Het Nationaal Verbond der Syndicale Kamers was een Belgische koepelorganisatie van regionale syndicale artsenkamers, die in de loop van 1963 tot stand kwam. In de bronnen komen ook benamingen voor als Nationale Federatie van Syndicale Kamers der Geneesheren en, in het Frans, Fédération nationale des Chambres syndicales de médecins. Het verbond werd opgericht om de regionale Syndicale Kamers te coördineren en hun vertegenwoordiging op nationaal niveau te verzekeren. Roger Thoné kwam aanvankelijk aan het hoofd van de organisatie te staan.
Het Nationaal Verbond speelde een belangrijke rol in het conflict tussen een groot deel van het Belgische artsenkorps en de overheid over de hervorming van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering in het begin van de jaren 1960. Het trad in 1964 op als een van de centrale organisaties bij de landelijke artsenstaking. Na de staking ontstonden binnen het syndicale artsenlandschap rivaliserende organisaties en strekkingen. In historisch-sociologische literatuur wordt de Nationale Federatie van Syndicale Kamers der Geneesheren aangeduid als het latere BVAS, waarmee een historische continuïteit met de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten (BVAS) wordt aangegeven.
Ontstaan De oprichting van het nationale verbond volgde op de vorming van regionale Syndicale Kamers. De eerste initiatieven ontstonden in Luik en Luxemburg, waarna in maart 1963 een Syndicale Kamer voor Henegouwen en Waals-Brabant werd gevormd. André Wynen was de stichter van de Kamer in Luik en Luxemburg. Op 31 mei 1963 werd op initiatief van arts Paul Mundeleer een kamer voor de Brusselse agglomeratie opgericht. In augustus volgden de Syndicale Kamer Antwerpen-Limburg-Vlaams-Brabant en de Syndicale Kamer Oost- en West-Vlaanderen. Namen sloot zich op 4 oktober aan bij de kamer van Henegouwen en Waals-Brabant.
Tijdens deze uitbreiding van het regionale netwerk werd het Nationaal Verbond opgericht. Volgens historica Klaartje Schrijvers was het uitdrukkelijke doel de Syndicale Kamers te coördineren en hun vertegenwoordiging te verzekeren; Roger Thoné werd de eerste leider van het nationale verband. Marchildon en Schrijvers beschrijven dezelfde ontwikkeling als de vorming van een National League of Chambers onder leiding van Thoné.
Een contemporaine studie van het Centre de recherche et d'information socio-politiques (CRISP) behandelde de oprichting en ontwikkeling van de Syndicale Kamers reeds in 1964 uitvoerig. De regionale kamers behielden daarbij een belangrijke eigen autonomie, terwijl het nationale niveau in hoofdzaak voor de coördinatie en gemeenschappelijke vertegenwoordiging instond.
Conflict over de ziekte- en invaliditeitsverzekering De syndicale organisatie van de artsen ontwikkelde zich tegen de achtergrond van discussies over de hervorming van de Belgische ziekte- en invaliditeitsverzekering. De wetgeving van 1963 wijzigde de organisatie van het stelsel en leidde tot langdurige onderhandelingen tussen de regering, mutualiteiten en artsenorganisaties. Een deel van het artsenkorps verzette zich onder meer tegen onderdelen die volgens de betrokken artsen gevolgen konden hebben voor de vrije honorariumbepaling en andere beginselen van de beroepsuitoefening.
In de loop van 1963 en begin 1964 groeiden de Syndicale Kamers ten koste van enkele reeds bestaande artsenorganisaties. Schrijvers vermeldt dat de Syndicale Kamers tegen eind maart 1964 naar eigen opgave ongeveer 90 procent van het Belgische artsenkorps vertegenwoordigden. Dit percentage moet als een door de syndicale organisatie geclaimde representativiteit worden gelezen en niet als een onafhankelijk vastgestelde ledentelling.
