thumb|Foto van het gezin Van Beeck Calkoen Francisca Johanna van Beeck Calkoen (Utrecht, 16 februari 1870 – aldaar, 25 oktober 1947) was een Nederlands weldoenster, die zich bezighield met liefdadigheid en jeugdzorg. Ze was een vooraanstaand lid van de Vereniging ter behartiging van de belangen der jonge meisjes (1882-1977). Zij was met name actief in de stad Utrecht, waar ze zich onder andere inzette voor het zogenaamde stationswerk.

Gezin Van Beeck Calkoen miniatuur|Nieuwjaarswens voor 1910 van Herman Misset aan F.J. van Beeck Calkoen. Francisca werd geboren op Achter St.-Pieter F 329. Ze kwam uit een bekende Utrechtse familie. Haar moeder Pauline Albertine Ram was in 1885 op haar veertigste overleden. Vader Aarnoud Willem van Beeck Calkoen bleef toen achter met acht kinderen, in leeftijd variërend van 2 tot 16 jaar, onder wie Willem Jabes en Isabella. Mede dankzij het werk van huishoudster Doortje Koenen kon het gezin zich redden in het grote huis aan de Drift 19, dat haar vader in 1872 had gekocht. Francisca had dus al vroeg in haar leven ervaren hoe belangrijk dienstbodes konden zijn.

Francisca woonde vanaf 1930 samen met haar twee eveneens ongehuwde zussen op de Maliesingel 24. Hier en in haar ouderlijk huis passeerden tussen 1923 en 1935 maar liefst 27 dienstbodes de revue. Sommigen verbleven er nog geen half jaar, anderen vertrokken na enkele jaren. Tot ongeveer 1928 waren de Duitse dienstmeisjes veruit in de meerderheid; veel van hen keerden eind jaren twintig weer terug naar Duitsland. Vanaf 1928 waren het vooral Nederlandse meisjes die de huishouding verzorgden voor de zussen Van Beeck Calkoen en was er nog maar één Duits meisje dat huiswaarts keerde. Enkele andere Duitse meisjes besloten hun heil te zoeken in Noord-Amerika.

Deze informatie is ontleend aan de zogenaamde gezinskaarten van de stad Utrecht (1910-1936), aanwezig bij Het Utrechts Archief. Hier vindt men behalve de namen van gezinsleden ook die van eventueel inwonende dienstbodes met vermelding van hun geboorteplaats en -datum.

Werk voor de Union In 1877 werd in Genève de protestants georiënteerde Union Internationale des Amies de la Jeune Fille opgericht, beter bekend als de 'Union'. Doel was de bescherming van het jonge meisje 'dat eenzaam is, of in gevaar verkeert, welke ook haar nationaliteit, godsdienst, beroep of stand is'. Een Nederlandse afdeling volgde in 1882: de Vereniging ter behartiging van de belangen der jonge meisjes, zoals deze later ging heten. Deze kwam voort uit de 'Christelijk Zusterkring' in Utrecht die vooral uit adellijke dames bestond.

De landelijke vereniging had verschillende afdelingen in het land, onder meer in Utrecht. Om het gestelde doel te bereiken, organiseerden deze afdelingen advies- en inlichtingenbureau’s, arbeidsbemiddeling, clubhuizen, tehuizen, voogdij en ledenhulp. De meest in het oog springende activiteit was het stationswerk, waarbij hulp en opvang werd geboden aan alleenreizende meisjes op stations. Daartoe posteerden dames zich met een rood-witte band om de arm op de perrons. Destijds werden zij vaak aangeduid als stationsjuffrouwen en soms als stationsdames.

