Het Tweede Turkse kaganaat was een kaganaat in Centraal- en Oost-Azië, gesticht door Ilterish van de Ashina-clan van de Göktürken, en bestond van 682 tot 744. Het werd voorafgegaan door het Oost-Turkse kaganaat (552-630) en de vroege Tang-dynastie (630-682). Het Tweede kaganaat was gecentreerd rond Ötüken in de bovenloop van de Orhon. Het werd opgevolgd door de daaraan onderworpen Toquz Oghuz-confederatie, die het Oeigoerse kaganaat werd.
Kutluk Ilteris Khan (680-691) 50 jaar na de splitsing van het rijk (552) werd Karakhan Türgesh-Khan Idat Sah de leider van het de tweede Göktürkenrijk. Met een groep van 27 handlangers wist hij de volkeren voor zich te winnen en in opstand te komen. Hij en zijn broer Bökö Chor stichtten nu het tweede Göktürkenrijk. In dit rijk speelde de Karlukkenstam een leidende rol, doordat de rest zich snel aan deze stam onderwierp. Hij is bekend geworden als "Kutluk Ilteris" en was als huurling in dienst van het Chinese leger geweest en was verantwoordelijk voor de ondergang van het Oost-Turkse rijk in 630. Dit nieuwe rijk veroverde de Aziatische steppen.
Het leger van Idat Sah moest in 681 een zware nederlaag incasseren tegen de oprukkende Chinezen, maar dit deed geen afbreuk aan zijn persoonlijke succes. Vanaf 682 begon hij de met 16 elkaar verbonden Turkse stammen te herenigen. Een van zijn grootste bondgenoten vond hij in Tonyukuk, de leider van de verwante Aschina-clan, die hij benoemde tot "Apatar-Khan", de hoogste bevelhebber van de strijdkrachten. Tussen 683 en 687 onderwierp hij de meeste stammen van zijn oude rijk. Toen Idat Sah in 691 overleed, werd zijn broer Bökö door de Kuriltai gekozen. Hij nam de naam Kapagan Khan aan.
Kapagan Khan (691-716) Kapagan Khan (echte naam Bökö Chor) regeerde over zijn volkeren met ijzeren vuist. Rond 711 brak er opnieuw een opstand uit. In de oorlog tegen de Arabieren, die vanaf 705 door Centraal-Azië opstoomden, had hij minder succes. Bij Boechara werd zijn broer Kül-Tegin (de tweede zoon van Idat Sah) na een hevige strijd verdreven. Rond 715 ontstond er politieke onrust binnen het rijk. De Westelijke Oeigoeren maakten zich los van de Oostelijke Oğuzen. Haar eerste leider was Sulu Khan (717-734), die opnieuw strijd voerde tegen de Arabieren. In het oosten begonnen de Oğuzen naar het westen te trekken om neer te strijken in het gebied van de Oeigoeren. Daar vermengden beide aan elkaar verwante Turkenstammen zich. Kapagan Khan overleed in 716.
Kutluq Bilge-Kül (716-734) Na de dood van Kapagan dreigde er een nieuw gevaar. Idat Sah's tweede zoon benoemde zichzelf als khan van de Göktürken onder de naam Fugiuy-bogiu Kuchuk-Khan, maar in de Kuriltai werd niet hij, maar Kutluq Bilge-Kül (een andere zoon van Idat Sah) tot khan uitgeroepen. Hij benoemde Tonyukuk Apartar-Khan en Kül-Tegin als adviseurs, waarmee de vrede in de twee rijken formeel werd hersteld. Met deze heersers begon ook de eigenlijke opkomst van de Oeigoeren.
De net regerende Kutluq Bilge-Kül vernieuwde zijn krijgstactiek met succes: alleen de beste strijders werden opgenomen in zijn leger. De beste schutters mochten witte valkenveren aan hun helm dragen. Met slimme tactieken en een streng gedisciplineerd leger bestormden ze hun vijand. Daarbij droegen ze een uitrusting van hard leer of metaal. Kutluq Bilge-Kül huurde ook soldaten van andere volkeren, zoals de Mongolen, Tangoeten en Chinezen.
Kutluq Bilge-Kül breidde vanaf 717 zijn machtsgebied steeds verder uit: op het hoogtepunt strekte zijn land zich uit van de Zwarte Zee tot aan het einde van de Chinese vasteland. Ook de stammen van het Toela-gebied wist hij ten slotte aan zijn rijk toe te voegen, wat zijn voorgangers Idat en Kapagan niet was gelukt. Het rijk van Kutluq Bilge-Küls besloeg nu ca. 18 miljoen km² en omvatte feitelijk het gebied dat door de Xiongnu was opgeëist. 's Zomers trok Kutluq Bilge-Kül met zijn leger door de noordelijke steppen en 's winters trok hij naar het zuiden.
Bilge-Küls adviseur Kül-Tegin overleed in 731. In 734 overleed ook Bilge-Kül zelf, en nog in hetzelfde jaar kwam de laatste overgebleven adviseur, Tonyukuk, door vergiftiging om het leven. Het ging na Bilge-Küls overlijden steeds slechter met het imperium. De oorzaak is waarschijnlijk de terugtrekking van de Oğuz-stam uit het bondgenootschap.
Na de dood van kutluq Bilge-Kül Khan volgde een reeds nieuwe leiders elkaar op:
Yiran (734) Yollyg-Tegin Izhan-Khan (734-739) Bilge Kutluq-Tengri (739-741) Siuan Khan (741)
Ozmysh Khagan (741-744) Ozmysh Khan dacht de macht na Siuan Khans dood naar zich toe te kunnen trekken. Onder de naam "Wusumishi" nam hij de titel van Khagan aan, maar als heerser was hij niet populair. Vooral de stammen in het westen verafschuwden hem en de Basmil golden als zijn grootste vijanden. In 744 verenigden de Karluken, de Basmil en Oghuzen zich en vielen ze Ozmysh aan. Bij de gevechten sneuvelde hij, waarmee er een eind kwam aan het tweede Rijk der Göktürken.
Bomei-Tegin Khan (744-745) Toen Ozmysh Khagan in 744 werd vermoord, volgde Bomei-Tegin Khan zijn broer op. Hij probeerde nog als "Bomei Khagan" het rijk te redden, maar hij werd in 745 door de Oeigoeren vermoord. De Karluken, Basmil en Oghuzen stichtten nu in het gebied van het oostelijke Göktürken een eigen land, wier rijk ook bekendstaat als het Oeigoerse Rijk.
Categorie:Kanaat Categorie:Historisch land in China Categorie:Göktürken