Het harig breeksteeltje (Conocybe pulchella) is een schimmel uit de familie Bolbitiaceae. De soort groeit op de bodem tussen gras, onder andere in graslanden, bermen en gazons. Prydiuk, M.P. (2007). New records of Conocybe species from Ukraine. I. The sections Mixtae and Pilosellae. Czech Mycology 59(1): 25–38.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed is ongeveer 5–15 mm breed. Hij is klokvormig tot kegelvormig-convex en zet tijdens de ontwikkeling maar weinig uit. Het oppervlak is hygrofaan. In vochtige toestand is de hoed bruin en tot bijna het midden doorschijnend gestreept; bij opdrogen wordt hij lichter bruin tot geelbruin.

Lamellen De lamellen zijn smal aangehecht tot bijna vrij en staan vrij ver uiteen. Ze zijn aanvankelijk okerkleurig en worden later roestbruin. De lamelsnede is bleker en fijn vlokkig.

Steel De steel is ongeveer 35–80 mm lang en 1–2,5 mm dik. Hij is slank, hol en ongeveer cilindrisch of naar boven iets versmallend. De voet kan enigszins verdikt zijn. De steel is okerkleurig tot bleek geelbruin en fijn berijpt tot behaard.

Geur en smaak Het vlees is bleek bruinachtig. Geur en smaak zijn onopvallend.

Sporenprint De sporenprint is licht roestbruin.

Microscopische kenmerken De sporen meten volgens een onderzochte reeks 12–16(–17) × 8–9,5(–10,5) µm, met een gemiddelde van 14,6 × 8,6 µm. Het Q-getal ligt ongeveer tussen 1,5 en 1,9, met een gemiddelde van circa 1,7.

Een andere onderzochte collectie had sporen van 12–16(–17) × 7–9,5 µm, met eveneens een gemiddelde van 14,6 × 8,6 µm en een gemiddeld Q-getal van 1,71. In vooraanzicht zijn de sporen ovaal-ellipsoïd tot ellipsoïd; in zijaanzicht zijn ze ellipsoïd, soms aan de buikzijde enigszins afgeplat tot licht amandelvormig. Ze zijn dikwandig en hebben een duidelijke kiempore tot ongeveer 2 µm breed. Prydiuk, M.P. (2014). Some rare and interesting Conocybe found in Vyzhnytsia National Nature Park (Ukrainian Carpathians). MycoBIOTA 4: 1–24.

In water zijn de sporen geelbruin tot lichtbruin. In 3% KOH kleuren ze roestbruin tot roodbruin. Bij onderzoek van het typemateriaal werden de sporen in KOH beschreven als krachtig roodbruin met een wijnrode wand. Hausknecht, A. (1999). Revision von Velenovskýs Galera-Arten, die den Gattungen Conocybe und Pholiotina angehören. Czech Mycology 51(1): 41–70.

De basidia zijn knotsvormig, ongeveer 17–31 × 10–16 µm groot en viersporig.

De cheilocystidia zijn lecythiform en meten ongeveer 14–34 × 6–10 µm. De hals kan tot ongeveer 4,5 × 2,5 µm groot worden en het bolvormige kopje is ongeveer 3–5 µm breed. Pleurocystidia ontbreken.

De steelhuid draagt een mengsel van verschillende typen caulocystidia. Lecythiforme caulocystiden meten ongeveer 12–27 × 5–10 µm en hebben een kopje van ongeveer 3–5 µm breed. Daarnaast komen ellipsoïde, bolvormig-knotsvormige, knotsvormige en utriforme elementen van ongeveer 12–17 × 5,5–7,5 µm voor, evenals haarvormige elementen die tot ongeveer 90 × 2,5 µm kunnen meten.

Bij een Oostenrijkse collectie die met enig voorbehoud tot C. pulchella werd gerekend, bestond de bekleding aan de steeltop voornamelijk uit lecythiforme caulocystiden, vermengd met enkele haarvormige en cilindrisch-flessenvormige elementen. Halverwege de steel overheersten de haarvormige caulocystiden. Hausknecht, A., Krisai-Greilhuber, I. & Jaklitsch, W. (2003). Rezente Pilzfunde aus Osttirol. Österreichische Zeitschrift für Pilzkunde 12: 153–192.

De hoedhuid (pileipellis) is hymeniform en bestaat uit bolvormig-gesteelde tot peervormige cellen van ongeveer 10–24 µm breed. Daartussen komen haarvormige pileocystiden voor die tot ongeveer 70 × 2 µm lang kunnen zijn. Gespen zijn aanwezig.

De ammoniakreactie is negatief.

Ecologie en verspreiding Het harig breeksteeltje groeit op de bodem tussen gras, onder andere in weilanden, gazons en bermen. De soort is wijdverspreid in Europa en is ook bekend uit Azië, waaronder Siberië en Kamtsjatka, en uit Afrika.

In Nederland geldt het harig breeksteeltje als zeldzaam. De soort staat op de Nederlandse Rode Lijst in de categorie 'kwetsbaar'.NDFF Verspreidingsatlas – Conocybe pulchella, Harig breeksteeltje. Geraadpleegd op 20 september 2026. De Verspreidingsatlas vermeldt de soort als terrestrische saprotroof, voornamelijk uit grasland op kalkarm zand.

In de Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe wordt de soort voornamelijk vermeld uit kortgrazige, mosrijke graslanden en zonnige wegbermen op droge, voedselarme tot matig voedselrijke, zwak zure bodems.Arnolds, E. e.a. Ecologische Atlas van Paddenstoelen in Drenthe, hoofdstuk 16a, p. 35, soortbeschrijving Conocybe pulchella.

Gelijkende soorten Een belangrijke combinatie van kenmerken voor het harig breeksteeltje bestaat uit de kleine, slanke vruchtlichamen met een weinig uitspreidende hoed, relatief grote dikwandige sporen, viersporige basidia en een steelhuid met zowel lecythiforme als niet-lecythiforme caulocystiden en haarvormige elementen.

Het harig breeksteeltje kan worden verward met andere grootsporige soorten uit het geslacht Conocybe: Donzig breeksteeltje (Conocybe pubescens) heeft grotere vruchtlichamen en grotere sporen en groeit gewoonlijk op mest. Moerasbreeksteeltje (Conocybe subpubescens) heeft eveneens grotere vruchtlichamen, met een dikkere steel, maar gemiddeld kleinere sporen.

Taxonomie De soort werd oorspronkelijk in 1921 door Josef Velenovský beschreven als Galera pulchella. De huidige combinatie Conocybe pulchella werd in 1999 gepubliceerd door Anton Hausknecht en Mirko Svrček. Species Fungorum – Conocybe pulchella. Geraadpleegd op 20 september 2026. Tot de synoniemen behoren onder andere Conocybe pseudopilosella en Conocybe digitalina.

Categorie:Bolbitiaceae Categorie:Schimmelsoort