Carel de Iongh (Dordrecht, 6 oktober 1883 – Voorburg, 2 juni 1964) was een Nederlands militair en sportschutter. Hij was kolonel der artillerie, diende in 1914 bij de Nederlandse officieren in de gendarmerie van het vorstendom Albanië en nam deel aan de Olympische Zomerspelen 1924.

Levensloop Afkomst De Iongh was een zoon van de Dordtse makelaar Hendrik de Iongh en Adriana Jacoba Aletta Dijkmans en een jongere broer van generaal en schermer Hendrik de Iongh. Hij behoorde tot de familie De Iongh. In 1917 trouwde hij in 's-Gravenhage met Cecilia Johanna Lenshoek.

Militaire loopbaan In 1901 werd De Iongh als cadet voor de artillerie toegelaten tot de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1907 werd hij eerste luitenant bij het korps pontonniers, waarvan Willem de Veer toen commandant was.

Albanië Begin 1914 werd de Iongh, toen eerste luitenant bij het 2e regiment veldartillerie, aangewezen als een van de Nederlandse officieren die deel zouden uitmaken van de gendarmerie van het nieuwe vorstendom Albanië. In februari kreeg hij, met onder anderen J.H. Sar, J. Doorman en J. Fabius, machtiging om tijdelijk in Albanese krijgsdienst te treden. Als kapitein van de gendarmerie werd De Iongh in maart 1914 adjudant van generaal De Veer in Valona.

Tijdens de opstand van 1914 voerde hij in juni het bevel over regeringstroepen van ongeveer duizend man die vanuit het zuiden oprukten. Zij werden bij Lushnjë door ongeveer zeshonderd opstandelingen verslagen en naar Fier teruggedrongen. Begin augustus 1914 verliet hij met De Veer en majoor H.J.L. Kroon definitief Durazzo. Na zijn terugkeer vertelde hij de Dordrechtsche Courant dat hij vooral had moeten strijden tegen de angst en onbetrouwbaarheid van zijn manschappen: "Het zijn allemaal verschrikkelijke lafbekken en ellendige dieven en ploerten." Volgens hem was op een morgen zijn rechtervleugel van vijfhonderd man al sinds de vorige avond gevlucht.

Na 1914 Eind 1917 werd De Iongh bevorderd tot kapitein. Als kapitein der artillerie maakte hij deel uit van de Nederlandse schietploeg op de Olympische Spelen van 1924. Hij eindigde met het vrije geweer liggend op een gedeelde 65e plaats en werd met de ploeg zestiende.

In 1929 werd hij majoor bij het 2e regiment veldartillerie. In 1935 werd hij luitenant-kolonel en commandant van het 6e regiment veldartillerie en in 1938 kolonel en commandant van de 3e artilleriebrigade. Met ingang van 15 juli 1940 kreeg hij op eigen verzoek eervol ontslag uit de militaire dienst. In 1942 werd hij krijgsgevangen gemaakt en in Neurenberg en Stanislau gevangengehouden. In 1949 werd hij, met terugwerkende kracht tot 15 april 1948, benoemd tot reserve-kolonel bij de nationale reserve.

Categorie:Nederlands militair Categorie:Nederlands schutter Categorie:Nederlands olympisch deelnemer