Ecclesiam a Jesu Christo is een pauselijke bul van Pius VII, uitgevaardigd in Rome op 13 september 1821. De gebruikelijke titel is ontleend aan het incipit van de Latijnse tekst, Ecclesiam a Jesu Christo ..., waarin wordt gesproken over de Kerk die door Jezus Christus is gegrondvest. De bul is in de eerste plaats gericht tegen de Carbonari, een geheim genootschap dat een belangrijke rol speelde in de revolutionaire bewegingen op het Italiaanse schiereiland aan het begin van de negentiende eeuw.
Pius VII veroordeelde de organisatie en verbood katholieken haar op te richten, te bevorderen, eraan deel te nemen of haar op andere wijze te ondersteunen. Overtreding werd bedreigd met excommunicatie die zonder afzonderlijke verklaring intrad. De bul verbood daarnaast het lezen en bewaren van geschriften van de Carbonari en verplichtte gelovigen bekende leden en overtreders bij kerkelijke of andere bevoegde autoriteiten aan te geven. In de tekst verbond Pius VII deze maatregelen met eerdere pauselijke veroordelingen van de vrijmetselarij, maar hij stelde niet zonder voorbehoud dat de Carbonari en de vrijmetselarij één en dezelfde organisatie waren. alt=Portret van paus Pius VII, zittend in pauselijke kleding.|miniatuur|Paus Pius VII, geschilderd door Jacques-Louis David in 1805.
Historische achtergrond De bul ontstond tegen de achtergrond van de politieke onrust die na de Napoleontische oorlogen op het Italiaanse schiereiland voortduurde. In 1820 brak in het Koninkrijk der Beide Siciliën een constitutionele revolutie uit waarin netwerken van de Carbonari een prominente rol speelden. De revolutionairen maakten daarbij gebruik van politieke én religieuze symboliek om hun beweging in het publieke leven te legitimeren.
De Oostenrijkse staatsman Klemens Wenzel von Metternich zag de revolutionaire beweging in Napels als een bedreiging voor de na 1815 herstelde politieke orde. Hij drong er bij de Heilige Stoel op aan de Carbonari kerkelijk te veroordelen. De pauselijke staatssecretaris Ercole Consalvi nam aanvankelijk een voorzichtiger positie in. Zowel Pius VII als Consalvi wilde volgens de geschiedschrijving kerkelijke straffen verbinden aan aantoonbare strijdigheid met de katholieke godsdienst en niet uitsluitend inzetten als ondersteuning van een politieke of militaire interventie.
Giuseppe Perelli beschrijft hoe Metternich in november 1820 vanuit Troppau bij Consalvi op een pauselijke veroordeling aandrong. Nadat Oostenrijk militair had ingegrepen en het constitutionele bewind in Napels ten val was gekomen, werd de Oostenrijkse druk voortgezet. Consalvi verzamelde ondertussen catechismussen, reglementen, pamfletten en ander materiaal over de Carbonari dat voor de kerkelijke beoordeling van de beweging werd gebruikt. De uiteindelijke bul werd op 13 september 1821 uitgevaardigd.
Vorm en opbouw De officiële Vaticaanse editie classificeert Ecclesiam a Jesu Christo als een bul. Het document opent niet als een encycliek met een adressering aan een bepaalde groep bisschoppen, maar met de traditionele formule waarin Pius zich aanduidt als bisschop en dienaar van de dienaren Gods, gevolgd door Ad perpetuam rei memoriam ("ter blijvende herinnering").
De Vaticaanse tekst is verdeeld in dertien genummerde onderdelen. De eerste zeven onderdelen bevatten de argumentatie voor de veroordeling en beschrijven de aan de Carbonari toegeschreven opvattingen en praktijken. De onderdelen 8 tot en met 11 bevatten de eigenlijke veroordeling, verboden en kerkelijke sancties. De laatste onderdelen behandelen de geldigheid van afschriften en sluiten de bul formeel af.
