Timothy Wright Mason (Birkenhead, 2 februari 1940 - Rome, 5 maart 1990) was een Brits marxistisch historicus, gespecialiseerd in de sociale geschiedenis van het Derde Rijk. Hij benadrukte het "primaat van de politiek", dat wil zeggen dat de naziregering "zich steeds meer onttrok aan de invloed van de [Duitse] economische heersende klassen", en hij meende dat de Tweede Wereldoorlog was veroorzaakt door een economische crisis binnen Duitsland. In 1981 bedacht hij de termen intentionalisme en functionalisme, die algemeen aanvaard zijn als benamingen voor de twee concurrerende hoofdstromen binnen de studie van het nationaalsocialisme.

Biografie Mason werd geboren op 2 februari 1940 in Birkenhead als zoon van de leraren Walter Wright Mason en Isabel Anna (Smith) Mason. Na de middelbare school ging hij geschiedenis studeren aan de Universiteit van Oxford, waar hij uiteindelijk in 1971 afstudeerde met het proefschrift National Socialist Policies Towards the German Working Classes, 1925–1939. Hij doceerde aan Oxford van 1971 tot 1984 en was medeoprichter van het linkse tijdschrift History Workshop Journal. In 1984 verhuisde hij naar Italië, waar hij een docentschap aanvaardde aan de Universiteit van Trento.

Mason specialiseerde zich in de sociale geschiedenis van het Derde Rijk, met name die van de arbeidersklasse. Zijn hoofdwerk was Arbeiterklasse und Volksgemeinschaft, een studie naar het leven van de arbeidersklasse onder de nazi's, uit 1965-1967, heruitgegeven als Sozialpolitik im Dritten Reich in 1977. De meeste van zijn boeken werden oorspronkelijk in het Duits gepubliceerd, ongebruikelijk voor een Brits historicus. Mason was tweemaal gehuwd.

Rol van historici Mason wilde als historicus een flexibele, humane en analytische geschiedschrijving ontwikkelen. Mason schreef in 1986 over de rol van historici: "Als historici inderdaad een publieke verantwoordelijkheid hebben, als haat deel uitmaakt van hun methode en waarschuwen deel uitmaakt van hun taak, dan is het noodzakelijk dat ze nauwkeurig haten".Matt Perry: "Mason, Tim". In Boyd, Kelly (ed.). The Encyclopedia of Historians and Historical Writing. deel 2. Londen: Fitzroy Dearborn Publishing. pp. 780–781. (1999) doi:10.4324/9780203825556, . Als marxistisch historicus wilde hij desondanks een geschiedenis schrijven die niet deterministisch was en opvattingen over het fascisme herzien. Als onderdeel van zijn pogingen om een breder beeld van het Derde Rijk te ontwikkelen behandelde hij onderwerpen als vrouwen in nazi-Duitsland, een analyse van intentionalistische opvattingen over het Derde Rijk en theorieën over algemeen fascisme als analytisch instrument.

In Sozialpolitik im Dritten Reich beperkte Mason zich, in tegenstelling tot zijn collega's in de DDR, niet tot onderzoek dat zich voornamelijk richtte op verzetsbewegingen binnen de Duitse arbeidersklasse, maar streefde hij naar een alomvattend beeld van het leven van de arbeidersklasse en hoe dit werd gezien door de arbeiders zelf en door het naziregime. Mason betoogde dat de nazi-leiders werden achtervolgd door de herinneringen aan de Novemberrevolutie van 1918 en dat de dictatuur daarom bereid was aanzienlijke materiële concessies te doen in de vorm van een sociaal beleid, en van haar terughoudendheid om materiële tekorten op te leggen en een totale oorlogseconomie in te voeren.

