John Colet (Londen, januari 1467 – Sheen, Surrey, 16 september 1519) was een Engelse katholieke priester en met de oprichting van de St Paul's School in Londen een belangrijke onderwijsvernieuwer. Met zijn vrienden Desiderius Erasmus en Thomas More wordt hij wel gerekend tot de Oxford Reformers, drie humanisten verbonden aan de universiteit van Oxford die zich afkeerden van de middeleeuwse scholastieke traditie en terug wilden keren naar de bronnen (ad fontes).

Zijn leven stond in het teken van de leer over het mystieke lichaam van Christus, maar als kerkelijk hervormer had hij uiteindelijk weinig succes. Zijn ware triomf lag in zijn radicale humanistische onderwijsfilosofie. (2007)

Vroege leven en opleiding John werd geboren als eerste van 22 kinderen van Sir Henry Colet en Dame Christian Colet en de enige die volwassen werd. Henry had grote rijkdom verworven in de wol- en lakenhandel, trad toe tot The Mercers' Company en de Company of Merchant Adventurers of London en was tweemaal Lord Mayor of London. Het is niet geheel zeker waar hij zijn eerste opleiding volgde. De school behorende bij het St. Anthony's Hospital wordt wel genoemd, maar ook de aan The Mercers' Company gelieerde school bij het Hospital of St Thomas of Acre. Rond 1483 vervolgde hij zijn opleiding aan de universiteit van Oxford, waarschijnlijk het Magdalen College, waar hij na zeven jaar studie zijn Master of Arts behaalde. Hoewel deze studie nog diep geworteld was in de scholastiek van de zeven vrije kunsten ontwikkelde hij hier al een fascinatie voor de klassieken zoals Cicero. In 1485 liet zijn vader hem benoemen tot rector van de St Mary's in Dennington wat hij tot zijn dood bleef en in 1490 tot rector van St Nicholas (St James) in Thurning. Deze laatste gaf hij op toen hij tijdens zijn afwezigheid in 1494 werd benoemd tot prebendaris van York en kanunnik van St. Martin's Le Grand. Ironisch genoeg waren dit prebende sine cura, schenkingen zonder zielenzorg waar hij zich later juist tegen zou verzetten.

Geïnspireerd door William Grocyn en Thomas Linacre maakte Colet een reis naar Italië. Hij vertrok eerst naar Frankrijk, waarbij vaak het jaar 1493 wordt genoemd, maar dit conflicteert met documenten die hem in september 1492 al in het Engelse Hospice in Rome plaatsen. Waarschijnlijker vertrok hij eind 1491 of begin 1492. In Parijs verdiepte hij zich aan de Sorbonne in kerkelijk recht en de patristiek. Hier kwam hij in aanraking kwam met de kring van vroege Franse humanisten waaronder ook de jonge Guillaume Budé die classicus zou worden.

Aan de universiteit van Orléans verdiepte hij zich daarna in burgerlijk en Romeins recht. In Rome legde hij zich daarna toe op de exegese van de Bijbel, daarbij niet zoals gebruikelijk filosoferend over losse onderdelen, maar binnen de historische en literaire context. Daarnaast verdiepte hij zich verder in kerkelijk en Romeins recht. Ook werd hij gegrepen door het Florentijnse neoplatonisme van Marsilio Ficino en Giovanni Pico della Mirandola die de filosofie van Plato verweefden met het christelijke geloof. Door de vertalingen van Ficino van Plato en Plotinus leerde Colet ook hen kennen.

In Rome zag hij de simonie, moreel verval en nepotisme onder paus Alexander VI (Rodrigo Borgia) wat bij hem de basis legde voor zijn strijd tegen kerkelijke misstanden en voor hervormingen binnen de katholieke kerk. Dat werd gesterkt door de werken van Girolamo Savonarola die opriep tot radicale hervorming en tegen intellectuele kennis was die niet leidt tot een moreel en vroom leven. Savonarola verwierp het renaissancehumanisme van Ficino en Pico, hoewel hij hen goed kende en zij elkaar beïnvloeden. Onder invloed van Savonarola ontdeed Colet het renaissancehumanisme van de nadruk op klassieke literatuur en seculiere cultuur en bracht de nadruk terug naar het herstellen van het zuivere christendom. Zo keerde hij in 1496 terug naar Engeland als een christelijk humanist. Op zijn terugreis deed hij eerst nog weer Parijs aan, waar hij Robert Gaguin opzocht die in 1495 zijn De origine et gestis Francorum compendium had voltooid.

