Een U-boot (afkorting voor Unterseeboot) is een Duitse onderzeeboot. Deze U-boten vormden tijdens zowel de Eerste Wereldoorlog (Kaiserliche Marine) als de Tweede Wereldoorlog (Kriegsmarine) een geducht wapen, dat door de onbeperkte duikbotenoorlog tegen de geallieerde koopvaardij de bevoorrading van het Verenigd Koninkrijk dreigde lam te leggen. Eerste U-boten miniatuur|De allereerste U-boot, the SM U 1 De Duitse grootadmiraal Alfred von Tirpitz was de drijvende kracht achter de opbouw van de Duitse Hochseeflotte waarmee hij de hegemonie van de Royal Navy wou doorbreken. In zijn bouwprogramma lag de focus op dure slagschepen en voor onderzeeërs zag hij geen plaats in zijn toekomstige vloot. Pas toen de Duitse industrie en vooral de firma Krupp zich begon toe te leggen op onderzeebootbouw en onderzeeërs exporteerde naar Keizerrijk Rusland, Koninkrijk Italië, Oostenrijk-Hongarije en Noorwegen, gaf hij met tegenzin de opdracht voor de bouw van één onderzeeër. Bij de indienststelling van de SM U 1 in december 1906 was Duitsland de laatste grote zeemacht die onderzeeërs toevoegde aan hun arsenaal.Blair, Vol I, p. 6 De SM U 1 gebruikte de toen gangbare technologie : voor onderwatervaart was er een elektromotor, die gevoed werd door batterijen. Voor bovenwatervaart was er een kerosinemotor, die veel veiliger was dan een benzinemotor maar wel van ver zichtbare dikke witte uitlaatgassen uitstootte via een schoorsteen. De kerosinemotor werd ook gebruikt om de elektromotor aan te drijven als dynamo voor het genereren van stroom om te batterijen op te laden. Tussen 1908 en 1910 werden nog veertien kerosineboten gebouwd. Pas in 1910 begon Duitsland weerom als laatste grote zeemacht, met het installeren van de meer robuuste en krachtiger dieselmotoren in onderzeeërs.Blair, Vol I, p. 7
miniatuur|Duitse U-boot U 9 (1910)
Eerste Wereldoorlog Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog waren onderzeeërs al geëvolueerd van wapens voor kustverdediging tot volwaardige oorlogsboten. Ze hadden genoeg actieradius om op volle zee te gaan en om mee te doen aan de aanvallen op koopvaardijschepen, maar praktisch gezien verhinderde het prijzenrecht dat ze koopvaarders konden aanvallen omdat ze de toen geldende regels in verband met aanhouden, inspecteren en opbrengen moeilijk konden uitvoeren. Daarom werden onderzeeërs enkel ingezet bij vlootacties en was de verwachting dat ze alleen tegen oorlogsschepen zouden opereren. Zowel Britse als Duitse onderzeeërs slaagden erin om enkele kruisers op de Noordzee tot zinken te brengen, en mede daardoor bleef een confrontatie tussen de Britse Grand fleet en de Duitse Hochseeflotte uit.
De Britten interpreteerden het prijzenrecht heel ruim en hielden ook neutrale schepen zonder contrabande tegen, wat neerkwam op een blokkade van Duitsland. Als reactie verklaarden de Duitsers vanaf 18 februari 1915 de wateren rond Groot-Brittannië tot oorlogszone en begonnen ze een onbeperkte duikbotenoorlog. Er waren maar 29 U-boten in dienst, te weinig voor een effectieve blokkade. De U-boten brachten niet genoeg schepen tot zinken en neutrale landen en vooral de Verenigde Staten protesteerden hevig tegen het tot zinken brengen van neutrale schepen. Op 7 mei 1915 bracht de U 20 het passagiersschip Lusitania tot zinken en daarbij kwamen 118 Amerikaanse burgers om. Onder druk van de Verenigde Staten werd de onbeperkte duikbootoorlog gestopt in september 1915. De meeste onderzeeërs werden naar de Middellandse Zee gestuurd, waar ze evengoed doelen vonden zonder gevaar voor Amerikaanse schepen te treffen.
