István Szőnyi (geboren István Schmidt; Újpest, 17 januari 1894 – Zebegény, 30 augustus 1960 ) was een Hongaarse kunstschilder en graficus, winnaar van de Kossuthprijs.

Levensloop Szőnyi werd geboren in de toen nog onafhankelijke stad Újpest, als jongste kind van rooms-katholieke ouders van Duitse afkomst. Zijn familie verhongaarsten hun achternaam in 1898 tot Szőnyi. Zijn vader, Richárd Schmidt, was spoorwegambtenaar, zijn moeder was huisvrouw. Twee van zijn broers stierven in hun kindertijd, vier van zijn zussen bereikten de volwassen leeftijd.

In 1914 werd hij opgeroepen voor het leger en diende hij gedurende de Eerste Wereldoorlog als luitenant. Hij trouwde jong, maar zijn vrouw overleed kort daarna. Hun dochter Jolán, geboren in 1916, werd opgevoed door Anna's zus.

Szőnyi studeerde in Boedapest en Nagybánya. Zijn leermeesters waren Károly Ferenczy en István Réti. In 1920 organiseerde Szőnyi zijn eerste groepstentoonstelling in het Ernstmuseum. De plastische stijl van zijn vroege schilderijen had een grote invloed op zijn jonge tijdgenoten, Vilmos Aba-Novák, Károly Patkó en Erzsébet Korb. Vanaf het begin van zijn carrière had hij een groot talent voor het maken van etsen, waarvan de Behavazott falu uit 1927 een van de beroemdste is. Zijn etsen, maar ook zijn schilderijen, werden vaak tentoongesteld in de Tamás Galerie.

Omdat hij sympathiseerde met de Hongaarse Radenrepubliek (1919), werd hij na de val ervan van de universiteit verwijderd.

In 1923 verhuisde Szőnyi naar Zebegény, wat het begin markeerde van een nieuw tijdperk in zijn schilderkunst. Zijn schilderijen werden steeds lyrischer, harmonieuzer en idyllischer. Zijn belangrijkste thema's waren het landschap van Zebegény en de alledaagse gebeurtenissen van het boerenleven.

In 1924 hertrouwde Szőnyi en ze kregen een dochter en een zoon, Zsuzsa en Péter.

Hij opende ook een privéschool, en een van zijn leerlingen was Jenő Szabados in 1930. Vanaf het midden van de jaren dertig schilderde hij zijn belangrijkste series werken voornamelijk in tempera, met lichte, delicate kleuren. Een van de mooiste daarvan is het schilderij Grijze Donau uit 1935, dat het landschap van de Donauknie tot leven brengt. Zijn kunst vertegenwoordigde post-Nagybánya-stijl de Corvin-krans als erkenning voor zijn werk.

Szőnyi werd in 1937 benoemd tot professor aan de Academie voor Schone Kunsten, waar hij meer dan twee decennia lesgaf.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloot Szőnyi zich aan bij het verzet en voorzag hij talloze Joden en andere vervolgde mensen van valse papieren en tijdelijk onderdak (met de hulp van zijn drie kinderen en zijn tweede vrouw). Hiervoor ontvingen hij en zijn hele familie postuum de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren van de staat Israël in 1986.

Zijn zoon, Péter, overleed in 1945 aan een ziekte, en tijdens het beleg van Boedapest werden zowel zijn atelier als zijn appartement in Pest gebombardeerd.

Na de oorlog werd Szőnyi benoemd tot voorzitter van de Hongaarse Raad voor de Kunsten, en tegelijkertijd werd hij na de verkiezingen van 1945 een van de tien (later twaalf) personen die door de oprichtende Nationale Vergadering tot het parlement werden uitgenodigd. Nadat zijn mandaat afliep (1947), kwam er een einde aan zijn korte politieke carrière. In 1949 ontving hij ook de Kossuthprijs.

Szőnyi was de leermeester van Mátyás Triznya en Endre Szász.

Na zijn dood werd in zijn atelier in Zebegény een herdenkingshuis geopend. In 1977 werd in de Markóstraat in Boedapest een buste door Imre Varga van Szőnyi opgericht.

Categorie:Hongaars kunstschilder Categorie:20e-eeuws schilder