De staking in de Rotterdamse haven van 1896 verzette zich tegen de gevolgen van de invoering van elektrische kranen door de firma W.H. Müller & Co. De staking werd beëindigd op 20 mei 1896.

In maart 1896 voerde het havenbedrijf W.H. Müller & Co elektrische kranen in om ertsen te lossen. Daardoor kon de ploegensterkte teruggebracht worden van twaalf tot negen man. Daardoor was er minder werk voor de havenarbeiders, die besloten om in staking te gaan tegen het verlies van werk en inkomen. Het stakingscomité verklaarde: "Wij willen de machines niet uitsluiten, doch wij willen er ook voordeel uit behalen. 'T zij korter arbeidsduur, minder werk of hooger loon." Zowel bestelde ploegen als het vaste personeel van W.H. Müller legden het werk neer.

Het havenbedrijf ontsloeg zijn vaste medewerkers en nam stakingsbrekers uit Brabant in dienst. Havenbedrijf Jos de Poorter verlaagde de stuklonen met 20%. Door het conflict groeide Nieuwe Nederlandse Bootwerkersbond (NNBB) snel na de oprichting op 1 april uit tot ongeveer vierduizend leden.

Het werk in de hele haven werd stilgelegd, waarop de gemeente op een samenscholingsverbod instelde en de schutterij inzette. De schutters werden verjaagd door de vrouwen van de stakende havenarbeiders, waarop de marine werd ingezet. Op 15 mei adviseerde het bestuur van de Nieuwe Nederlandse Bootwerkersbond om in te gaan op een aanbod van Müller. Op 21 mei gingen de stakers weer aan het werk. Behalve bij Müller werd een vaste loonlijst in de haven ingevoerd.

De staking leidde tot de oprichting van de Internationale Transportarbeiders Federatie. Vakbondsman Havelock Wilson was namelijk naar Rotterdam gereisd om Engelse stakingsbrekers tegen te houden.

Noten

Rotterdamse haven Categorie:Geschiedenis van Rotterdam Categorie:1896