Jeanne Gallien - Wyttenbach (Hanau, 1773 – Oegstgeest, 1830) was een schrijfster en filosofe. Zij bracht haar leven grotendeels door in Nederland, maar schreef in het Frans.
Levensloop Louis Gallien, haar vader, was een Franse graveur die zich in Hanau vestigde en daar een tekenacademie oprichtte. Via haar moeder behoorde Gallien tot een Zwitserse familie met een humanistische en theologische traditie. In 1792 ging Gallien naar Amsterdam, waar zij bij haar oom Daniel Wyttenbach verbleef en een deel van zijn verzorging op zich nam. Wyttenbach doceerde Latijnse en Griekse letterkunde aan het Athenaeum Illustre.
In 1799 trokken Gallien en Daniël Wyttenbach naar Leiden, waar Wyttenbach werkzaam was als hoogleraar en bibliothecaris. In Leiden assisteerde Gallien bij werkzaamheden voor de bibliotheek. Daarnaast hield zij zich bezig met de studie van klassieke literatuur en filosofie.
In 1807 werd de woning van Gallien en haar oom verwoest door de Leidse buskruitramp. Na deze ramp vestigden Gallien en Wyttenbach zich op het buiten d’Hooge Boom in Oegstgeest. Vanwege hun familieband als oom en nicht was voor hun huwelijk koninklijke dispensatie nodig. Wyttenbach vroeg die in 1816 aan koning Willem I en kreeg toestemming het volgende jaar.
Een mogelijke reden voor het huwelijk was dat Gallien zo aanspraak kon maken op een weduwenpensioen van de Leidse universiteit. Zelf beschikte zij echter over voldoende vermogen. In 1817 ging Wyttenbach met emeritaat. Vier jaar later overleed hij na een beroerte in Oegstgeest. Na zijn dood verbleef Gallien deels op het landgoed in Oegstgeest en deels elders. Ze verbleef ook af en toe in Parijs, een stad die ze uit haar jeugd kende.
Publicaties Vanaf 1808 begint Gallien te schrijven in het Frans. Haar eerste werk Théagène (1815) publiceerde Gallien onder de naam Mademoiselle G. Na haar huwelijk schreef Gallien nog vier boeken als Mme Wyttenbach née G. Na Théagène verschenen Banquet de Léontis (1817), Histoire de ma petite chienne Hermione (1820), Symposiaques ou Propos de table (1823) en Alexis (1823).
De vijf boeken verschenen oorspronkelijk in Parijs. Van een aantal kwamen later Duitse en Nederlandse vertalingen uit, Alexis werd ook in het Nieuwgrieks vertaald.
Thema's Haar boeken combineren een aan Plato ontleende dialoogvorm met de Klassieke Oudheid als klassieke setting en autobiografische elementen. Gallien vertegenwoordigde zichzelf daarin onder de naam Cléobuline, een naam die zij eveneens in haar correspondentie gebruikte. Gelet op Galliens klassieke vorming is haar voorliefde voor de Klassieke oudheid niet verwonderlijk. Haar afkeer van het stadsleven kreeg in haar werk ook een klassieke uitdrukking in de tegenstelling tussen Sparta en Athene. Hermann Ullrich behandelde Gallien later in een studie over het neohumanisme, de opleving van de klassieke- vooral dan Griekse - Oudheid in de late 18de eeuw. De invloed van Plato op Galliens werk blijkt minimaal. De vorming van vrouwen was een belangrijk onderwerp in haar werk. Daarbij besteedde Gallien zowel aandacht aan intellectuele ontwikkeling als aan lichamelijke opvoeding, waaronder gymnastiek voor meisjes. Ook behandelde zij de beperkingen van hun toenmalige opvoeding. Omdat zij deze onderwerpen voornamelijk vanuit antieke denkbeelden behandelde, is haar typering als vroege feministe volgens historicus Leen Dorsman niet vanzelfsprekend.
Waardering De Nederlandse vertalingen van haar werk kregen een overwegend gunstige ontvangst. Tijdgenoten brachten haar publicaties echter sterk in verband met Daniel Wyttenbach. Zo werd Symposiaca in het voorwoord vooral vanuit zijn intellectuele nalatenschap geïnterpreteerd.
In Duitsland werd Galliens werk wisselend ontvangen. Sommige recensenten vonden haar werk onsamenhangend, terwijl haar schrijfstijl positiever werd beoordeeld.
Tot Galliens bewonderaars behoorden onder anderen de Leidse hoogleraar Petrus Hofman Peerlkamp en de Duitse filoloog Georg Friedrich Creuzer. Op initiatief van Creuzer ontving zij in 1827 een eredoctoraat van de Universiteit van Marburg. Haar erepromotor C.A.L. Creuzer prees bij die gelegenheid haar wetenschappelijke vorming en haar weergave van het dagelijks leven in de klassieke Oudheid. Gallien woonde de plechtigheid niet bij.
Vrouwenzaken Na haar eredoctoraat schonk Gallien vierduizend gulden aan de Universiteit van Marburg. Het geld diende voor ondersteuning van filologie, geneeskunde en de opleiding van vroedvrouwen.
In 1828 werd een eredoctoraat toegekend aan de Franse Marie-Anne-Victoire Boivin-Gillain, een verloskundige en vrouwenarts. Gallien kende Boivin persoonlijk uit haar tijd in Parijs. Mme Wyttenbach née G. stuurde twee werken van Boivin naar de Utechtse hoogleraar Ph. W. Van Heusde, en drie werken naar de Marburger Universiteit.
Gallien was begaan met de strijd van de Grieken in de 19de eeuw om zich los te maken uit het Ottomaanse Rijk. Gallien steunde de Griekse onafhankelijkheidsbeweging en schonk 1500 francs aan de opstandelingen. Kort voor haar overlijden werd zij lid van de Société hellénique pour la propagation des lumières en Grèce. Volgens Dorsman sloot deze betrokkenheid aan bij haar belangstelling voor klassieke cultuur en de verspreiding van kennis.
Galliën overleed in 1830 in haar woning in Oegstgeest. Zij werd begraven naast haar man Daniël Wyttenbach.
Categorie:Schrijver Categorie:Filosoof