Oxford In Engeland aangekomen spoedde hij zich naar Oxford, waar hij als onafhankelijk docent openbare lezingen over de brieven van Paulus gaf, opmerkelijk voor iemand die nog geen doctoraat in de theologie had behaald en nog niet tot priester was gewijd. De lezingen begon hij over de Romeinenbrief en bleken een sensatie aangezien Colet brak met de traditionele scholastische benadering waarbij enkele woorden of zinnen overladen werden met ingewikkelde filosofische commentaren of vergezochte allegorieën. In plaats daarvan behandelde hij de brieven als een geheel en behandelde de vraag wie Paulus was, aan wie hij zich richtte en waarom en wat de politieke en maatschappelijke situatie van het oude Rome toen was, daarbij zelfs de Romeinse geschiedschrijver Suetonius gebruikend. Ook verliet hij de droge aristotelistische benadering van de Summa theologiae van Thomas van Aquino en verving deze door een platoonse benadering waarin de nadruk lag op de liefde van God, de wens om een beter mens te worden en dat geloof en goddelijke liefde (caritas) de mens transformeren. God zou liever geliefd worden dan geanalyseerd. De gratis toegankelijke lezingen waren een schok in het behoudende middeleeuwse Engeland, maar bleken een doorslaand succes.

Op 17 december 1497 werd hij eindelijk tot diaken gewijd om op 25 maart 1498 tot priester te worden gewijd, vier jaar na zijn aanstelling als kanunnik. Dat jaar overleed ook de laatste van zijn broers en zussen en bleef hij als enige erfgenaam over. De tragedie maakte dat hij ondanks die rijkdom sober zou leven. Het jaar daarop vond een belangrijke intellectuele ontmoeting plaats toen Erasmus in Oxford arriveerde nadat deze door Lord Mountjoy was meegenomen uit Parijs. Diens naam was nog niet wijdverbreid bekend, maar wel al onder hen die banden hadden in Parijs. Colet schreef hem direct een welkomstbrief waarin hij vermeldde via Gaguin over hem gehoord te hebben. Hij vroeg Erasmus om lezingen te geven over een van de boeken uit het Oude Testament, Genesis of Jesaja. Erasmus vond echter dat hij nog te weinig kennis had van het Hebreeuws, het Oudgrieks en de theologie en wees het verzoek dan ook af. Daarmee was het voorstel van Colet de stimulans voor Erasmus om werk te maken van de studie van het Grieks om het Nieuwe Testament te zuiveren van de vertaal- en kopieerfouten in de Vulgaatbijbel en de vroege kerkvaders te leren kennen. Het was ook Erasmus die hem stimuleerde om zijn middeleeuws Latijn te verfijnen naar humanistische Latijn.

Erasmus woonde wel de lezingen van Colet bij en zag daar het contrast met de droge scholastiek van Parijs en wat het alternatief was. Debatten tussen Colet en Erasmus scherpten beide, zoals over de vermeende wens van Jezus in de hof van Getsemane om God af te laten zien van zijn kruisdood, zoals beschreven in Matteüs 26:39, Marcus 14:36 en Lucas 22:42. Volgens Colet kende Jezus gezien zijn goddelijkheid geen angst voor zijn eigen dood, maar voor de schuld die bij de Joden zou komen te liggen. Volgens Erasmus ervoer Jezus wel degelijk een menselijke angst en was juist de overwinning hiervan ingegeven door zijn liefde voor de mensheid. Dit laatste maakte het volgens Erasmus ook niet nodig om aan zelfkastijding of anderen vormen van boetedoening te doen. In plaats van vreugde vanwege zelf ondergane kwellingen of extreme ascese ging het om naastenliefde en verminderen van egoïsme.

