Jan Hendrik Neiszen (Breda, 3 oktober 1853 – Laag-Soeren, 26 juli 1918) was een Nederlands ingenieur en directeur van gemeentelijke diensten.Jan Hendrik Neiszen, Genealogie Voswinkel, De Kruijff en aanverwante families, met verwijzingen naar scans van de geboorte- en overlijdensakte. In 1898 werd Neiszen benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.„Personalia”, De Opmerker, jrg. 33, nr. 36, 3 september 1898, p. 285. Scan bij TU Delft. De bron vermeldt hem met de afwijkende initialen „J. A. Neiszen”, als adjunct-directeur der gemeentewerken te Rotterdam. Hij was adjunct-directeur van Gemeentewerken in Rotterdam en werd in 1899 de eerste directeur van het Amsterdamse gemeentelijke trambedrijf. In die rol was hij nauw betrokken bij de modernisering en elektrificatie van het Amsterdamse tramnet; in 1899 legde hij het voorstel voor de eerste elektrische tramlijn aan Publieke Werken voor. Daarmee leverde hij een belangrijke bijdrage aan de overgang van de paardentram naar de elektrische tram in Amsterdam. E.W. de Jong, „Gemeente-instellingen te Amsterdam”, Elsevier's Geïllustreerd Maandschrift, jrg. 10 (1900), p. 340–342.Marius van Melle en Niels Wisman, „Marnixstraat, 14 augustus 1900. De eerste elektrische trambaan”, Ons Amsterdam, maart 2010.

Loopbaan Militaire dienst en spoorwegen Na zijn opleiding werd Neiszen in 1873 tweede luitenant bij de genie. In 1876 volgde zijn bevordering tot eerste luitenant. Op eigen verzoek werd hij in 1879 op non-actief gesteld. Vervolgens was hij secretaris van het Veluwsch-lokaalspoorwegcomité, dat zich bezighield met spoorverbindingen tussen Apeldoorn en onder meer Deventer, Dieren en Hattem. In 1882 kreeg hij eervol ontslag uit de militaire dienst.

Gemeentewerken Rotterdam Op 1 oktober 1881 trad Neiszen in dienst van de gemeente Rotterdam. Als adjunct-directeur van Gemeentewerken hield hij zich onder meer bezig met de dagelijkse werkzaamheden van de dienst en met gemeentelijke voorzieningen, waaronder scholen, het slachthuis en het ziekenhuis. Daarbij kenmerkte Neiszen zich door bescheidenheid, plichtsbesef en rechtvaardigheid; hij was voor iedereen toegankelijk en stelde hoge eisen aan zichzelf.

In 1885 schreef hij een beschrijving van de Rotterdamse haven. Deze publicatie verscheen ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Antwerpen.Sjaak van der Velden, „De haven van Rotterdam”, rubriek „Uit het antiquariaat”, Kroniek, Historisch Genootschap Roterodamum, nr. 178 (november 2010), p. 4. Charles-Marie Philbert, voormalig consul-generaal van Frankrijk te Rotterdam, verzorgde de Franse vertaling, die in 1889 verscheen onder de titel Le Port de Rotterdam.De Ingenieur, jrg. 4 (1889); J.H. Neiszen, Le Port de Rotterdam (1889).

Gemeentetram Amsterdam Op 1 juni 1899 begon Neiszen als directeur van het Amsterdamse gemeentelijke trambedrijf. In juli van dat jaar legde hij aan Publieke Werken een voorstel voor om de tramlijn tussen het Haarlemmerplein en het Leidseplein elektrisch te exploiteren. De gemeenteraad keurde het plan op 29 november 1899 goed en besloot de lijn door te trekken naar de Zoutkeetsgracht.

Ter voorbereiding maakte Neiszen samen met de directeur van het Gemeentelijk Electrisch Bedrijf een studiereis langs Europese steden. Zij onderzochten zowel de technische aspecten van elektrische trams als de organisatie van gemeentelijke trambedrijven. De opgedane kennis leidde onder meer tot aanpassing van reeds bestelde rails, zodat deze voor zowel paarden- als elektrische trams geschikt waren.

Op 14 augustus 1900 werd de eerste elektrische tramlijn in Amsterdam officieel in gebruik genomen. De verbinding liep via de Marnixstraat; de verlenging naar de Zoutkeetsgracht volgde begin september.

Persoonlijk leven Neiszen trouwde op 31 maart 1882 in Apeldoorn met Johanna Elisabeth Machielsen. Het echtpaar kreeg drie kinderen. Hij overleed op 26 juli 1918 in Laag-Soeren, op 64-jarige leeftijd.„Dagelijksche kroniek”, Rotterdamsch Jaarboekje (1919), vermelding van het overlijden van J.H. Neiszen te Laag-Soeren.

Referenties