries van de rozenkrans met de rol van de engelen in het evangelieverhaal. Hij noemt onder meer de Annunciatie, de geboorte van Christus te Bethlehem, de vlucht naar Egypte, de doodsangst van Jezus in Getsemane, de opstanding en de hemelvaart.
De deelnemers aan de rozenkransbroederschap worden zo voorgesteld als gelovigen die door gebed en meditatie de heilsgebeurtenissen overwegen. De encycliek verwijst daarbij naar Hebreeën 12:22 en plaatst het aardse gebed binnen een bredere voorstelling van de gemeenschap van gelovigen en engelen.
Kerkelijke traditie en slotoproep In het laatste gedeelte beroept Leo zich op eerdere pausen die de rozenkransbroederschap hadden ondersteund. Hij noemt onder anderen Innocentius VIII, Pius V en Sixtus V, evenals privileges en aflaten die met de broederschap verbonden waren.
De encycliek eindigt met een oproep aan de bisschoppen om de broederschap actief te bevorderen. Leo besteedt daarbij tevens aandacht aan vormen van voortdurend gezamenlijk rozenkransgebed, waarbij gebeden in verschillende landen en op verschillende tijdstippen als een ononderbroken geheel worden voorgesteld.
Theologische en filosofische kenmerken De argumentatie van Augustissimae Virginis Mariae is in de eerste plaats theologisch en pastoraal. Zij steunt op Bijbelteksten, kerkvaders, middeleeuwse theologie, het Concilie van Trente en eerdere pauselijke documenten. De encycliek ontwikkelt geen zelfstandige systematische epistemologie of metafysica.
Wel bevat de tekst een sociaal-antropologisch uitgangspunt wanneer Leo de menselijke neiging tot vereniging als natuurlijk beschrijft. Vanuit dat uitgangspunt worden verenigingen beoordeeld naar het doel waarop zij gericht zijn, waarna de rozenkransbroederschap als religieuze vereniging wordt aanbevolen. Dit sluit in algemene zin aan bij de belangstelling van Leo XIII voor het sociale karakter van de mens, maar de encycliek zelf werkt geen omvattende theorie over staat, economie of natuurrecht uit.
In de bredere intellectuele context van Leo's pontificaat heeft Kraynak gewezen op het belang van de thomistische herleving voor diens omgang met de moderniteit. Het zou echter verder gaan dan de inhoud van Augustissimae Virginis Mariae om het document zelf zonder nadere secundaire onderbouwing als een systematisch thomistisch traktaat te karakteriseren.
Vervolg Leo XIII keerde het jaar daarop terug naar het onderwerp. In Diuturni Temporis van 5 september 1898 gaf hij een terugblik op zijn eerdere bevordering van de rozenkrans en kondigde hij een afzonderlijke regeling aan voor de rechten, privileges en aflaten van de rozenkransbroederschap.
Op 2 oktober 1898 volgde de apostolische constitutie Ubi primum, waarin de inrichting, leiding, privileges en religieuze verplichtingen van de Broederschap van de Heilige Rozenkrans uitvoeriger werden geregeld.Leo XIII, apostolische constitutie Ubi primum, 2 oktober 1898, Acta Sanctae Sedis, 31 (1898–1899), pp. 257–263. Augustissimae Virginis Mariae kan daardoor worden gezien als de pastorale aansporing die kort vóór deze meer institutionele regeling verscheen.
Literatuur
Primaire literatuur
Secundaire literatuur
Zie ook
Paus Leo XIII Rozenkrans Mariologie Dominicanen Lijst van encyclieken van paus Leo XIII
Externe link
Augustissimae Virginis Mariae - officiële Engelse tekst op de website van de Heilige Stoel
Categorie:19e-eeuws rooms-katholiek geschrift Categorie:Pauselijke encycliek Categorie:1897