Inhoud
Beeld van de Carbonari Pius VII presenteert de Carbonari als onderdeel van een breder verschijnsel van geheime genootschappen dat volgens de bul zowel de Kerk als de burgerlijke samenleving bedreigde. Hij stelt dat de beweging weliswaar in verschillende groepen en onder verschillende namen voorkwam, maar door gemeenschappelijke leerstellingen en doelstellingen als één vereniging kon worden beschouwd.
Volgens de bul maakten de Carbonari gebruik van een strenge geheimhoudingseed en van besloten bijeenkomsten en lieten zij personen met uiteenlopende religieuze overtuigingen toe. Pius VII beschouwde dat laatste als een aanwijzing voor religieus indifferentisme. Hij beschuldigde de organisatie er verder van in haar ceremoniën christelijke voorstellingen te gebruiken op een wijze die hij als een ontheiliging van het lijden van Christus en als een aantasting van de sacramenten beschouwde.
Deze beschuldigingen moeten worden onderscheiden van een onafhankelijke historische beschrijving van wat alle Carbonari daadwerkelijk geloofden. Modern onderzoek benadrukt dat de Carbonari geen volledig uniforme organisatie vormden en dat religieuze symbolen binnen hun rituelen en politieke zelfpresentatie verschillende functies konden hebben. Perelli beschrijft hoe Carbonari tijdens de revolutie van 1820 religieuze taal en symboliek mede gebruikten om zich als verenigbaar met het christendom te presenteren.
Bijbelse en kerkelijke argumentatie De bul begint met een ecclesiologisch argument. Pius VII beschrijft de Kerk als door Jezus Christus op een vaste rots gegrondvest en beroept zich op de goddelijke belofte dat zij niet door haar vijanden zal worden overwonnen. Vervolgens past de tekst bijbelse passages over dwaalleraars en misleidende filosofie toe op de eigentijdse situatie. Daarbij worden onder meer de Brief van Judas en de Brief van Paulus aan de Kolossenzen aangehaald.
Een centraal bezwaar betreft volgens de tekst het gezag van de Kerk om over geloof en sacramenten te oordelen. Pius VII verwerpt de volgens hem door de Carbonari bevorderde vrijheid om een godsdienst naar eigen inzicht samen te stellen. Hij verbindt dit met zijn afwijzing van religieus indifferentisme en met de beschuldiging dat de Carbonari de sacramenten en katholieke geloofsgeheimen zouden aantasten. Ook de positie van de Heilige Stoel en het pauselijke primaat krijgen in dit argument een centrale plaats.
Naast deze kerkelijke argumentatie bevat de bul een opvatting over de politieke orde. Pius VII beroept zich op nieuwtestamentische teksten over gehoorzaamheid aan het wereldlijke gezag en stelt daartegenover de aan de Carbonari toegeschreven rechtvaardiging van opstand tegen vorsten. De religieuze en politieke bezwaren zijn in de tekst daardoor nauw met elkaar verbonden.
Perelli plaatst deze argumentatie binnen een bredere contrarevolutionaire polemiek waarin een organisch opgevatte maatschappelijke orde en het primaat van orde tegenover revolutionaire legitimatie werden gesteld. In die interpretatie draaide het conflict niet uitsluitend om de clandestiene organisatievorm van de Carbonari, maar ook om de vraag of hun politieke programma en gebruik van christelijke symbolen als verenigbaar met het katholicisme konden worden voorgesteld.
Verband met eerdere veroordelingen van de vrijmetselarij In onderdeel 7 verwijst Pius VII naar twee eerdere pauselijke constituties tegen de vrijmetselarij: In eminenti van Clemens XII uit 1738 en Providas van Benedictus XIV uit 1751. De bul stelt dat de Carbonari mogelijk een uitloper, of in elk geval een navolging, van de daar veroordeelde genootschappen waren.
De formulering is van belang voor de reikwijdte van het document. Ecclesiam a Jesu Christo herinnert aan de bestaande pauselijke veroordelingen van vrijmetselaarsgenootschappen, maar de nieuwe verbods- en strafbepalingen in de bul zijn uitdrukkelijk toegespitst op de Carbonari en hun activiteiten.
Verboden en sancties In onderdeel 8 verklaarde Pius VII de Carbonari formeel veroordeeld en verboden, evenals hun bijeenkomsten, vergaderingen en andere organisatievormen.