Francisca van Beeck Calkoen was presidente van het bestuur van de Union in Utrecht en een belangrijke voorvechtster van het stationswerk, ook in internationaal verband. Onder haar leiding groeide het Nederlandse stationswerk in de jaren twintig uit tot een professionele organisatie. In 1924 werd zij als presidente van de Johanna Stichting benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Stationswerk In 1923 waren twintig stationsdames actief in Nederland, onder wie veertien betaalde krachten. Het stationswerk werd gefinancierd uit een jaarlijkse rijkssubsidie van 2.000 gulden en daarnaast uit contributies en giften, onder meer afkomstig van straatcollectes.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had het stationswerk zich in het neutrale Nederland vooral beziggehouden met de opvang van Belgische vluchtelingen. Vanaf 1918 richtte men zich weer op de begeleiding van alleenreizende vrouwen, vooral van Duitse dienstmeisjes. Voor zo ver mogelijk waren die voorafgaand aan hun vertrek door Duitse zusterverenigingen al voorzien van nuttige informatie. Daarnaast werden affiches aangeplakt en folders met nuttige adressen in grote oplagen verspreid op stations en in treinen.

Zo verspreidde Union op het station in Utrecht een foldertje met het adres van het plaatsings- en informatiebureau Rhodé aan de Kromme Nieuwegracht 7 voor het vinden van een betrekking. Verder werd een tehuis voor de eerste opvang en informatie aan Herenstraat 25 vermeld en ook een clubhuis aan het Pieterskerkhof 5. Daar konden meisjes die werkzaam waren op kantoor of in de huishouding terecht voor gezellige avondjes met muziek en cursussen Nederlands, handwerken, fröbelen en eerste hulp bij ongelukken.

In speciale folders van het stationswerk kregen de reizende meisjes op het hart gedrukt: 'Indien gij de stationsdame niet ziet, wend U dan tot den perronchef. Vertrouw nooit vreemde personen. Tracht zooveel mogelijk plaats te nemen in eene damescoupé, of tenminste in eene afdeeling waarin reeds meerdere dames aanwezig zijn. Aan alle groote stations vindt gij een aanplakbiljet onzer Vereenigingen, met het adres waar men U gaarne nader inlicht. Ga niet mee in een auto, als een onbekende U daartoe uitnodigt.'

De stationsdames hadden hun handen vol aan het voorkomen van foutieve overstappen en het verhinderen van pogingen van kwaadwillende mannen om meisjes op sleeptouw te nemen. Zo lezen we in een Utrechts verslag uit 1924: '’s Avonds laat ziet de juffrouw 2 Duitsche meisjes in een 1e klasse coupé bij een heer. Zij zorgt, dat zij in een 3e klasse damescoupé komen te zitten en vraagt aan eene van de medereizigsters de meisjes bij aankomst te Rotterdam aan de politie over te geven. Men behoeft niet te vragen hoe woedend die heer was.' Wat de beide meisjes hiervan vonden, vermeldt het relaas niet. In jaarverslagen van het stationswerk werd wel eens melding gemaakt van 'ondankbare' meisjes die niet van dergelijke hulp gediend waren.

Uit de jaarverslagen blijkt dat het vaak om grote aantallen meisjes ging. Zo werden in 1927 landelijk 27.298 jonge vrouwen geholpen, onder wie 15.332 Duitse meisjes. Volgens het jaarverslag van het stationswerk in Utrecht over 1929 werden toen meer dan 5.000 vrouwen en meisjes geholpen, onder wie 3.040 Hollandse en 2.611 Duitse meisjes. Men wees meisjes op het bestaan van vrouwencoupés en speciaal voor Duitse meisjes gold het gevaar dat zij de weg niet wisten en de taal niet spraken, waardoor misbruik op de loer lag, zo lezen we in de verslagen. Op Utrecht CS had men een speciaal kamertje voor de stationsdames ingericht, waar ook de hulpbehoevende reizigsters even konden worden ondergebracht.

