Margherita Costa was een 17e-eeuwse Italiaanse zangeres en schrijfster. Zij begon haar carrière als operazangeres maar richtte zich vanaf 1626 ook op het schrijven en publiceren van dichtbundels, toneelstukken en libretti. Ze stond tevens bekend als courtisane.
Levensloop Margherita's geboortedatum is onbekend, maar zal ergens tussen 1600 en 1610 hebben gelegen. Zelf schreef ze altijd dat ze Romeinse was, dus ze zal in Rome zijn geboren. Haar ouders waren Cristophoro Costa en diens echtgenote Dorathea, beiden afkomstig uit Rome. Ze had een broer Paolo en vijf zussen: Anna Francesca, Anna, Olimpia, Vittoria en Barbara. Anna Francesca werd later zangeres en Olimpia of Vittoria zou als Maria Massimiliana in een klooster terecht komen. Naar verluidt was het gezin van eenvoudige komaf.
Zangwedstrijd Margherita was al vóór 1626 een bekende zangeres in Rome. In dat jaar werd de opera La catena d'Adone van componist Domenico Mazzocchi opgevoerd. De twee hoofdrollen in deze opera waren bedoeld als een vorm van zangwedstrijd tussen Margherita Costa en een zangeres die werd aangeduid als 'Ceccha a lacuna',Ceccha a lacuna betekent Ceccha uit het moeras. Het zou een verwijzing kunnen zijn naar de arme buurt van Rome en naar prostituees. Zie Quaintance, p. 34. mogelijk Margherita's zuster Anna Francesca. De wedstrijd zou zijn bedacht door Giovan Giorgio Aldobrandini en Giovan Domenico Lupi, bewonderaars van Margherita respectievelijk Ceccha. Uiteindelijk vond de première van de opera plaats op 12 februari, maar zonder de twee zangeressen: zij waren vervangen door twee castraatzangers. Castraatzangers stonden in hoger aanzien dan zangeressen; de wisseling zou dan ook zijn gedaan op uitdrukkelijk verzoek van Aldobrandini's echtgenote of van kardinaal Ippolito Aldobrandini, om de goede naam van hun familie te beschermen.
Margherita woonde in 1628 mogelijk in Florence het huwelijk bij van Margherita de' Medici en hertog Odoardo Farnese. Onderdeel van de festiviteiten was de opvoering van de opera La Flora, geschreven door Marco da Gagliano en Jacopo Peri. Het is aannemelijk dat Margherita een rol zong in deze opera.
Vertrek naar Florence Margherita verliet de stad Rome ergens na 1629 (en mogelijk zelfs pas in het midden van de jaren 30) om zich in Florence te vestigen. De reden hiervoor is onduidelijk. Mogelijk was ze in Rome verwikkeld geraakt in een schandaal. Het is echter ook een optie dat ze gewoon op zoek was naar nieuwe werkzaamheden en nieuwe beschermheren.
In 1635 stelde Margherita in Rome een testament op. Op basis van de inhoud blijkt dat ze beschikte over inkomsten maar dat haar financiële situatie instabiel was. Ze bleek tevens gehuwd te zijn met ene Giovanni Galbiati (of Galbizzi). Verder gaf zij te kennen dat ze begraven wilde worden in de kerk San Francesco a Ripa.
Over haar zangcarrière in Florence is niets bekend. Haar naam komt niet voor in de muziekproducties die toen in Florence werden uitgevoerd. Overigens was het destijds gebruikelijk om op libretti alleen de grootste namen te vermelden, zoals die van zangeres Francesca Caccini. Het is dus niet uitgesloten dat Margherita wel degelijk meewerkte aan verschillende opera's, maar dat haar naam gewoon niet op de documenten werd vermeld.
Carrière als schrijfster Wellicht vanwege de moeizame opbouw van haar zangcarrière richtte Margherita zich in Florence op het schrijven van boeken en gedichten. Haar eerste publicatie was Istoria del viaggio d’Alemagna del serenissimo Grand Duca di Toscana Ferdinando Secondo, over de diplomatieke reizen van aartshertog Ferdinando. De publicatiedatum is onbekend en zou in 1628 of zelfs 1638 kunnen liggen.
