Quo Graviora is een pauselijke bul van paus Leo XII, uitgevaardigd op 13 maart 1825. In het document bevestigde Leo XII eerdere pauselijke veroordelingen van de vrijmetselarij, de Carbonari en andere geheime genootschappen. Hij breidde het verbod uit tot alle bestaande en toekomstige geheime verenigingen die volgens de bul activiteiten ontplooiden tegen de Rooms-Katholieke Kerk en het hoogste burgerlijke gezag.Leo XII, Quo graviora, 13 maart 1825, officiële tekst van de Heilige Stoel, opschrift en § 21.
De bul staat in de langere geschiedenis van de katholieke bestrijding van geheime genootschappen. Leo XII nam uitvoerig teksten van zijn voorgangers over en beriep zich in het bijzonder op In eminenti van Clemens XII uit 1738, Providas van Benedictus XIV uit 1751 en Ecclesiam a Jesu Christo van Pius VII uit 1821.Leo XII, Quo graviora, §§ 1–6. Historici plaatsen het document tevens in de politieke en kerkelijke context van de Europese Restauratie na de Franse Revolutie en de napoleontische periode.
De pauselijke bul Quo Graviora van paus Leo XII moet niet worden verward met de gelijknamige pauselijk breve Quo Graviora, van paus Gregorius XVI van 4 oktober 1833, gericht aan de bisschoppen van de kerkprovincie van het Rijnland.
Historische achtergrond De houding van de Heilige Stoel tegenover de vrijmetselarij was in 1825 niet nieuw. Clemens XII had in 1738 in In eminenti vrijmetselaarsgenootschappen veroordeeld. Benedictus XIV bevestigde die veroordeling in 1751 met Providas. Na de revolutionaire en napoleontische periode richtte Pius VII zich in Ecclesiam a Jesu Christo van 13 september 1821 specifiek tegen de Carbonari, een geheim politiek genootschap dat vooral op het Italiaanse schiereiland actief was.Leo XII, Quo graviora, §§ 1–6; in de in de bul opgenomen tekst van Ecclesiam a Jesu Christo wordt deze laatste constitutie gedateerd op 13 september 1821.
Volgens kerkhistoricus Daniele Menozzi veranderde de context van de rooms-katholieke afwijzing van de vrijmetselarij ingrijpend rond de Franse Revolutie. Vóór 1789 verhinderden de Romeinse veroordelingen niet dat katholieken zich bij loges aansloten. In de confrontatie tussen het pausdom en de revolutionaire bewegingen ontstond vervolgens een veel sterkere voorstelling van de vrijmetselarij als onderdeel van een revolutionaire bedreiging, waarna de Romeinse bepalingen strikter werden toegepast.
Deze ontwikkeling maakte deel uit van een bredere Restauratiecontext. Owen Chadwick behandelt de Carbonari, het pontificaat van Leo XII en het jubeljaar van 1825 als onderdelen van de politieke en kerkelijke herordening na de val van Napoleon. In de Kerkelijke Staat bestond daarbij een nauwe verwevenheid tussen de bestrijding van clandestiene politieke bewegingen, het herstel van pauselijk bestuur en de verdediging van de kerkelijke orde.
Totstandkoming en opbouw Leo XII verklaarde in de bul dat hij kort na zijn verkiezing tot paus onderzoek had laten doen naar de toestand, omvang en invloed van geheime genootschappen. Hij stelde dat naast reeds bekende verenigingen nieuwe groeperingen waren ontstaan. In dat verband noemde hij een door hem als Universitaria aangeduide organisatie, die volgens de bul in verschillende universiteiten actief zou zijn geweest.Leo XII, Quo graviora, § 7. Deze beschrijving is een bewering van de pauselijke tekst zelf en vormt geen onafhankelijke vaststelling over omvang of organisatie van een dergelijke vereniging.
Een aanzienlijk gedeelte van Quo graviora bestaat uit de herneming van eerdere pauselijke teksten. Eerst wordt de veroordeling door Clemens XII geciteerd en besproken, vervolgens die van Benedictus XIV en daarna die van Pius VII. Vanaf paragraaf 7 formuleert Leo XII zijn eigen beoordeling van de situatie en vanaf paragraaf 11 volgen de nieuwe verbods- en strafbepalingen.Leo XII, Quo graviora, §§ 1–21.