In de jaren 1932-1935 kwamen er vele Duitse en Oostenrijkse meisjes de grens over. De Stationswerk-Commissie wendde zicht tot de overheid om hiertegen regulerend op te treden. Van alle meisjes werd een ondertekende verklaring geëist van een toekomstige werkgeefster. Dit was zowel ter bescherming van de jonge vrouwen als om — toen vanaf 1933 ook in Nederland de crisis voelbaar werd — buitenlandse arbeidskrachten te weren. Door de strengere grenscontroles nam het aantal Duitse meisjes af, zo werd in het jaarverslag van de katholieke vereniging over 1934 geconstateerd. Toch probeerden velen onder het mom van een bezoekje de grens nog over te komen.

Botsende bevoogding Het stationswerk kwam niet alleen voort uit zorgzaamheid van filantropisch ingestelde en religieus bewogen vrouwen uit overwegend burgerlijke kringen, maar had ook een bevoogdende kant. De dames hadden vaak zelf dienstbodes die veelal uit de minder welvarende klassen afkomstig waren. Vooral de Duitse meisjes die buiten het toezicht van hun ouders verkeerden, zouden voortdurend aan verleidingen blootstaan. Daarmee brachten zij niet alleen zichzelf in gevaar, maar vormden zij ook een bedreiging voor de burgerlijke samenleving, althans vanuit de optiek van de dames. De huishouding gold voor hen als de plek bij uitstek waar meisjes uit de arbeidende klasse zich konden voorbereiden op hun toekomstige taak als echtgenote en moeder.

Tijdens het interbellum was er in Nederland sprake van een dienstbodentekort. Het debat hierover ontwikkelde zich tot een discussie over de moderne levensstijl van zich emanciperende vrouwen uit de burgerij die buitenshuis actief waren. Vrouwen uit de burgerij dienden zich volgens de gangbare normen aan de huishouding te binden en zich te richten op de noodzakelijke vorming en begeleiding van het huispersoneel, een zaak van maatschappelijk belang.

Ook de dames achter het stationswerk zagen waarschijnlijk een rol voor zich zelf weggelegd door de dienstmeisjes in hun huishouding de nodige beschaving bij te brengen en tot een goede huisvrouw en moeder op te leiden. Dit botste soms met de opstelling en mentaliteit van de meisjes. In de jaarverslagen van het stationswerk lezen we dat de alleengaande reizigsters steeds meer ‘vrijgevochten’ werden. En dienstbodes gingen wijzen op hun lage lonen, de ongelimiteerde werktijden en het gebrek aan zelfstandigheid.

Veranderingen In 1937 was er nog steeds sprake van twee stationsdames van de Union op Utrecht CS en het Buurtstation (vlak naast Utrecht CS) die nu nauw samenwerkten met de katholieke dame. In dat jaar werden in Utrecht nog 6.306 meisjes geholpen, onder wie 4.016 Nederlandse en 1.061 Duitse meisjes. Daarmee was het stationswerk in Utrecht het grootste in Nederland na Amsterdam. In de jaren 1938 en 1939 verleende men extra hulp aan Joodse vluchtelingen uit Duitsland.

Na 1940 veranderde het stationswerk ingrijpend, niet alleen door de oorlog, maar ook door technische en maatschappelijke ontwikkelingen. Gesloten treincoupés maakten plaats voor doorlopende treinstellen, waardoor vrouwen minder werden lastig gevallen. En ook werd het reizen voor jonge zelfstandige vrouw steeds vanzelfsprekender. Na de oorlog bestond het stationswerk oude stijl niet meer in Nederland en werd de functie overgenomen door de Maatschappelijk Advies- en Inlichtingen Bureaus.

Van Beeck Calkoen overleed in 1947. Ze werd begraven in Utrecht, op de Eerste Algemene Begraafplaats.

Onderscheiding

Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (KB 17 september 1924, no. 3).

Literatuur

Joyce Pennings, Stationswerk: Opvang van Duitse dienstmeisjes op station Utrecht, in: Tijdschrift Oud Utrecht, juni 2024 Barbara Henkes, Heimat in Holland. Duitse dienstmeisjes 1920-1950 (proefschrift UvA, Amsterdam 1995).

Categorie:Nederlands bestuurder