miniatuur|Het Oostenrijkse paviljoen (rechts) op de Expo 58 Oostenrijk was vertegenwoordigd op de wereldtentoonstelling Expo 58 in 1958 te Brussel met een nationaal paviljoen ontworpen door Karl Schwanzer.
Oostenrijks paviljoen miniatuur|links|Belvedere 21, kunstmuseum te Wenen en voormalig Oostenrijks paviljoen op de Expo 58 Voor het Oostenrijkse paviljoen voor Expo 58 werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven waar onder andere Oswald Haerdtl, Otto Niedermoser en Erich Boltensterin aan deelnamen. Uiteindelijk werd voor een ontwerp van de 39-jarige Karl Schwanzer gekozen, die later bekendheid zal verwerven met werken zoals het hoofdkantoor van BMW en BMW Museum in München. Het vierkante gebouw werd gedragen door vier pijlers en was rond een binnenplaats gebouwd. De bouw kostte 35 miljoen Oostenrijkse schilling, wat een fractie was van de meeste andere paviljoenen op de tentoonstelling. Het lichte en transparante gebouw won de Grand Prix, de meest prestigieuze prijs op de Expo. De beeldhouwer Fritz Wotruba kreeg in 1957 de opdracht om een reliëf te maken om voor de gevel van het paviljoen te plaatsen. Het beeldhouwwerk staat sinds 1962 in de beeldentuin van het paviljoen in Wenen.
Bol Expo 58 miniatuur|Bol van het Oostenrijks paviljoen aan de voorgevel van Antwerp Expo, Antwerpen Op de binnenplaats van het paviljoen lag een stenen bol die de minerale rijkdom van de Oostenrijkse ondergrond voorstelde. Het verhaal gaat dat twee werkmannen de bol van Wenen naar Brussel rolden aangezien de bol te zwaar zou geweest zijn om op een vrachtwagen te laden. Na het einde van de Expo kreeg de stad Antwerpen het object cadeau, waar het terechtkwam aan de voorgevel van het bouwcentrum (Antwerp Expo), waar het zich reeds in 1958 tijdens de eerste bouwbeurs bevond.
Omvorming tot kunstmuseum Oostenrijks Regeringscommissaris redde de geplande sloop van het paviljoen door het over te brengen naar Wenen, waar het in de Schweizergarten (Zwitsers park) in de buurt van het Slot Belvedere werd heropgebouwd onder leiding van Schwanzer en sinds 1962 een museale functie heeft. Het gelijkvloers werd voorzien van gevels uit glas, waardoor het gebouw werd dichtgebouwd. Eerst nam het museum van de 20e eeuw (het huidige Museum Moderner Kunst Stiftung Ludwig Wien) zijn intrek in het gebouw, tot het verhuisde naar het MuseumsQuartier in 2001. Het gebouw, dat nooit bedoeld was om lang te bestaan, was in slechte staat: het staal was verroest en het beton beschimmeld. De constructie moest omwille van veiligheidsredenen gesloten worden. In 2002 werd het overgedragen aan het museum Österreichische Galerie Belvedere. Na een renovatie van ongeveer 32 miljoen euro werd het 20er Haus in 2011 heropend. In hetzelfde jaar werd de nalatenschap van de Oostenrijkse beeldhouwer Fritz Wotruba door de Fritz Wotruba Privatstiftung in bruikleen gegeven aan Belvedere. In de benedenverdieping van het voormalige paviljoen werden een depot en studiezaal van de stichting opgericht, en in 2021 werd de nalatenschap effectief overgedragen aan het museum. In 2018 werd het museum hernoemd naar Belvedere 21.
De Wereldmachine miniatuur|De Wereldmachine Na het bezoek van de Oostenrijkse landbouwer Franz Gsellmann aan de Expo begon hij thuis in Stiermarken (in Edelsbach bei Feldbach) aan de bouw van een Weltmaschine, een Perpetuum mobile die als een soort vervanging van het universum fungeert. Gsellmann verklaarde het Atomium als inspiratiebron te hebben gebruikt: "Toen ik het Atomium gezien heb, heb ik in mijn droom mijn voltooide machine gezien. Het Atomium was het fundament voor mijn wereldmachine."
Verschillende schrijvers werden geïnspireerd door de machine en de als zonderling bestempelde Gsellmann, zoals de Duitse schrijvers (Die Weltmaschine, 1991) en (Der Weltmaschinenroman, 2008). De machine is een beschermd monument en kan bezocht worden.
Varia De Oostenrijkse Eva Maria Hückl werkte als hostess van het Oostenrijks paviljoen, waar ze de latere Agalev-politicus Ludo Dierickx leerde kennen. Hückl, artiestennaam Eva Maria, groeide later uit tot zangeres en televisiepresentatrice in België en Oostenrijk. Een Oostenrijkse bouwfirma bouwde de wijk Eden in Wilrijk, een wijk die gebouwd werd om de arbeiders te huisvesten die de constructies van Expo 58 moesten bouwen. Een originele bladzijde uit het manuscript van het Requiem van Wolfgang Amadeus Mozart, de laatste compositie van de componist, werd op de Expo tentoongesteld. Tijdens het evenement werd een hoekje van het blad ongemerkt afgescheurd en sindsdien is het stukje spoorloos. De laatste geschreven woorden van Mozart staan mogelijk op het stukje. Het voorval staat in Mozart-boeken beschreven als de 'Brusselse desecratie'.
Galerij
Categorie:Expo 58 Categorie:Architectuur in België uit de 20e eeuw