In de periode dat het prijzenrecht gerespecteerd werd, ging een U-boot als volgt te werk: De U-boot patrouilleerde aan de oppervlakte varend in een hem toegewezen zone. Een onderzeeër had geen radioverbinding en opereerde alleen. Als een vrachtschip werd waargenomen voer de U-boot ondergedoken naar het schip toe en kwam dicht bij het schip boven water. Met een kanon op het dek vuurde de U-boot een waarschuwingsschot af voor de boeg. Met lichtsignalen gaf de U-bootkapitein opdracht aan de bemanning van het vrachtschip om in de reddingssloepen te gaan. Ingeval het schip neutraal was, werd het door de prijsbemanning onderzocht op contrabande. Nadat iedereen van boord was werd het schip tot zinken gebracht, soms doordat de prijsbemanning explosieve ladingen aanbracht, meestal door kanonvuur en soms lanceerde de U-boot een torpedo. De bemanning van het schip werd niet als vijandelijk gezien en altijd zo veel mogelijk gespaard. Soms nam de U-boot haar zelfs mee en zette ze over op een passerend schip van een neutraal land.
In 1916 zag het er niet naar uit dat het Duitse leger een beslissing kon forceren op het loopgravenfront, de Duitse Generale Staf drong er bij de keizer op aan om de onbeperkte duikbotenoorlog te hervatten. Er waren nu 54 onderzeeërs in dienst en daarmee kon in februari 1916 een tweede onbeperkte duikbotenoorlog van start gaan. De U-boten kregen wel beperkingen opgelegd om een tweede incident zoals dat met de Lusitania te vermijden. In twee maanden tijd brachten de U-boten 284.000 ton tot zinken. Maar dan gebeurde toch weer een incident met een passagiersschip en op 24 april 1916 werd de onbeperkte duikbotenoorlog weer stopgezet. Op 6 oktober werd de onbeperkte duikbotenoorlog hervat in de Middellandse Zee, terwijl in de Britse wateren het prijzenrecht bleef gelden. Tegen 1 februari 1917 waren 500 schepen gekelderd voor een totaal van 1.100.000 ton.
Op 1 februari 1917 werd de onbeperkte duikbootoorlog tegen het Verenigd Koninkrijk hervat. Duitsland hoopte binnen zes maanden voldoende Britse schepen vernietigd te hebben zodat het Verenigd Koninkrijk niet meer in staat zou zijn de oorlog verder te zetten. Men nam het risico op een Amerikaanse oorlogsverklaring, de Duitsers hoopten ofwel het Verenigd Koninkrijk uitgeschakeld te hebben tegen dat de Amerikanen effectief gingen deelnemen aan de oorlog, ofwel dat de U-boot vloot ook de Amerikaanse bevoorradingsschepen en troepentransporten konden tegenhouden. Op 3 februari verbrak Amerika de diplomatieke relaties met Duitsland, en in de daaropvolgende maanden leden de Britten zware verliezen aan koopvaarders. In april verklaarde Amerika ten slotte de oorlog aan Duitsland
miniatuur|In beslag genomen U 155 in 1919 te Londen
Interbellum Na de Eerste Wereldoorlog mocht Duitsland, volgens de bepalingen van het Verdrag van Versailles, geen duikboten meer hebben en lag dus ook verdere technische innovatie van de U-boot in Duitsland zelf stil maar er werd niettemin gezocht naar manieren om toch de draad weer op te pakken. In die periode werd er vooral in Nederland en het Verenigd Koninkrijk grote vooruitgang geboekt op het gebied van de onderzeeboottechniek. Om deze vooruitgang niet te missen stichtte de firma Krupp, met medeweten en financiële ondersteuning van de regering in Berlijn, in 1922 het Nederlandse Ingenieurskantoor voor Scheepsbouw (IVS). Hier werkten 40 Duitse ingenieurs aan nieuwe typen onderzeeboten. De eerste onderzeeboot werd in 1927 aan Turkije geleverd. Daarna richtte IVS zich op de productie van 'demonteerbare' onderzeeërs. De onderdelen hiervan – accu's, periscopen, dieselmotoren – werden van Nederland naar Duitsland gesmokkeld en daar in geheime opslagplaatsen bewaard. Nadat nazi-Duitsland in juni 1935 het Brits-Duits vlootverdrag had gesloten, dat aan Duitse zijde het aantal oppervlakteschepen van de marine aan strikte limieten bond, maar pariteit toestond voor wat betreft onderzeeërs, kon de Kriegsmarine aan de montage van de onderzeeërs beginnen. Al een half jaar na ingang van het vlootverdrag beschikte Duitsland over veertien inzetklare onderzeeërs.
