Paris Is Burning is een Amerikaanse documentairefilm uit 1990, geregisseerd door Jennie Livingston. Het toont de ballroom-scene van New York in de jaren 1980 en de betrokken Afro-Amerikaanse en Latijns-Amerikaanse LHBTI+-gemeenschappen. De documentaire is gefilmd gedurende een periode van vijf jaarDe productie startte in 1985 en de eerste vertoning vond plaats in 1990. Sommige bronnen stellen echter dat het productieproces 6 of 7 jaar betrof. Daarbij wordt onder meer uitgegaan van de algemene distributie in augustus 1991., vanaf het midden tot en met het einde van de jaren 1980. De film verkent identiteit en de intersecties van klasse, gender, seksualiteit en etniciteit in de Verenigde Staten. Het toont hoe ballroomcultuur en gekozen families ruimte bieden voor verbondenheid, zelfexpressie, trots en humor. Tegelijkertijd belicht de film het racisme, de homo- en transfobie die betrokkenen ervaarden, evenals armoede en de voortdurende strijd om te overleven.
Paris Is Burning is door talrijke publicaties uitgeroepen tot een van de beste documentaires aller tijden. Velen beschouwen het als een fundamentele tekst binnen New Queer Cinema. In 2016 werd de film door de Library of Congress opgenomen in het Amerikaanse National Film Registry.
Inhoud
Ballroom-scene In de documentaire staan ballroomwedstrijden centraal: een competitie waarin deelnemers binnen een bepaalde thema, zogenoemde categorieën, zichzelf moeten tentoonstellen door te "walken" (lopen) of te dansen. Het walken is vergelijkbaar met de manier waarop een model over een catwalk loopt. Jennie Livingston filmde meerdere bals in de New Yorkse wijk Harlem gedurende het midden tot het einde van de jaren 1980. De titel Paris Is Burning verwijst naar het gelijknamige Paris Is Burning-bal, georganiseerd door en vernoemd naar drag artiest Paris DuPree. Een groot deel van de opnames vonden plaats tijdens het Paris Is Burning-bal in 1986.
De doelgroep voor deze ballroomwedstrijden bestaat overwegend uit LHBTI+-personen van Afro-Amerikaanse en Latijns-Amerikaanse afkomst. Participanten en bezoekers beschouwen dergelijke ballroomwedstrijden als ruimtes voor entertainment en optreden, evenals mogelijkheden voor het vergaren van roem en een exclusieve status binnen de subcultuur van queer zwarte en Latino mensen. Deze subcultuur betreft groepen mensen die te maken hebben met kansenongelijkheid, en binnen de mainstreamcultuur slechts beperkte mogelijkheden hebben om veilig zichtbaar en zichzelf te zijn. Zodoende bieden ballroomwedstrijden eveneens een plek voor zelfexpressie, acceptatie en gemeenschap.
De deelnemers worden door een jury beoordeeld op criteria zoals hun danstalent, de esthetische schoonheid van hun verschijning en de "realness" van hun drag – dat wil zeggen: hun vermogen om door te gaan voor een persoon gerelateerd aan het desbetreffende thema dat zij uitbeelden. Denk hierbij aan een categorie zoals "executive realness", waarbij deelnemers zich kleden en gedragen als succesvolle zakenmensen. Of de categorie "banjee realness", waar deelnemers macho-archetypen uitbeelden, zoals matrozen, soldaten en bendeleden. Bij het uitbeelden van de thema's worden deelnemers beoordeeld op hun vermogen om in de buitenwereld door te gaan voor hun 'echte' tegenhangers.
Veel van de deelnemers die strijden om trofeeën vertegenwoordigen "houses" (huizen). Houses fungeren als zelfgekozen families en als performanceteams. Ze worden geleid door "moeders" en "vaders": personen die worden gezien als het meest vaardig en machtig binnen de groep evenals een ouderfiguur van de overige leden, oftewel de "kinderen". Houses en deelnemers die tijdens hun optredens consequent trofeeën winnen, verwerven roem binnen de gemeenschap en uiteindelijk een legendarische status.