Margherita publiceerde van 1638 tot 1641 acht boeken en een aantal pamfletten met gedichten. Ze droeg al haar werken op aan hooggeplaatste personen aan het hof. Haar twee dichtbundels La Chitarra en Il violino, beide opgedragen aan aartshertog Ferdinando, verschenen in 1638. Een jaar later verscheen Lo stipo, opgedragen aan Lorenzo de' Medici. miniatuur|De komedie Li Buffoni Ook schreef ze toneelstukken, zoals het libretto La Flora feconda (1640) en de komedie Li buffoni (1641).
Fra' Paolo Margherita kreeg in Florence een relatie met Tiberio Squilletti (alias Fra' Paolo) en waarschijnlijk woonden de twee sinds september 1639 samen. Vanaf 1640 trad Tiberio op als Margherita's literair agent.
Tiberio had machtige vijanden in Rome en in 1639 stuurden zij een huurmoordenaar op hem af. De aanslag mislukte en de dader werd door aartshertog Ferdinando veroordeeld tot de dood. Margherita herdacht deze gebeurtenis in haar gedicht Tirsi trafitto. Het zou overigens niet bij deze ene moordaanslag blijven: in 1641 ontving Margherita een brief dat een nieuwe aanslag op Tiberio op handen was. Het is niet duidelijk wie er achter de bedreigingen zat: mogelijk was het kardinaal Antonio Barberini, maar ook de Medici zouden betrokken zijn geweest.
Vlucht naar Rome Voor het stel was het inmiddels duidelijk dat ze beter naar Rome konden verhuizen. Daar kon Margherita immers gebruik maken van haar goede contacten met de machtige familie Barberini. In 1644 keerde Margherita dan ook terug naar Rome, samen met Tiberio. Ze wist bij paus Urbanus te regelen dat Tiberio's criminele activiteiten hem werden vergeven. Tiberio werd zelfs opgenomen in de familie Barberini, die hem van huisvesting, inkomsten en werk voorzag. Met de komst van paus Innocentius in september 1644 kwamen de Barberini's echter in de problemen en kreeg de familie een onderzoek wegens corruptie te verduren.
Overigens bleek in 1644 ook wie daadwerkelijk Tiberio's vijand was, want hij werd in december opgepakt door mannen van Ferdinando de' Medici. Hij belandde in de gevangenis, waar hij in 1677 zou komen te overlijden.
Margherita publiceerde in Rome nog wel haar werk Cecilia martire, opgedragen aan kardinaal Francesco Barberini.
Turijn en Parijs In januari 1645 was Margherita in Turijn. Zij kreeg daar van Christine, hertogin van Savoie, een jaarsalaris toegekend als kamerzangeres. Kennelijk was Margherita's echtgenoot toen reeds overleden, aangezien ze in de rekeningen van de hertogin als weduwe werd omschreven. In augustus 1645 was Margherita weer terug in Rome.
Met dank aan Antonio en Francesco Barberini verzocht kardinaal Mazarin haar in 1646 om naar Parijs te komen voor deelname aan Luigi Rossi's opera L 'Orfeo. Ze kreeg hierin de rol van Giunone, terwijl haar zus Anna Francesca de rol van Euridici op zich nam. Margherita publiceerde in Parijs ook twee dichtbundels: La Tromba di Parnaso en La selve di Diana.
Terug in Italië Margherita zal na 1647 weer zijn teruggekeerd naar Italië, met aanbevelingsbrieven van kardinaal Mazarin voor de groothertog van Toscane en kardinaal d'Este. Eerst verbleef ze in Florence, daarna in Rome. Mogelijk was ze ook enige tijd in Duitsland.
In Venetië trad Margherita op in drie opera's in het Teatro Sant'Apollinare. Als eerste verscheen ze in 1651 in de rol van Nerea in de opera Rosinda, geschreven door Francesco Cavalli. Datzelfde jaar zong ze in La Calisto, een jaar later in L'Eritrea.
In Venetië raakte zij bekend met de drie broers en operaliefhebbers George Willem, Ernst August en Johan Frederik, de hertogen van Brunswijk-Lüneburg. Margherita publiceerde in 1654 in Venetië het libretto Gli amori della Luna, opgedragen aan deze drie hertogen. In het voorwoord schreef ze enigszins verbitterd dat ze, ondanks haar vele publicaties in Florence, weinig succes meer had in Venetië en jarenlang niks had kunnen schrijven. Volgens haar lag dat aan de heersende misogynie. Ze hoopte met de nieuwe publicatie op steun en bescherming van de drie hertogen. Het is onbekend of ze hierin is geslaagd; ook is niet bekend of haar libretto ooit tot uitvoering is gekomen als opera.