Primaat van de politiek Naast zijn studies over de arbeidersklasse van nazi-Duitsland en fascistisch Italië stond Mason bekend om zijn breuk met eerdere marxistische interpretaties van het fascisme, die fascistische regimes zagen als dienaren van kapitalistische belangen. Mason pleitte in plaats daarvan voor het "primaat van de politiek", waarmee hij bedoelde dat, hoewel hij van mening was dat fascistische regimes nog steeds kapitalistische regimes waren, ze "autonomie" behielden in de politieke sfeer en niet werden gedicteerd door kapitalistische belangen. In een essay uit 1966 schreef hij "dat zowel het binnenlandse als het buitenlandse beleid van de nationaalsocialistische regering vanaf 1936 steeds onafhankelijker werd van de invloed van de economische heersende klassen, en zelfs in sommige essentiële aspecten indruiste tegen hun collectieve belangen" en dat "het voor de nationaalsocialistische staat mogelijk werd om een volledig onafhankelijke positie in te nemen, zodat het 'primaat van de politiek' zich kon doen gelden".Ian Kershaw: The Nazi Dictatorship: Problems and Perspectives of Interpretation. Londen: Arnold (2000), p. 49-50. Mason gebruikte de volgende argumenten om zijn these te ondersteunen: Na de economische crisis van 1936 met de komst van het eerste vierjarenplan ging de staat een dominante rol spelen in de Duitse economie via staatsbedrijven en door grotere orders te plaatsen. Eveneens vanaf 1936 werden Duitse industriëlen steeds meer uitgesloten van het besluitvormingsproces. De uitbreiding van de wapenproductie, gesteund door een zeer interventionistische staat, leidde tot de achteruitgang van kapitalistische ondernemingen die niet bij wapenproductie betrokken waren. De afname van de effectiviteit van economische lobby's in het Derde Rijk. Hoewel elke belangrijke Duitse industrieel vanaf 1933 opriep tot een verlaging van de levensstandaard van de arbeidersklasse, negeerde het naziregime tot 1942 steevast dergelijke oproepen en streefde er in plaats daarvan naar de levensstandaard van de arbeidersklasse te verhogen.

Masons benadering van het "primaat van de politiek" verschilde van de traditionele marxistische benadering van het "primaat van de economie" en bracht hem in de jaren zestig in een fel debat met de Oost-Duitse historici Eberhard Czichon, Dietrich Eichholtz en Kurt Gossweiler. De twee laatstgenoemde historici schreven dat als Mason gelijk had, dit zou neerkomen op "een volledige weerlegging van de marxistische sociale analyse". Terwijl hij het onderwerp vanuit een andere invalshoek benaderde dan conservatieve historici zoals Henry Ashby Turner en Karl Dietrich Bracher, kwam Masons these van het "primaat van de politiek" toch tot dezelfde conclusie over nazi-Duitsland: het grootbedrijf diende de staat, en niet andersom.

Theorie over de oorlog als vlucht naar voren De belangrijkste argumenten van Mason voor zijn "flight into war"-hypothese waren de volgende:

De Duitse arbeidersklasse had zich altijd verzet tegen de nazidictatuur. In de oververhitte Duitse economie van eind jaren dertig konden Duitse arbeiders werkgevers dwingen hogere lonen te betalen door dreigen over te stappen naar een ander bedrijf dat de gewenste loonsverhoging wel zou geven. Hierdoor ontstonden structureel personeelstekorten. Politiek verzet dwong Adolf Hitler in 1939 om oorlog te gaan voeren.

De uitbraak van de Tweede Wereldoorlog werd veroorzaakt door structurele economische problemen, een "vlucht naar de oorlog", die was opgelegd door een binnenlandse crisis. De belangrijkste aspecten van de crisis waren, volgens Mason, een wankel economisch herstel dat werd bedreigd door een herbewapeningsprogramma dat de economie overweldigde; de nationalistische stoere praat van het naziregime beperkte de mogelijkheden. Op die manier verwoordde Mason een visie op basis van een Primat der Innenpolitik ("primaat van de binnenlandse politiek") op de oorsprong van de oorlog. Masons these stond in scherp contrast met het "primaat van de buitenlandse politiek" waarmee historici de oorlog gewoonlijk verklaarden. Mason geloofde dat het Duitse buitenlandse beleid werd bepaald door binnenlandse politieke overwegingen en dat het begin van de oorlog in 1939 het best begrepen kon worden als een ‘barbaarse variant van "sociaal imperialisme".