St Paul's Cathedral Naast zijn universitaire carrière werd hij in 1499 ook vicaris van St Dunstan's in Stepney, in 1502 kanunnik van Salisbury en prebendaris van Durnford. Aan het einde van zijn periode in Oxford werd hij in 1504 dan eindelijk Divinitatis Doctor, waarna hij in 1505 door koning Hendrik VII werd aangesteld als deken van de St Paul's Cathedral in Londen als opvolger van Robert Sherburne die bisschop van St Davids werd. Voor deze zware functie gold wel een residentieplicht en had hij de dagelijkse leiding over de kathedraal. Dat gaf hem ook de kans om zijn gewenste hervormingen in te zetten. Hij liet de statuten aanpassen waarmee de kanunniken en priesters verplicht werden om daadwerkelijk te resideren en hun liturgische plichten serieus te nemen. Ook zette hij hier zijn theologische colleges voort en delegeerde hij het preken niet zoals gebruikelijk, maar preekte zelf en dan ook nog in het Engels, wat het toegankelijk maakte voor het gewone volk. Deze rigoureuze veranderingen maakten hem niet geliefd bij zijn kanunniken en andere priesters die over hem klaagden bij bisschop Richard FitzJames. Met de dood van Hendrik VII in 1509 kwam met Hendrik VIII echter de eerste humanistische koning aan de macht, wat een steun in de rug was voor Colet.

Het was in deze periode dat Thomas More worstelde met zijn roeping. Hij woonde vlakbij kartuizerklooster van Londen en twijfelde of hij monnik moest worden. Colet overtuigde hem dat hij een vroom leven kon combineren met een gezin. Tussen Colet, Erasmus en de jongere More ontstond zo een intellectuele driehoek.

Als deken streefde Colet naar hervormingen, maar slaagde hier buiten zijn eigen decanaat niet in. Zijn overmatige idealisme en niet-realistische beeld van de Kerk werkten hem daarbij tegen. Zo werd van een decaan een ruime gastvrijheid verwacht waarbij deze, zeker op feestdagen, grote maaltijden moest organiseren voor zijn geestelijken. Colet koos daarbij bewust voor soberheid en voor intellectuele gesprekken in plaats van het gebruikelijke vermaak. In combinatie met zijn onbuigbare hervormingen en strenge regels met harde straffen vervreemdde hij de lagere geestelijken van zich. Daarbij kwam dat de theoloog zonder praktische ervaring te weinig oog had voor het feit dat er aan de top weliswaar sprake was van corruptie, maar dat de Kerk aan het begin van de zestiende eeuw juist bij de lagere geestelijken een levendige en groeiende organisatie was waar de nadruk lag op het uitvoeren van de Opus Dei. Door zijn gebrek aan diplomatie en tactloze manier van handelen verspeelde hij ook bij de nodige hogere geestelijken krediet. Zijn nadruk op het ideaalbeeld van de hemelse hiërarchie en de kerkelijke hiërarchie van pseudo-Dionysius bracht hem in conflict met de bestaande hiërarchie die hier niet aan voldeed. Desondanks had hij belangrijke medestanders, zoals de bisschop van Rochester, John Fisher, de bisschop van Winchester, Richard Foxe, en uiteindelijk ook Sherburne.

St Paul's School Na de dood van zijn vader in 1505 kon Colet beschikken over diens grote erfenis die hem in staat stelde om in 1509 te beginnen met het opzetten van de St Paul's School (naast de al bestaande St Paul's Cathedral School) die uiteindelijk in 1512 werd geopend. In plaats van deze onder kerkelijk bestuur te plaatsen, bracht hij deze onder bij de The Mercers' Company, aangezien hij onder getrouwde leken de minste corruptie had aangetroffen. Hij stelde grammaticus William Lily, een pupil van Linacre, aan als eerste schoolhoofd, terwijl Erasmus hem hielp met studieboeken door wat later bekend werd als Rudimenta Grammatices van Lily grondig te corrigeren en daarnaast de leeswijzer De Ratione Studii, de redevoering Concio de Puero Jesu en bewerkte Disticha Catonis. Erasmus droeg ook De Copia op aan Colet. Linacre had eerder een Latijnse grammatica geschreven, maar deze werd door Colet als te ingewikkeld voor zijn leerlingen beoordeeld. De Rudimenta Grammatices van Linacre zou later wel een standaardwerk voor gevorderde studenten worden. Ook Grocyn was verbonden aan zijn school nadat hij jarenlang in Oxford New Learning (Grieks en puur Latijn) had gedoceerd.