Onderdeel 9 richt zich tot alle katholieke gelovigen, zowel leken als geestelijken. Het verbood onder meer het oprichten of verbreiden van de organisatie, het verlenen van onderdak, het lid worden of deelnemen, het beschikbaar stellen van vergaderruimte, het geven van geld of het op andere directe of indirecte wijze verlenen van hulp. Ook het bewegen van anderen tot toetreding of ondersteuning werd verboden. Wie deze bepalingen overtrad, liep volgens de bul ipso facto, dus zonder verdere verklaring, excommunicatie op. De absolutie van deze straf was aan de paus voorbehouden, behalve wanneer de betrokkene in stervensgevaar verkeerde.
Onderdeel 10 legde bovendien de verplichting op bekende leden of personen die zich volgens de bul aan de beschreven overtredingen schuldig hadden gemaakt, bij bisschoppen of andere bevoegde autoriteiten aan te geven. Ook aan overtreding van dit voorschrift werd de genoemde excommunicatiestraf verbonden.
Ten slotte veroordeelde onderdeel 11 de catechismussen, boeken, statuten en codes van de Carbonari en geschriften die de beweging verdedigden. Het lezen of bewaren daarvan werd onder een gereserveerde zware excommunicatie verboden en de geschriften moesten aan de plaatselijke kerkelijke overheid of een andere bevoegde instantie worden overhandigd.
Historische duiding en receptie De verhouding tussen de religieuze argumentatie van de bul en de internationale politieke context is een belangrijk onderwerp in de historiografie. Alan J. Reinerman onderzocht in 1968 specifiek de rol van Metternich bij de pauselijke veroordeling en plaatste het document binnen de diplomatieke betrekkingen tussen Oostenrijk en de Heilige Stoel.
Frank J. Coppa benadrukt eveneens de Oostenrijkse druk. Volgens hem beschouwde Metternich een pauselijke veroordeling als een aanvulling op de Oostenrijkse militaire interventie tegen de Napolitaanse revolutie. Coppa stelt tegelijkertijd dat Pius VII en Consalvi aanvankelijk vasthielden aan het beginsel dat geestelijke sancties alleen gerechtvaardigd waren wanneer de betrokken vereniging aantoonbaar tegen de katholieke godsdienst was gericht.
Coppa beoordeelt de uiteindelijke veroordeling als op geestelijke gronden gerechtvaardigd in de pauselijke argumentatie, maar tevens politiek gemotiveerd. Volgens hem droeg zij weinig bij aan de onderdrukking van de revolutionaire onrust of van de geheime genootschappen en versterkte zij bij Italiaanse nationalisten de associatie van het pausdom met Oostenrijk en de politieke reactie.
Perelli legt bij zijn analyse een ander accent. Hij beschouwt de pauselijke veroordeling als een belangrijke stap in het proces waarbij tegenstanders van de Carbonari hun aanspraak op een katholieke identiteit bestreden. Volgens hem versterkte de bul de contrarevolutionaire voorstelling dat het gebruik van christelijke symbolen door de Carbonari geen legitieme religieuze praktijk maar misbruik van het heilige was.
Latere bevestiging De veroordeling bleef niet beperkt tot het pontificaat van Pius VII. In zijn encycliek Traditi humilitati van 24 mei 1829 noemde Pius VIII Ecclesiam a Jesu Christo uitdrukkelijk naast In eminenti, Providas en de latere constitutie Quo Graviora van Leo XII. Pius VIII bevestigde daarin de bepalingen van zijn voorgangers tegen geheime genootschappen.
Literatuur
Zie ook
Vrijmetselarij en de Rooms-Katholieke Kerk
Externe links
Ecclesiam a Jesu Christo – officiële tekst op de website van de Heilige Stoel (Italiaans) Ecclesiam a Jesu Christo – Latijnse tekst op Wikisource
Categorie:Pauselijke bul Categorie:Risorgimento Categorie:Kerkelijke veroordeling van de vrijmetselarij Categorie:19e-eeuws rooms-katholiek geschrift Categorie:1821