De Kodori-crisis van 2006 was een conflict tussen de Georgische overheid en de Georgische paramilitaire groep Monadire, die zich in juli 2006 afspeelde in het bovenste deel van de Kodorivallei in het noordoosten van het afvallige Abchazië in Georgië. De militie weigerde op instructie van de Georgische overheid te ontwapenen en ontbinden, waarna een grote speciale politie-operatie plaatsvond en de militie uit de vallei werd verjaagd.

Achtergrond De Opper-Kodorivallei is een hooggelegen dal in de bergachtige en beboste bovenloop van de Kodori in het noordoosten van Abchazië. De strategische vallei was de enige plek in Abchazië die na de oorlog van 1992-1993 en de Georgische nederlaag met de val van Soechoemi niet onder controle van de separatistische Abchazische autoriteiten stond.

De vallei wordt sinds de 19e eeuw bewoond door Svaneten, een etnisch Georgische bevolkingsgroep uit de aangrenzende Georgische streek Svanetië, die gescheiden is van de Kodorivallei door de 2630 meter hoge Sakeni-Tsjoeberi-pas. Dit was ook de enige - en moeilijke - verbinding tussen de vallei en centraal-Georgië, en was in 1993 de vluchtroute van tienduizenden Georgiërs uit Soechoemi.

De vallei werd middels het Akkoord van Moskou van 1994, dat de vredesmandaten regelde, feitelijk een bufferzone tussen de Georgische en Abchazische zijden. Het Georgische leger moest zich er uit terug trekken onder het toeziend oog van de vredesmissie en internationale waarnemers, met "deelname van vertegenwoordigers van de partijen uit de Kodorivallei". In de praktijk lag het gezag hierdoor bij de lokale Georgische krijgsheer Emzar Kvitsiani uit het dorp Tsjchalta in de Kodorivallei en zijn paramilitaire Monadire (Nederlands: "jager"). De vallei bleef buiten de veiligheidszone, waardoor de vredestroepen en internationale waarnemers zich er niet zonder aparte afspraken met de partijen konden bewegen.

Delegeren veiligheid miniatuur|De Georgisch-Svanetische krijgsheer Emzar Kvitsiani. Net als met Aslan Abasjidze in Adzjarië besloot Sjevardnadze voor de stabiliteit niet de confrontatie met Kvitsiani aan te gaan, maar hem te accomoderen. Omdat de vallei vanuit centraal-Georgië slecht bereikbaar was, belegde de Georgische president Edoeard Sjevardnadze in 1997 bij de militie de taak om in de vallei voor orde en veiligheid te zorgen. Hij formaliseerde de verhoudingen met Kvitsiani door hem als gezant van de Georgische regering in de Kodorivallei te benoemen. De militie werd in 1998 ondergeschikt gemaakt aan het ministerie van Defensie en werd zo gelegaliseerd.

In 2001 was de militie betrokken bij een clandestiene operatie in de Kodorivallei met Tsjetsjeense milities uit de Pankisivallei onder leiding van Roeslan Gelajev om terrein te heroveren op de Abchazische separatisten. De Georgische regering ontkende enige betrokkenheid of kennis, maar dit werd weinig geloofwaardig geacht. Kvitsiani had daarnaast een machtspositie tegenover de Georgische overheid door de controle over de Russisch-Georgische elektriciteitsverbinding, waardoor hij de stroomvoorziening in Georgië kon beïnvloeden, en hield hij er smokkelpraktijken op na. In deze periode telde Kvitsiani's militie ongeveer 800 leden.

Conflict miniatuur|Defensieminister Irakli Okroeasjvili was de aanjager achter het ontmantelen van de paramilitaire groep Modanire, die resorteerde onder zijn ministerie. Na de val van Sjevardnadze in 2003 door de Rozenrevolutie waaide er een andere wind in Tbilisi. De nieuwe regering van president Micheil Saakasjvili wilde een eind maken aan wetteloosheid, corruptie, smokkel en misdaad. In mei 2004 rekende de regering al af met Aslan Abasjidze in Adzjarië, die er vergelijkbare praktijken op na hield. In december 2004 werd Kvitsiani ontslagen als gezant van de regering in Kodori. De status van de Monadire werd ook verder ingeperkt.

Defensieminister Irakli Okroeasjvili gaf vervolgens in april 2005 de opdracht tot ontbinding en ontwapening van de Monadire-militie. Kvitsiani weigerde hier opvolging aan te geven. Okroeasjvili kreeg onenigheid hierover met de leider van Abchazische autonome regering-in-ballingschap, Irakli Alsania, die tegen de ontbinding van Monadire was, waardoor er niet ingegrepen werd.

Pas nadat Alasania in 2006 naar de Verenigde Naties was gepromoveerd als ambassadeur voor Georgië kwam de situatie tot een botsing. Kvitsiani maakte op 22 juli 2006 formeel zijn "insubordinatie" aan de Georgische autoriteiten bekend en dreigde met een burgeroorlog. Hij beloofde weerstand te zullen bieden aan elke poging van de autoriteiten om zijn militie te ontwapenen. De militie telde op dat moment nog ongeveer 300-400 leden. Kvitsiani claimde dat Okroeasjvili een operatie voorbereidde, die binnen een week plaats zou vinden, om het gezag over de Kodorivallei te vestigen en de militie met geweld te ontwapenen.

Politie-operatie Op 25 juli 2006 stuurde de Georgische regering een eenheid van honderden politie- en veiligheidstroepen van het ministerie van Binnenlandse Zaken om de militie te ontwapenen en Kvitsiani te arresteren. In totaal zouden er in de loop van de operatie ongeveer duizend Georgische troepen ingezet zijn. De regering hield vol dat het om een politiemacht zonder zware bewapening ging, binnen de grenzen van het Akkoord van Moskou, dat geen Georgische militaire eenheden in de Kodorivallei toestond, maar Rusland claimde dat er militaire voertuigen en tot vijfhonderd manschappen van defensie ingezet waren.

Defensieminister Okroeasjvili gaf later toe dat de Georgische strijdkrachten en speciale eenheden betrokken waren bij de operatie, maar dat ze zich snel weer hadden teruggetrokken. De operatie was binnen enkele dagen voorbij, waarbij twee agenten gewond raakten. Een burger overleed als gevolg van beschietingen tussen militanten en Georgische troepen.

Op 28 juli 2006 waren alle dorpen in de vallei onder controle van regeringstroepen. Er werden tientallen militieleden gearresteerd, maar Kvitsiani wist met een groep te ontkomen. Zij vluchtten naar Abchazisch gecontroleerd gebied en verder naar Soechoemi. Net als Abasjidze belandde Kvitsiani in Moskou, wat geruchten voedde dat de Russische regering achter de escalatie zat.

Nasleep miniatuur|Gebouw van de erkende autonome regering van Abchazië in Tsjchalta. Kort na het einde van de operatie vestigde de Georgische regering de autonome regering-in-ballingschap in de Kodorivallei in het dorp Tsjchalta. Het gebied werd later in 2006 met de gemeentelijke hervormingen omgezet in de gemeente Azjara (Opper-Abchazië). Georgië werd in VN-resolutie 1716 opgeroepen tot terughoudendheid en het respecteren van het Akkoord van Moskou.

De UNOMIG-missie van de Verenigde Naties hervatte na een onderbreking van ruim drie jaar vanaf december 2006 haar patrouilles in de Kodorivallei. In juni 2003 schortte de onbewapende missie de patrouilles op na een derde gijzeling in drie jaar tijd van haar waarnemers.

Zie ook Georgisch-Abchazisch conflict

Referenties

Categorie:Abchazisch conflict