Historicus Pierangelo Gentile plaatst de uitvaardiging van de bul uitdrukkelijk in het jubeljaar 1825. Hij beschouwt haar als een voortzetting van de eerdere veroordelingen door Clemens XII, Benedictus XIV en Pius VII en karakteriseert de inhoud als eerder voorschrijvend en moraliserend dan primair politiek.
Inhoud
Geheime genootschappen Leo XII schreef de politieke onrust in Europa en aanvallen op de Kerk in belangrijke mate toe aan geheime genootschappen. Hij stelde onder meer dat zij kerkelijke leerstellingen en kerkelijk gezag bestreden en dat sommige geschriften uit dergelijke kringen het christelijk geloof, monarchaal gezag en het geloof in God aanvielen.Leo XII, Quo graviora, §§ 8–10. Deze voorstelling weerspiegelt de polemische analyse van de bul en moet worden onderscheiden van latere historische beoordeling van de uiteenlopende geheime verenigingen uit deze periode.
In paragraaf 11 kwam Leo XII tot de eigenlijke algemene veroordeling. Hij bevestigde de straffen uit de door hem aangehaalde documenten van zijn voorgangers en verbood in perpetuum alle geheime verenigingen, ongeacht hun naam, die reeds bestonden of later zouden ontstaan en die volgens de omschrijving van de bul tegen de Kerk en de hoogste burgerlijke machten waren gericht.Leo XII, Quo graviora, § 11.
Het bereik van de bul was daarmee ruimer dan alleen de formeel als vrijmetselaarsloge georganiseerde verenigingen. De vrijmetselarij en de Carbonari waren centrale voorbeelden in de tekst, maar het verbod werd geformuleerd als een algemene categorie van geheime genootschappen met de door Leo XII omschreven doelstellingen.
Verboden handelingen en kerkelijke straffen De bul verbood katholieken, zowel geestelijken als leken, zulke genootschappen op te richten, te verspreiden of te ondersteunen. Eveneens verboden waren onder meer het verschaffen van onderdak of vergaderruimte, toetreding, deelname, financiële of andere hulp en het aansporen van anderen tot deelname.Leo XII, Quo graviora, § 12.
Overtreding leidde volgens de tekst ipso facto tot excommunicatie, zonder dat daarvoor eerst een afzonderlijke verklaring nodig was. Absolutie daarvan werd aan de paus voorbehouden, behalve in stervensgevaar. De bul legde daarnaast de verplichting op om bekende deelnemers bij de bisschoppen of andere bevoegde autoriteiten aan te geven.Leo XII, Quo graviora, §§ 12–13.
Eed en geheimhouding Een afzonderlijk onderdeel betreft de geheime eed die volgens Leo XII door leden van bepaalde genootschappen werd afgelegd. Hij verklaarde een eed die verplichtte tot het geheimhouden van de activiteiten van de vereniging en tot gewelddadig optreden tegen aangevers moreel ongeldig. Zijn redenering was dat een eed in dienst van de rechtvaardigheid moest staan en daarom geen verplichting tot een onrechtmatige daad kon scheppen.Leo XII, Quo graviora, § 14.
Daarbij verwees de bul naar het Derde Lateraans Concilie en naar de opvatting dat een belofte die tegen het welzijn van de Kerk en de kerkelijke leer ingaat niet als een geldige eed, maar als meineed moest worden beschouwd.
Theologische en politieke uitgangspunten De opening van Quo graviora presenteert het optreden van de paus als onderdeel van zijn pastorale verantwoordelijkheid. Leo XII beriep zich op de opdracht van de bisschoppen van Rome om, als opvolgers van Petrus, de kudde van Christus te leiden en bedreigingen voor de Kerk te herkennen, bekend te maken en tegen te gaan.Leo XII, Quo graviora, § 1. Het optreden tegen geheime genootschappen werd daarmee niet uitsluitend als een bestuurlijke of politieke aangelegenheid voorgesteld, maar als een onderdeel van het pauselijk herdersambt.