Laatste jaren Na 1655 leek Margherita weinig actief meer. In mei 1657 schreef ze een brief aan Don Mario Chigi, de broer van paus Alexander VII, waarin zij zich beklaagde over haar arme situatie, als weduwe met twee dochters. Een maand later liet zij prins Mattias de' Medici weten dat ze niet weg kon uit Rome en dat zij ene Fortunato naar Florence zou sturen om haar zaken daar te regelen. Ook meldde ze dat zij en haar dochters hulp nodig hadden in de voor hen erg vijandige omgeving van Rome.
Margherita's overlijdensdatum is onbekend. In 1670 vroeg haar zus Anna Francesca om te bidden voor haar overleden zusters en mogelijk was Margherita een van hen. Haar testament werd pas in 1703 geopend.
Werken Margherita was de meest gepubliceerde schrijfster van haar tijd. In de periode van 1638 tot 1641 verschenen maar liefst acht boeken en een aantal pamfletten met gedichten. In zo'n twintig jaar tijd ging het om minstens veertien solowerken.
Ze gaf in haar werk dikwijls kritiek op de houding tegenover vrouwen. Ze beschreef de obstakels en tegenwerking die vrouwen in haar tijd tegenkwamen. Deels is haar werk autobiografisch van aard waarbij ze de moeilijkheden beschreef die ze als zangeres en schrijfster had ervaren.
Eerste publicatie Haar eerste publicatie was Istoria del viaggio d’Alemagna del serenissimo Grand Duca di Toscana Ferdinando Secondo, waarin ze de diplomatieke reizen van groothertog Ferdinando II in de jaren 1627-1628 beschreef. De publicatie van dit werk vond plaats in Venetië. Over de publicatiedatum bestaat enige discussie, want er staat geen datum op het boek vermeld. Het boek zou in 1628 uitgegeven kunnen zijn, kort na de terugkeer van Ferdinando in Florence, maar Margherita had het boek opgedragen aan Don Giovanni de Erasso en die kwam pas in 1638 in Toscane aan. Bovendien beschrijft het boek de dienaar Benedetto Guerrini en die werd in 1637 aangenomen aan het hof. Het is dus waarschijnlijk dat het boek pas in 1638 is gedrukt.
La Chitarra en Il Violino De dichtbundels La Chitarra (1638) en Il Violino (1638) - beide opgedragen aan aartshertog Ferdinando - bevatten serieuze en humoristische liefdesgedichten en lofliederen, geschreven voor haar contacten en adellijke beschermheren. Margherita nam in de bundels lofdichten op van schrijvers als Pompeo Colonna, Alessandro Adimari en Ottavia Tronsarelli.
In La Chitarra beschrijft ze onder andere de tegenstrijdige gevoelens van een zwangere vrouw die haar ongeboren kind een leven als bastaard wil besparen. Een ander thema betreft de ontrouw van echtgenoten, waarbij de vrouw wraak neemt.
Dichtbundel voor de geboorte van Ferdinando's zoon In Flora feconda poema en La Flora feconda drama di Margherita Costa Romana (beide in 1640 gepubliceerd) gebruikte Margherita het mythologische verhaal van Zephyros en Flora als basis. Flora feconda poeme is een dichtbundel, opdragen aan aartshertog Ferdinando en geschreven ter ere van de geboorte van diens zoon. Oorspronkelijk bestond de bundel uit negen delen, verwijzend naar de negen maanden van zwangerschap, maar toen de baby al na drie dagen overleed voegde Margherita er een tiende deel aan toe. Ze werkte de dichtbundel datzelfde jaar nog om tot het theatrale drama La Flora feconda drama (...) dat ze vervolgens opdroeg aan aartshertogin Vittoria della Rovere.
Overige werken In de Lettere amorose van 1639 bespreekt Margherita verschillende situaties in de liefde, zoals jaloezie, verlating en ontrouw. In La selva dei cipressi (1640) behandelt Margherita de overlijdens van beroemde personen en de oorlogsverwoestingen in Piëmont. miniatuur|Festa reale per balletto a cavallo, het ballet met paarden, geschreven door Margherita Costa De komedie Li buffoni (1641) is te beschouwen als een parodie op het hertogelijk hof. Ze had deze komedie opgedragen aan de acteur Bernardino Ricci (alias Tedeschino), met wie ze een relatie zou hebben gehad.