Karl Blessing (Enzweihingen, 5 februari 1900 - Rasteau, 25 april 1971) was lid van de directie van de Deutsche Reichsbank van 1937 tot februari 1939 en president van de Deutsche Bundesbank van 1958 tot 1969.

Biografie Blessing trad op 1 september 1920 in dienst bij de , waar hij belast werd met de herstelbetalingen na het Verdrag van Versailles. Als assistent van Hjalmar Schacht nam Blessing deel aan diverse belangrijke conferenties, waaronder de Young-conferentie in Parijs in 1929, de Haagse Herstelconferenties in 1929 en 1930 en de conferentie in Bazel voor de oprichting van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS). Tussen 1930 en 1934 werkte Blessing als afdelingshoofd bij de BIS (gedetacheerd vanuit de Reichsbank) en maakte daar de effecten van de Grote Depressie mee.

Tijdens het nazitijdperk Van 1934 tot 1937 was hij een hoge ambtenaar (Generalreferent) bij het Rijksministerie van Economie.

Op 1 mei 1937 werd hij lid van de NSDAP (lidmaatschapsnummer 5.917.306). Hierdoor kon hij lid worden van de raad van bestuur van de Reichsbank. Na de Anschluss van Oostenrijk in maart 1938 kreeg hij de taak om de Oostenrijkse Nationale Bank te incorporeren. Op 12 november 1938, kort na de Kristallnacht, uitte hij tijdens een ontmoeting met Hermann Göring (die sinds 1936 commissaris was voor het Vierjarenplan voor de herbewapening van de Wehrmacht en de oorlogsvoorbereidingen), zijn bezorgdheid over de voorgestelde Judenvermögensabgabe, de belasting van één miljard Reichsmark op Joodse bezittingen. Hij betoogde dat dit Joden zou dwingen staatsobligaties te verkopen, wat de Duitse economie zou schaden. Hij werd op 1 februari 1939 samen met Hjalmar Schacht ontslagen, nadat hij had geweigerd nog langer verantwoordelijkheid te dragen voor de inflatoire financiering van het bewapeningsprogramma.

Blessing trok zich terug in de private sector en was van 1939 tot 1941 bestuurslid van Margarine Union AG (later: Unilever) en tussen 1941 en 1945 bestuurslid van , in 1941 opgericht en met de Duitse staat als meerderheidsaandeelhouder. De voornaamste taak van 'Konti Öl' was het ontwikkelen van de oliereserves in de door Duitsland veroverde gebieden en in die van bondgenoten om te voorzien in de behoeften van de Wehrmacht. Het had daarin een monopoliepositie. Net als aandeelhouder IG Farben dreef Kontinentale Öl op dwangarbeid, plundering en moord. Men bestuurde een aantal werkkampen in Polen waar de arbeiders van de SS werd "gehuurd" totdat ze door honger en ontbering omkwamen.

Blessing verkeerde in de hoogste nazi-kringen en wist van het lot van de Joden; in 1941 schreef hij een brief met het verzoek een appartement over te nemen dat recent door de Gestapo geconfisqueerd was van een Joods gezin.

Blessing was vanaf 1939 lid van de Freundeskreis Reichsführer SS, een geheime groep van financiers van de persoonlijke projecten van Heinrich Himmler. Volgens de Amerikaanse historicus Christopher Simpson in zijn boek The Splendid Blond Beast, woonde Blessing 30 van de 38 vergaderingen bij. Hij ging mee op twee groepsreizen naar concentratiekampen, onder leiding van Himmler zelf. Hij zorgde voor donaties voor de NSDAP en werd benoemd tot Wehrwirtschaftsführer.

Hij werd door Carl Friedrich Goerdeler en de samenzweerders van 20 juli 1944 als expert gezien en men overwoog hem voor de positie van president van de Reichsbank en later minister van Economie in het schaduwkabinet Beck/Goerdeler, mocht de staatsgreep zijn geslaagd. Na het mislukken hiervan werd hij echter niet gearresteerd.

Blessing was een klassiek voorbeeld van de intelligente amorele nazi-technocraat die zich met gemak aanpaste aan de naoorlogse Bondsrepubliek. Hij was op zijn minst medeplichtig aan de genocide, zo niet wat Simon Wiesenthal noemde een Schreibtischtäter, een loyale volgeling, altijd bereid zijn plicht te doen ongeacht de mensenlevens die dit kostte.

