François Goossens (Beringen, 16 september 1909 – 1977) was een Belgisch verzekeringsagent, verzetsman en na de Tweede Wereldoorlog lid van een clandestien anticommunistisch inlichtingennetwerk rond André Moyen. Tijdens de Duitse bezetting was hij actief in het Geheim Leger en behoorde hij tot de leiding van de sector Halle. Na de oorlog hield hij zich bezig met clandestiene inlichtingenactiviteiten en raakte hij betrokken bij het Belgisch Anticommunistisch Blok (BACB), dat volgens later historisch onderzoek deel uitmaakte van Moyens netwerk.

Historisch onderzoek identificeerde Goossens als een van de vier deelnemers en als leider van het commando dat op 18 augustus 1950 de communistische politicus Julien Lahaut in Seraing vermoordde. In het onderzoek van Rudi Van Doorslaer en Etienne Verhoeyen uit 1985 werd hij nog aangeduid met de naam Adolphe. Zijn identiteit werd in 2002 publiek bekend.

Jeugd en beroep Goossens werd op 16 september 1909 in Beringen geboren als enige zoon in een gezin van vijf kinderen. Zijn vader Camille Goossens maakte carrière bij de Rijkswacht en beëindigde zijn loopbaan als kapitein en commandant van het district Halle. Na zijn pensionering in de jaren 1930 begon Camille Goossens een verzekeringskantoor. François Goossens nam dit kantoor in 1944, na het overlijden van zijn vader, over.

Goossens woonde vanaf 1933 in Halle. Naast zijn beroepsactiviteiten had hij belangstelling voor auto's. Volgens het latere historische onderzoek organiseerde hij autorally's in de omgeving van Halle, was hij lid en vervolgens voorzitter van de plaatselijke automobielclub en trad hij op als testrijder voor auto's van het merk Vanguard.

Tweede Wereldoorlog Tijdens de Duitse bezetting was Goossens actief in het verzet. Hij maakte deel uit van het Geheim Leger en was volgens Gerard, De Ridder en Muller een van de voornaamste leiders van de afdeling in Halle. Archiefstukken van de Belgische Staatsveiligheid beschrijven hem als iemand die tijdens verzetsopdrachten moed aan de dag legde, maar tevens als impulsief. Dezelfde dossiers situeren hem politiek aan de rechterzijde.

De contacten die Goossens tijdens het verzet had opgebouwd, bleven na de bevrijding van betekenis. Een aantal personen uit het Hallese verzetsmilieu dook later opnieuw op in clandestiene anticommunistische activiteiten. Het beschikbare bronnenmateriaal laat echter niet toe het precieze tijdstip of de wijze vast te stellen waarop Goossens aansluiting vond bij het naoorlogse netwerk van André Moyen.

Anticommunistische activiteiten na de oorlog Uit een dossier van de Staatsveiligheid blijkt dat Goossens in januari 1949 clandestien inlichtingenwerk verrichtte. Een bewaard gebleven notitieboekje bevatte gegevens over observaties en medewerkers. Volgens de onderzoekers had hij onder meer twee rijkswachters voor zijn activiteiten weten te winnen. In maart 1949 rapporteerde de Staatsveiligheid dat Goossens in bepaalde kringen had verklaard voor een anticommunistische organisatie te werken.

Een bewaarde onkostenstaat uit juni 1949 vermeldt talrijke verplaatsingen naar onder meer Brussel, Gent, Leuven, Knokke, Dinant, Tertre, Clabecq en Tubize. Gerard, De Ridder en Muller zien deze verplaatsingen als een aanwijzing dat Goossens binnen de clandestiene organisatie geen lokale randfiguur was, maar een centrale operationele rol vervulde. In Tertre leverde hij volgens het onderzochte archiefmateriaal onder meer een revolver en zendapparatuur af.

Een rapport van de Staatsveiligheid van 12 november 1949 bracht Goossens rechtstreeks in verband met het Belgisch Anticommunistisch Blok. Hetzelfde rapport identificeerde André Moyen als oprichter van die organisatie. Op basis van dit en ander archiefmateriaal concludeerden Gerard, De Ridder en Muller dat het BACB een onderdeel vormde van het ruimere clandestiene netwerk rond Moyen en dat Goossens daarin een actieve positie innam. Het latere CegeSoma-onderzoek plaatste dit netwerk in de bredere context van de anticommunistische clandestiene activiteiten tijdens de vroege Koude Oorlog.