Artsenstaking van 1964 Na maanden van onderhandelingen kwam het eind maart 1964 tot een open conflict. Voor de artsen uit Luik en Luxemburg begon de staking reeds op 25 maart. Voor de andere regio's volgde het algemene startsein na een laatste onderhandelingsronde op 31 maart. In de vroege uren van 1 april maakte Roger Thoné namens het Nationaal Verbond bekend dat de Syndicale Kamers hun leden tot een algemene staking opriepen.
Tijdens de staking bleef medische dienstverlening voor bepaalde dringende gevallen beschikbaar, maar ontstond een scherp maatschappelijk en politiek conflict over zowel de hervorming van de ziekteverzekering als de gekozen actiemiddelen. Marchildon en Schrijvers beschrijven hoe regering en Syndicale Kamers aanvankelijk tegengestelde voorwaarden stelden voor de hervatting van de onderhandelingen. Vanaf 9 april traden de rectoren van vier Belgische universiteiten als bemiddelaars op.
Een eerste poging tot overleg leverde geen akkoord op. Een nieuwe bemiddelingsronde op 17 en 18 april maakte een einde aan de staking. Volgens Schrijvers besloten de Syndicale Kamers de actie op te heffen nadat de universitaire rectoren waarborgen hadden gegeven dat verdere onderhandelingen tot een inhoudelijke oplossing konden leiden.
De onderhandelingen werden daarna voortgezet. Op 25 juni 1964 kwam het zogenoemde St.-Jansakkoord tot stand tussen vertegenwoordigers van de regering, de artsen, de mutualiteiten en de vakbonden. In een parlementair document met de ondertekenaars werden Roger Thoné en Van Steenbergen vermeld als vertegenwoordigers van de Nationale Federatie van de Syndicale Kamers.Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Kamerstuk 836 (1963–1964), nr. 5, bijlage, p. 12.
Interne verdeeldheid en verdere ontwikkeling De eenheid die tijdens het conflict van 1964 was bereikt, bleef nadien niet ongewijzigd bestaan. De ontwikkeling van het medisch syndicalisme na de staking vormde in 1967 het onderwerp van een afzonderlijke studie van het CRISP.
Dat er vervolgens afzonderlijke organisatorische strekkingen bestonden, blijkt ook uit contemporaine parlementaire stukken. In een parlementaire vraag van 27 juni 1967 werd onderscheid gemaakt tussen een zogenoemde federatie Henrard, die als feitelijke vereniging werd omschreven, en de Nationale Federatie van de Syndicale Kamers van Geneesheren rond André Wynen, die de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk had aangenomen.Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Vragen en Antwoorden, 4 juli 1967, p. 1567.
Een parlementair antwoord uit 1969 gebruikte voor de vzw de Nederlandstalige benaming Nationaal Verbond van de Syndikale Kamers van de Geneesheren van België V.Z.W. en vermeldde dat de vergaderingen van deze vereniging toen in de Kroonlaan 13 in Brussel werden gehouden.Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Vragen en Antwoorden, 15 april 1969, p. 755. De verschillende benamingen en organisatorische vormen in de bronnen maken dat het verbond uit 1963 niet zonder meer als één juridisch ongewijzigde organisatie kan worden beschreven voor de gehele daaropvolgende periode.
Historische betekenis Het ontstaan van de Syndicale Kamers en hun nationale verband betekende een nieuwe fase in de organisatie van de Belgische medische beroepsbelangen. De organisatie kon in korte tijd een groot deel van de artsen mobiliseren en werd tijdens het conflict van 1963–1964 een belangrijke gesprekspartner van de overheid.
Neefs en Schepers plaatsen de organisatie in de langere ontwikkeling van de Belgische gezondheidszorg en noemen de Nationale Federatie van Syndicale Kamers der Geneesheren expliciet het latere BVAS. Zij beschrijven de federatie tevens als een belangrijke gesprekspartner in onderhandelingen met overheid en ziekenfondsen. Deze historische continuïteit moet worden onderscheiden van een ononderbroken juridische of organisatorische identiteit, aangezien uit bronnen uit de tweede helft van de jaren 1960 blijkt dat binnen het artsensyndicalisme verschillende federaties en strekkingen naast elkaar bestonden.
Literatuur