In de argumentatie worden religieuze en politieke orde nauw met elkaar verbonden. Leo XII stelde dat geheime genootschappen zowel het kerkelijk gezag als legitiem burgerlijk gezag bedreigden. In zijn oproep aan katholieke vorsten verklaarde hij dat de zaak van de katholieke godsdienst in zijn tijd zo sterk met de veiligheid van de samenleving verbonden was dat beide volgens hem niet van elkaar konden worden gescheiden.Leo XII, Quo graviora, §§ 16–17.
De bul bevat daarmee zowel theologische als politiek-morele argumenten. De theologische component ligt onder meer in de opvatting van het pauselijk ambt, de bescherming van de kerkelijke leer en de beoordeling van de eed tegenover God. De politiek-morele component betreft begrippen als rechtvaardigheid, legitiem gezag en openbare orde. De tekst ontwikkelt echter geen zelfstandige systematische ontologie of epistemologie; dergelijke filosofische classificaties worden in de gebruikte historische literatuur niet als kenmerkende interpretaties van Quo graviora onderbouwd.
Pastorale oproep Na de juridische en disciplinaire bepalingen richtte Leo XII zich tot bisschoppen, katholieke vorsten en de gelovigen. De bisschoppen werden aangespoord hun gelovigen te waarschuwen voor geheime genootschappen, terwijl de vorsten werden opgeroepen zowel de kerkelijke als de burgerlijke orde te beschermen.Leo XII, Quo graviora, §§ 15–18.
Het slot heeft daarnaast een penitentiële strekking. Leo XII riep katholieken die tot de veroordeelde verenigingen behoorden op deze te verlaten en terug te keren tot de Kerk. Om dat te vergemakkelijken schortte hij gedurende één jaar, gerekend vanaf de plaatselijke bekendmaking van de bul, voor berouwvolle uittreders zowel de verplichting tot aangifte van medeplichtigen als bepaalde aan de paus voorbehouden censuren op. Daardoor konden zij onder de in de bul genoemde voorwaarden bij een bevoegde biechtvader absolutie verkrijgen.Leo XII, Quo graviora, § 19.
Historische duiding Quo graviora bracht geen geheel nieuwe leer over de vrijmetselarij tot stand, maar bevestigde en bundelde een al bestaande lijn van pauselijke veroordelingen. De keuze om oudere teksten uitvoerig in de bul op te nemen onderstreepte de door Leo XII geclaimde continuïteit met zijn voorgangers.Leo XII, Quo graviora, §§ 1–6 en 11.
Tegelijkertijd weerspiegelde het document de veranderde politieke omgeving sinds de Franse Revolutie. Menozzi beschrijft voor de periode tussen de vooravond van 1789 en de Restauratie een verharding van het rooms-katholieke anti-maçonnieke discours, waarbij revolutionaire omwenteling en vermeende vrijmetselaarsinvloed steeds sterker met elkaar werden verbonden. In Quo graviora komt die verbinding expliciet tot uitdrukking doordat Leo XII de verdediging van de Kerk en die van de bestaande burgerlijke orde als onderling samenhangend voorstelde.Leo XII, Quo graviora, §§ 8–11 en 16–17.
Gentile wijst er bovendien op dat de bul in 1825 aansloot bij de zorgen van conservatieve Europese regeringen over clandestiene en revolutionaire verenigingen. Volgens hem bood de hernieuwde pauselijke veroordeling met name de regeringen in Madrid, Napels en Turijn een bevestiging van de strijd tegen als subversief beschouwde organisaties.
Literatuur
Leo XII (13 maart 1825), Quo graviora, pauselijke bul, Heilige Stoel.
Zie ook
Vrijmetselarij en religie Vrijmetselarij en de Rooms-Katholieke Kerk
Externe link
Quo graviora - Italiaanse tekst op de website van de Heilige Stoel
Categorie:Pauselijke bul Categorie:Antivrijmetselarij Categorie:Kerkelijke veroordeling van de vrijmetselarij Categorie:19e-eeuws rooms-katholiek geschrift Categorie:1825