Moord op Julien Lahaut Op 18 augustus 1950 werd Julien Lahaut aan zijn woning in Seraing doodgeschoten. Het gerechtelijk onderzoek identificeerde de daders destijds niet. Op grond van later beschikbaar gekomen archiefmateriaal en getuigenissen concludeerden Gerard, De Ridder en Muller dat de aanslag werd uitgevoerd door leden van het anticommunistische netwerk van André Moyen en dat Goossens een van de vier deelnemers en de leider van het commando was. Eugeen Devillé verklaarde in 2007 dat hijzelf, zijn broer Alex Devillé, Jan Hamelrijck en Goossens bij de aanslag betrokken waren en dat hijzelf de dodelijke schoten had afgevuurd. De historici beschouwden niet alle details van deze late getuigenis als controleerbaar; ook het ballistisch en historische bronnenmateriaal maakt niet mogelijk met zekerheid vast te stellen wie de schutter was. Het CegeSoma-onderzoek benadrukte bovendien dat geen materiële aanwijzingen of rechtstreekse bekentenissen bewaard zijn gebleven waarmee de daders gerechtelijk konden worden vastgesteld. Voor de voorgeschiedenis, de aanslag en het gerechtelijk onderzoek zie Julien Lahaut.

Gerechtelijk onderzoek De Belgische Staatsveiligheid beschikte kort na de moord over informatie over Goossens. In een nota van 27 september 1950 aan de gerechtelijke autoriteiten werd gemeld dat de verzekeringsagent uit Halle zich volgens een bron op zijn deelname aan de moord zou hebben beroemd. De nota vermeldde echter niet tegenover wie of onder welke omstandigheden hij dit zou hebben gezegd.

Naar aanleiding van de nota werd in november 1950 informatie over Goossens ingewonnen bij de gerechtelijke politie in Brussel. Daarin werd hij omschreven als verzekeringsagent en voormalig verzetsman en werd vastgesteld dat hij over een recente donkergrijze Vanguard beschikte. De verstrekte informatie leverde volgens het proces-verbaal geen concrete aanwijzing voor zijn betrokkenheid bij de moord op. Goossens werd vervolgens niet door de onderzoeksrechter ondervraagd over zijn alibi en zijn naam verdween uit het gerechtelijke dossier.

Gerard, De Ridder en Muller wezen er in hun reconstructie op dat de gerechtelijke politie die dit onderzoek uitvoerde contacten onderhield met het netwerk van Moyen. Zij beschouwen dergelijke contacten tussen het particuliere netwerk en officiële diensten als een verklaring voor verschillende onregelmatigheden in het onderzoek. Het CegeSoma vatte zijn onderzoeksresultaten in 2014 samen als een collusionele dynamiek tussen het clandestiene netwerk en delen van de officiële diensten. Deze conclusie betreft historisch onderzoek; Goossens is tijdens zijn leven nooit strafrechtelijk veroordeeld voor de moord op Lahaut.

Overlijden en bekendmaking van zijn identiteit Goossens overleed in 1977. Van Doorslaer en Verhoeyen hadden zijn identiteit tijdens hun onderzoek in de jaren 1980 achterhaald. Omdat zij de familie discretie hadden beloofd, publiceerden zij hun bevindingen in 1985 zonder zijn echte naam en duidden zij hem aan als Adolphe.

In december 2002 maakte toenmalig senator Vincent Van Quickenborne de naam François Goossens publiek. Hij baseerde zich daarbij onder meer op een kopie van het gerechtelijke dossier en op de nota van de Staatsveiligheid van 27 september 1950. Van Doorslaer en Verhoeyen bevestigden in de herziene uitgave van hun onderzoek in 2010 dat zij de naam reeds in 1985 kenden en dat de familie van Goossens hen bij hun onderzoek informatie had verstrekt.

Historiografie De identificatie van Goossens berust op opeenvolgend historisch onderzoek. Van Doorslaer en Verhoeyen beschreven in 1985 voor het eerst uitvoerig het Hallese milieu waaruit het commando afkomstig was, maar hielden enkele namen uit de publiciteit. In de herziene uitgave van 2010 bespraken zij de ontwikkelingen sinds het oorspronkelijke onderzoek.

Tussen 2011 en 2014 verrichtte CegeSoma, op vraag van de Belgische Senaat, een nieuw onderzoek onder leiding van Emmanuel Gerard, met Widukind De Ridder en Françoise Muller als onderzoekers. Zij maakten gebruik van bijkomend archiefmateriaal over onder meer Goossens, Moyen, het BACB en de contacten tussen clandestiene en officiële inlichtingendiensten. De resultaten verschenen in 2015 als Wie heeft Lahaut vermoord? De geheime Koude Oorlog in België. Gerard behandelde de resultaten vervolgens in 2016 in het wetenschappelijke tijdschrift Dutch Crossing.

Literatuur

Categorie:Belgisch verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog