De Sint-Romboutskathedraal in Mechelen is de hoofdkerk van het aartsbisdom Mechelen-Brussel. Als zetel van de metropoliet van de Belgische kerkprovincie is zij de metropolitane kerk van België. De kathedraal is vooral beroemd vanwege de ruim 97 meter hoge toren met zijn twee beiaarden. De toren is als onderdeel van een groep van 56 belforten en kerktorens in België en Frankrijk opgenomen op de lijst van werelderfgoed ID 943-016 van UNESCO.

Bouwgeschiedenis De kathedraal is gewijd aan de Ierse missionaris Sint-Rombout of Rumoldus. Het gebouw is een driebeukige kruiskerk waarvan de bouw startte in de 13e eeuw. In die tijd werden het dwarsschip, het schip en drie traveeën van het koor gebouwd. De kerk werd in 1312 gewijd. Zij had de functie van een collegiale kerk. In 2026 werden onder de vloer van de kapittelzaal resten gevonden van een oudere kerk.VRT

Rond 1335 begon een nieuwe bouwcampagne, waarbij de middenbeuk hoger werd opgetrokken en het koor verder werd vergroot. Er werd een kooromgang met zeven straalkapellen bij gebouwd. Mogelijk is deze aanbouw ontworpen door bouwmeester Jean d'Oisy. Het gewelf van het koor was in 1451 gereed. Vervolgens ging alle aandacht uit naar de bouw van de toren (zie onder). Ten slotte werden rond het jaar 1500 de kapellen aan de noordelijke schipzijbeuk toegevoegd.

Met de pauselijke bul Super universas werd in 1559 het bisdom Mechelen opgericht. De Sint-Romboutskerk werd toen bevorderd tot kathedraal. Tijdens de godsdienstoorlogen in de 16e eeuw is veel van het oude meubilair en het zilverwerk verloren gegaan. Bij de Engelse Furie in 1580 werd de inboedel verwoest. Het gebeente van Sint-Rombout, de patroonheilige van de stad, werd verstrooid maar weer verzameld door de vrome bevolking. Tijdens het calvinistische bewind tussen 1580 en 1585 werd de kerk voor de protestantse eredienst gebruikt en werd alles wat aan de roomse eredienst herinnerde verwijderd. Op 4 augustus 1585 kon de kerk gereconcilieerd worden.

De toren werd tijdens de Eerste Wereldoorlog beschadigd door een Duits artilleriebombardement, toen Belgische militairen ondanks een Duits ultimatum vanaf de toren met vlaggen signalen bleven geven naar het Fort van Walem. In 1972 richtte een brand opnieuw schade aan.

De gedeelten van de kerk die vanaf de 14e eeuw tot stand kwamen, gelden als het vroegste voorbeeld van de Brabantse gotiek. De hier toegepaste stijl kreeg navolging, onder meer in de vormgeving van het koor van de Sint-Gummaruskerk in Lier.

Interieur Schip Het schip is uitgevoerd in gotische stijl, op de zuilen staan beelden van de apostelen.

De naturalistische preekstoel uit eik is een voorbeeld van barokbeeldhouwkunst gesneden door Michiel van der Voort met de assistentie van Theodoor Verhaegen (1721-1723). Hij bevat zoveel verhalende elementen dat men eigenlijk nog nauwelijks over een meubel kan spreken. Als in een 'tableau vivant' is de bekering van Norbertus te zien, de kruisiging en de bekoring van Adam en Eva. Het klankbord is niets anders dan de kruin van de boom van de kennis van goed en kwaad. De architectonische onderdelen zijn zodanig geïntegreerd dat het niet meer mogelijk is ze van elkaar te onderscheiden. Oorspronkelijk was dit werk vervaardigd voor het Norbertinessenklooster van Leliëndaal. Na de vernieling van het klooster werd de preekstoel in 1809 overgebracht naar de kathedraal. Beeldhouwer Jean-François Van Geel voegde een nieuwe achterkant toe en bouwde de kansel rondom een zuil weer op. Een bewaard terracottamodel uit 1721 laat toe om deze veranderingen te herkennen.

Achteraan het schip staat een neogotisch doksaal met het groot kerkorgel. In de zijbeuk bevindt zich het altaarstuk van Christus aan het kruis geschilderd door Antoon van Dyck in 1630. Dit werk is afkomstig uit de Minderbroederskerk.

Koor Het hoogaltaar werd in 1665 uitgevoerd door Lucas Faydherbe. Deze beeldhouwer had een belangrijk aandeel in de barokke aankleding van de kathedraal. Van zijn hand is onder meer het grafmonument voor aartsbisschop Andreas Creusen, links van het hoofdaltaar. Er bevinden zich nog verscheidene andere grafmonumenten van aartsbisschoppen in de kathedraal, onder meer van Matthias Hovius. In de kooromgang hangen 33 wapenborden van het kapittel van de Orde van het Gulden Vlies in 1491; ze worden in 2022 gerestaureerd.Het Laatste Nieuws

Andere schilderijen zijn onder meer van Abraham Janssens, Gaspar de Crayer en Michiel Coxie.

Kerkschat Tot de belangrijkste stukken behoort het groot schrijn van Sint-Rombout. Verschillende stukken edelsmeedwerk en liturgisch vaatwerk in neostijlen zijn bewaard. Bij de inval van de Fransen in 1792 en 1794 ging een deel van de zilverschat verloren. Ook de verzameling liturgisch textiel is zeer belangrijk en bevat verschillende grote pontificale gewaden voor liturgische diensten. Deze werden vaak besteld in opdracht van het metropolitaans kapittel. Tot de topstukken behoort ook een groot wit zijden gewaad geschonken aan kardinaal Mercier en een pontificaal gouden stel van kardinaal d'Alsace.

De toren De beroemde toren beheerst het stadsbeeld van Mechelen en geldt als een van de bekendste in België. De geplande hoogte was 600 Mechelse voet (ca. 167 meter). De bouw werd geleid door leden van het bouwmeestersgeslacht Keldermans waarbij de funderingswerken startten in 1449 en de eerste steen van de toren werd gelegd op 22 mei 1452 door communiemeester Jan Van Musene. Per jaar werd er ongeveer 1,5 meter aan de toren bijgebouwd.

De toren werd door geldproblemen niet voltooid volgens het oorspronkelijke plan. De godsdienstoorlogen slorpten veel geld op en de oude Zandpoort, waar buskruit in lag opgeslagen, ontplofte in 1546 waarbij een derde van de oude stad verwoest werd en 200 mensen omkwamen. Hierdoor verslechterde de financiële situatie nog meer. Men is nog wel begonnen met het eerste stuk van de achthoekige torenspits, dat is het deel vanaf de trans waar de torenwachter zijn ronde deed om branden in de stad op te sporen, maar rond 1520 is de bouw definitief stilgelegd op een hoogte van 97,28 meter.

De toren vertoont vele gelijkenissen met de Sint-Lievensmonstertoren in het Zeeuwse Zierikzee.

Verdiepingen De toren heeft zeven niveaus: thumb|Doorsnede van de Sint-Romboutstoren. De Kraankamer: dit is de ruimte waar het rad staat dat zware goederen kon optakelen, In deze kraankamer werd de kraan bediend door negen mensen die in het enorme tredrad liepen en zo de zware goederen omhoog hesen van de begane grond tot boven. Zo ook een aantal klokken maar niet alle, want enkele waren te groot voor het gat tussen de verdiepingen. Rumoldus was de grootste die er door kon. Karel en Salvator zijn langs de buitenkant opgehesen. In de gietrekening wordt alle materiaal genoemd wat men nodig had om de klok langs de buitenkant omhoog te takelen, bij de Salvator-klok duurde dat 3 dagen; paarden trokken richting de Katelijnestraat en iedere keer als er uitgerust werd blokkeerde een speciaal systeem het touw zodat de klok niet terug viel. Verder was er een hele constructie op de omloop er boven om de klok ver genoeg van de torenmuur te houden tijdens het hijsen. Men heeft 2 arduinen zuilen tijdelijk uit het galmgat verwijderd om de klokken naar binnen te halen. Het kanon met lood wat de speeltrommel aandrijft hangt ook in de kraankamer, de andere gewichten hingen daar vroeger ook. Men denkt er over dat weer zo te maken, dus met 2 val-kisten gevuld met zand en dakpanscherven in die kraankamer. De Smidsekamer: dit is de ruimte waar de smid allerhande kleinere reparaties uitvoerde. Hier hangen dus nu nog de gewichten voor het uur- en slagwerk die in 2019 zijn vernieuwd. De Klokkenkamer: dit is de eerste ruimte waar je klokken aantreft, een grote klokkenstoel uit 1758 waar de 6 basklokken in hangen; De grootste is Salvator (1844), daarop volgen Karel (1696), Rumoldus (1861), Sint-Jan Berchmans (1947) (was oorspronkelijk de Maria uit 1498), Magdalena (1697) en Libertus (1766); ze hebben hamers die verbonden zijn met de speeltrommel en de klepels in de klokken zijn verbonden met het beiaardvoetklavier (de pedalen), de klokken kunnen alle 6 ook luiden als de klepels eerst van de pedalen ontkoppeld worden. De luidklokken werden vroeger door de torenwachter en zijn helpers boven op de klokken met de voeten getreden om te worden geluid voor de vieringen in de kathedraal en ook in noodsituaties zoals brand of in tijd van oorlog. Er waren geen touwen en zelfs geen luidwiel naast de klok. In 1915 kreeg de grootste, de Salvator een luidwiel omdat er vanaf dat jaar elektrisch kon worden geluid. De andere klokken werden pas na 1932 elektrisch geluid. Magdalena en Libertus werden nooit met een elektra motor geluid. Iedere klok of een serie klokken had zijn eigen functie bij het luiden. In de huidige situatie worden ze alle 6 met een motor aangedreven.Het luiden van de klokken met de nieuwe motoren. Ze luiden met rechte assen. In 2011 is door de torenwachter Nick Vanhaute het gelui gerestaureerd waarbij het weer compleet luidbaar werd gemaakt, en waarbij sommige klokken van een nieuwe klepel zijn voorzien. Een deel van de luidklokken is in de loop der jaren alleen als basklok voor de beiaard in gebruik geweest maar kan nu ook weer luiden. Het dagelijks luiden van het Angelus gebeurt in de vieringtoren op het dak van de kathedraal. Het kleppen hierbij vooraf van 3 x 3 slagen, wordt in de toren gedaan. De basklokken van de oude beiaard dienen dus zowel als speelklokken dan wel als luidklokken.Het verhaal over de luidklokken van de Sint-Romboutstoren. boven de luidklokkenstoel werd in 1980 een betonen vloer gemaakt om de klokkenstoel van de oude beiaard op te plaatsen, inclusief het klavierhuis. Het instrument omvat samen met de luidklokken, 49 historische klokken. De oudste klok dateert uit 1480, terwijl de meeste klokken in 1674 gegoten zijn door Pieter Hemony in Amsterdam, als een van zijn laatste werkstukken. Vandaag wordt deze beiaard niet vaak meer met de hand bespeeldJon Lehrer uit Canada speelt hier een aantal werken op de oude beiaard de ruimte doet met de uurwerkkamer dan ook hoofdzakelijk dienst als museum. De oude Hemony-beiaard is beroemd geworden door Jef Denyn, Er bestaan enkele oude opnames van op 78 toerenplaten.Jef Denyn speelt hier de Madrigal van Flégier Jef Denyn was beiaardier, stichter en voormalig directeur van de beiaardschool van Mechelen aan het begin van de 20e eeuw. De Spoorwegen lieten speciale treinen rijden om mensen van heinde en ver naar Mechelen te brengen om deze kunstenaar te beluisteren op deze oude beiaard.