Na de Tweede Wereldoorlog Na de capitulatie werd Blessing geïnterneerd. De geallieerde autoriteiten vonden dat hij in aanmerking kwam voor vervolging wegens oorlogsmisdaden, maar Allen Dulles, directeur van de OSS (de voorloper van de CIA), had inmiddels zijn oog op hem laten vallen. In de zomer van 1945 had het Amerikaanse bestuur in bezet Duitsland Dulles verzocht om een 'whitelist' met geschikte kandidaten voor functies in het nieuwe Duitse bestuur. Dulles verstrekte een A- en een B-lijst. Op de A-lijst stond onder meer Ernst Hulse, het voormalige hoofd van de Bank voor Internationale Betalingen. De naam van Blessing stond bovenaan de B-lijst. Dulles achtte hem "een prominent zakenman en financieel expert met grote ervaring in internationale handel". Ook John J. McCloy, staatssecretaris van Oorlog, schreef een aanbeveling.

Met steun van Dulles kwam hij vrij en keerde in 1948 terug naar zijn werk bij Margarine Union AG. Op 1 januari 1958 werd hij president van de Deutsche Bundesbank, die op 1 augustus 1957 was opgericht; benoemd door het kabinet-Adenauer II. Hij bekleedde dit ambt tot 31 december 1969. Na het aantreden van het kabinet-Brandt I in 1969 werd hij vervangen door Karl Klasen. Blessing wist zijn oorlogsverleden in de naoorlogse Bondsrepubliek te bagatelliseren als "lage functionaris" op een ministerie, een mythe die door de goedgelovige pers makkelijk werd geslikt.

In 1965 werd Blessing door bondskanselier Ludwig Erhard onderscheiden met het Grootkruis van de Orde van Verdienste van de Bondsrepubliek Duitsland. In 1967 ontving hij de Karl Bräuer-prijs van de Federatie van Belastingbetalers.

Blessing-brief Blessing schreef op 30 maart 1967 een brief aan William McChesney Martin, de voorzitter van de Federal Reserve, waarin hij beloofde dat Duitsland zijn dollarreserves niet zou inwisselen voor goud van de Amerikaanse schatkist, nu noch in de toekomst. In 1971 betuigde hij daarover publiekelijk spijt:

"Ik verklaar u vandaag dat ik mij persoonlijk schuldig voel in deze zaak. Ik had destijds strenger moeten optreden tegen Amerika. De dollars die ons toekwamen, hadden gewoonweg zonder meer moeten worden ingewisseld voor goud.""Der Spiegel, nummer 19, 1971", Währung: "Der Brief gilt leider noch heute". Interview met Karl Blessing

Blessing rechtvaardigde zijn instemming met de wensen van de Amerikanen door te verwijzen naar zijn angst voor de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Duitsland.

Persoonlijk Karl Blessing was getrouwd met Ida Harden. Ze hadden twee zonen en drie dochters. Blessing overleed in 1971 op zijn vakantieadres in Zuid-Frankrijk.

Zijn zoon Karl richtte de uitgeverij Blessing Verlag op; zijn andere zoon Werner werd ook bankier en was bestuurslid van de Deutsche Bank, diens zoon Martin voorzitter van de raad van bestuur van de Commerzbank.

Publicaties Die Verteidigung des Geldwertes. Knapp, Frankfurt am Main 1960. Die heutige internationale Währungsordnung, ihre Stärken und Schwäche. Institut für Weltwirtschaft, Kiel 1963. Im Kampf um gutes Geld. Knapp, Frankfurt am Main 1966.

Literatuur Willi A. Boelcke: Karl Blessing (1900-1971). In: Vaihinger Köpfe. Biographische Porträts aus fünf Jahrhunderten. Stadt Vaihingen an der Enz 1993, pag. 247–257. Rainer Hank, Notenbanker der Nazis. In: Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung, 21 januari 2018, pag. 32. Christopher Kopper: Bankiers unterm Hakenkreuz. Hanser, München/Wenen 2005, ISBN 3-446-40315-9.

Categorie:Duits bankier Categorie:Duits persoon in de Tweede Wereldoorlog