Prominente figuren De documentaire wisselt beelden van de ballroom-scene af met interviewfragmenten met prominente personen uit de Harlem ballroomwereld. Onder meer Pepper LaBeija, Dorian Corey, Octavia Saint Laurent, Willi Ninja en Venus Xtravaganza zijn geïnterviewd. Veel van hen vertellen over ballroomcultuur en de werking van ballroomcompetities, evenals hun eigen levensverhalen. Via de één-op-één-interviews biedt de film zicht op enkele uitdagingen die zij ervaren, evenals de kracht, trots en humor waarmee zij proberen te overleven in een heteronormatieve samenleving als queer en vaak niet-witte onderklasse.
In het bijzonder richt Paris Is Burning zich op uitdagingen zoals racisme, armoede, geweld, transfobie, homofobie en de aids crisis. Sommigen, zoals Venus Xtravaganza, werkten in de seksindustrie om in hun levensonderhoud te voorzien. Tegen het einde van de film reageert Angie Xtravaganza, de "moeder" van Venus, op het nieuws dat Venus vermoord is aangetroffen in een hotel. Er wordt vermoed dat een klant haar gewurgd en vermoord heeft. Anderen stelen kleding uit winkels zodat ze daarmee kunnen participeren aan de bals. Verschillende deelnemers worden verstoten door trans- en homofobe ouders vanwege hun genderexpressie, identiteit en seksuele geaardheid, waardoor ze kwetsbaar worden voor dakloosheid.
De film geeft eveneens inzicht in "voguing", een dansstijl waarin concurrerende deelnemers poseren en glamoureuze houdingen aannemen, alsof ze worden gefotografeerd voor de cover van het modetijdschrift Vogue. Choreograaf Willi Ninja is in Paris Is Burning te zien als invloedrijke vogue-danser.
Thema's Volgens Livingston is de documentaire een veelzijdige verkenning van queer Afro-Amerikaanse en Latino-subculturen. Paris Is Burning fungeert als een microkosmos van roem, etniciteit en rijkdom in de bredere Amerikaanse cultuur. Volgens de regisseur weerspiegelen de bals de prevalentie van materialisme in de jaren 1980. Daarnaast zei Livingston in 1991 het volgende over het belang en de betekenis van de documentaire:
De documentaire presenteert daarnaast drag en ballroomoptredens als complexe opvoeringen van gender, klasse en etniciteit, evenals een manier om iemands identiteit, verlangens en ambities uit te drukken. De ballroomcultuur biedt zwarte en Latijns-Amerikaanse LHBTI+-personen een plek waar zij door middel van imitatie tijdelijk kunnen deelnemen aan sociale omgevingen waar zij anderzijds in het dagelijkse leven op grond van hun identiteit worden uitgesloten. Op die manier maakt de documentaire sociale ongelijkheid zichtbaar. Zo licht de ervaren dragqueen Dorian Corey in de film toe dat de maatschappelijke positie van de deelnemers van kleur hen ervan weerhoudt om de posities te bereiken die zij tijdens de bals imiteren. Dit is in tegenstelling tot personen zoals Madonna. Zij kon vanuit een maatschappelijk bevoorrechte positie elementen uit de ballroomcultuur overnemen voor haar hitnummer "Vogue" en introduceren aan de mainstreamcultuur. Op die manier kon zij en anderen in soortgelijke posities profiteren van ballroomcultuur, terwijl de ballroomgemeenschap zelf nauwelijks profiteerde van de toenemende bekendheid.