Mason meende dat nazi-Duitsland op een gegeven moment altijd geneigd was tot een grote veroveringsoorlog. Hij stelde dat de timing van een dergelijke oorlog echter werd bepaald door binnenlandse politieke druk, met name als gevolg van een falende economie, en dat het niets te maken had met Hitlers wensen. Mason was van mening dat tussen 1936 en 1941 de toestand van de Duitse economie, en niet Hitlers 'wil' of 'intenties', de belangrijkste drijvende kracht was achter het Duitse buitenlandbeleid.

Mason betoogde dat de nazileiders werden achtervolgd door het trauma van de Novemberrevolutie van 1918 en daarom fel gekant waren tegen elke daling van de levensstandaard van de arbeidersklasse, omdat ze vreesden een herhaling van die revolutie uit te lokken.

Hoewel volgens Mason na 1918 de Duitse arbeidersbeweging veel macht had gewonnen op de staat en de werkgevers, raakte men die door de Grote Depressie weer kwijt: "Met behulp van de arbeiderspartijen en de ondernemingsraden had de arbeidersbeweging de werkgevers gedwongen de controle over de arbeidsmarkt met hen te delen. Met 1 miljoen werklozen was deze positie nog houdbaar; met 6 miljoen was ze hopeloos verloren. En de werkgevers waren vastbesloten om zich hun tijdelijke herovering van de arbeidsmarkt, hen in de schoot geworpen door de massale werkloosheid, niet te laten ontnemen."Timothy W. Mason: Arbeiterklasse und Volksgemeinschaft. Dokumente und Materialien zur deutschen Arbeiterpolitik 1936–1939, Opladen 1975, p. 45. Elke eis tot loonsverhoging en verbetering van arbeidsomstandigheden ontwikkelde nu een politiek explosieve kracht. Deze latente crisis speelde een belangrijke rol in de beslissing om oorlog te voeren. In 1939 begonnen de "oververhitting" van de Duitse economie, die was veroorzaakt door de herbewapening, en het mislukken van verschillende herbewapeningsplannen vanwege het tekort aan geschoolde arbeiders, een rol te spelen. De industriële onrust, veroorzaakt door het mislukken van het Duitse sociale beleid en de scherpe daling van de levensstandaard van de Duitse arbeidersklasse, dwong Hitler ertoe om oorlog te voeren op een tijd en plaats die hij niet zelf had uitgekozen.

De nazi's, geconfronteerd met deze zware sociaal-economische crisis, hadden besloten een meedogenloos 'pakken wat je pakken kan'-buitenlands beleid te voeren, waarbij ze grondgebied in Oost-Europa veroverden dat genadeloos geplunderd kon worden om de levensstandaard in Duitsland te verhogen. Mason beschreef het Duitse buitenlandse beleid als gedreven door een opportunistisch 'volgende slachtoffer'-syndroom na de Anschluss, waarbij de "bandeloosheid van agressieve intenties" werd gevoed door elke succesvolle buitenlandse actie.

Volgens Mason betekende het besluit om het Molotov-Ribbentrop-pact met de Sovjet-Unie te sluiten en vervolgens Polen aan te vallen en daarmee het risico te lopen op een oorlog met het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, dat Hitler zijn programma voor buitenlands beleid, zoals dat in Mein Kampf was uiteengezet, had losgelaten. Het werd hem opgedrongen door zijn behoefte om de instorting van de Duitse economie af te remmen door middel van verovering en plundering van buitenlandse gebieden.