Productie
Achtergrond In de zomer van 1985 verhuisde Jennie Livingston naar New York om een filmvak te volgen aan de New York-universiteit. In de stad kwam ze voor het eerst in contact met balcultuur. Dit gebeurde via twee dansers die ze had ontmoet in het Washington Square Park. Livingston raakte geïntrigeerd door hun manier van dansen en de voor haar onbekende spreektaal die ze gebruikten. Toen ze hen vroeg wat ze aan het doen waren, antwoordden de dansers dat ze aan het voguen waren. Later werd Livingston door andere dansers aangeraden om een bal te bezoeken. Het eerste bal dat ze bezocht was een mini-bal in het Gay Community Center aan 13th Street. Over deze ervaring zei ze: "Zodra ik zag wat er op het bal gebeurde, wist ik dat ik het wilde filmen." Tijdens het mini-bal begon ze met het interviewen van de aanwezigen. Vervolgens bezocht ze steeds meer bals, en begon ze met filmen. Kevin Omni Burrus, die kort in de documentaire voorkomt, stelde dat Livingston de deelnemers vertelde dat ze filmde voor haar scriptieonderzoek. Livingston zelf ontkende dit, en zei dat ze tijdens het eerste bal uit interesse opnames maakte. Financiering en opnames De productie van Paris Is Burning begon in 1985. De documentaire nam ruim vijf jaar in beslag vanwege de productiekosten en de moeilijkheden om financiering te verkrijgen. Begin 1986 had Livingston ongeveer 20 uur aan interviewaudio opgenomen en één bal gefilmd. In diezelfde periode had ze haar auto verkocht om dit te kunnen financieren. In februari 1986 gebruikte ze een 5-minuten-fragment van een bal om $24.000 aan subsidies te verwerven. Vervolgens kwam ze via een vriend in contact met een producent bij een lokaal televisiestation. De producent bood haar ongeveer de helft van het benodigde productiebudget aan om de documentaire te financieren. Datzelfde jaar ontmoette Livingston de video-editor Jonathan Oppenheim. Samen werkten ze vier maanden aan een eerste, officiële trailer. Deze trailer gebruikten ze om aanvullende subsidies aan te vragen. Op die manier konden ze extra beeldmateriaal en de montage financieren. Ze ontvingen subsidies van onder meer de National Endowment for the Arts, Jerome Foundation en New York State Council on the Arts. Naast de subsidies werkte Livingston verschillende banen om de productie van Paris Is Burning voort te kunnen zetten.
Uiteindelijk kostte de documentaire $500.000 om te maken. $175.000 daarvan werd besteed aan de muziekrechten, vanwege de muziek die werd afgespeeld tijdens de ballroomcompetities. Uit meer dan 75 uur aan beeldmateriaal werd een uiteindelijke filmversie van 78 minuten samengesteld. Al het beeldmateriaal was opgenomen op 16mm-film, wat veel geld kostte.
Release en ontvangst
De eerste televisievertoning van Paris Is Burning was een uitzending op BBC2 in 1990. Het betrof een verkorte versie die werd vertoond als aflevering van de Britse televisiedocumentaireserie Arena. Datzelfde jaar, op 16 juni, was de eerste vertoning op het grote scherm tijdens de veertiende editie van het Frameline Film Festival in San Francisco, in het Castro Theatre. Daar ontving het een staande ovatie van 5 minuten. Daarnaast werd Paris Is Burning vertoond op onder meer het New York Lesbian and Gay Experimental Film Festival, New York Lesbian, Gay, Bisexual, & Transgender Film Festival en Outfest. De internationale première vond plaats tijdens het Toronto International Film Festival. In 1991 werd de documentaire getoond op het Sundance Film Festival, waar het de gedeelde prijs won voor beste documentaire samen met Barbara Kopple's American Dream. Daarnaast won het meerdere andere prijzen, waaronder een Teddy Award op het Internationale Filmfestival van Berlijn en een GLAAD Media Award. Na de release in 1990 ontving Paris Is Burning positieve recensies en belandde het op de 'beste van het jaar'-lijsten in publicaties zoals Time en The Washington Post.
In maart 1991 werd Paris Is Burning voor een vertoningsperiode van twee weken geboekt in het Film Forum in New York. Omdat alle voorstellingen waren uitverkocht, bleef de film uiteindelijk zeventien weken draaien. Op 9 augustus 1991 werd de documentaire uitgebracht in de Verenigde Staten door Prestige Films, een divisie van Miramax. Het werd aanvankelijk in 14 markten uitgebracht en bereikte tegen het einde van augustus ongeveer 75 bioscoopschermen. Volgens The Hollywood Reporter was dit destijds een uitzonderlijk brede bioscooprelease voor een documentaire van een toen nog onafhankelijke distributeur. In Nederland ging de film in première op 13 december 1991. Uiteindelijk bracht Paris Is Burning in de Amerikaanse bioscopen bijna $3,8 miljoen op. Kritiek alt=Regisseur Jennie Livingston tijdens het Sundance Film Festival in 2006. Achter haar is een perswand te zien, met daarop herhalend de tekst "Outfest" en "here!". De tekst is zwart en de achtergrond is wit. Livingston draagt een grote rode sjaal.|miniatuur|Regisseur Jennie Livingston tijdens het Sundance Film Festival in 2006.