Tweede Wereldoorlog miniatuur|Karl Dönitz was in de Eerste Wereldoorlog een onderzeebootkapitein en in de Tweede Wereldoorlog de commandant van alle Duitse onderzeeërs Hitler besefte al snel dat hij de oorlog alleen zou kunnen winnen wanneer hij een land als het Verenigd Koninkrijk economisch kon ondermijnen. Als de bevoorradingslijnen van een land konden worden afgesneden, zou daardoor de economie ontwricht raken. Zo'n land kwam dan zonder voldoende grondstoffen, wapens, munitie, voeding en brandstoffen te zitten en zou de oorlog uiteindelijk niet vol kunnen houden. Daarom moesten Duitse oorlogsschepen zo veel mogelijk vijandelijke koopvaardijschepen uitschakelen. Dit hadden de Duitsers overigens zelf ook ondervonden in de Eerste Wereldoorlog: de toenmalige blokkade van de Duitse havens door de geallieerde tegenstanders was zeer effectief en de resulterende tekorten aan voedsel en grondstoffen waren een belangrijke factor in het Duitse verlies van deze oorlog.
Aanvalstactieken In de Tweede Wereldoorlog voeren de meeste koopvaarders in grote konvooien die begeleid werden door oorlogsschepen. De Kriegsmarine besloot daarom tot de zogeheten Rudeltaktik (Engels: Wolfpack). U-boten vormden patrouille linies om naar konvooien te zoeken. Als een konvooi was gevonden, werd gewacht met aanvallen tot voldoende onderzeeërs zich rond het konvooi verzameld hadden. De aanval werd dan 's nachts uitgevoerd, waarbij de U-boten boven water bleven varen. Door hun laag silhouet waren zij onzichtbaar voor de vijand terwijl zijzelf met gemak hun doelen konden uitkiezen. Koopvaarders die te snel of te traag waren voor een konvooi voeren alleen. De koopvaardijschepen werden bewapend om U-boten te kunnen afweren wanneer die een waarschuwingsschot afvuurde. Daardoor werden de U-boten gedwongen hun beperkte voorraad torpedo's te gebruiken en konden ze minder slachtoffers maken.miniatuur|U-boot in onderhoud in een U-bootbunker
U-bootbases en U-bootbunkers miniatuur|De bouw van de U-bootbunker te La Pallice vlak bij La Rochelle miniatuur|U-bootbasis in Saint-Nazaire Na de verovering van Frankrijk en Noorwegen in 1940 namen de Duitsers diverse havens in dienst als U-boot basis. Alle Franse Atlantische havens en de Noorse havens lagen binnen het bereik van Britse bommenwerpers. Om deze bedreiging te elimineren werden vanaf 1941 onderzeebootbunkers gebouwd door de Organisation Todt. Om deze gigantische structuren te bouwen zetten de Duitsers zo'n 300.000 dwangarbeiders en gevangenen in, die aangevoerd werden vanuit heel Europa. Sommige van deze bouwwerken staan er nu nog steeds, omdat het te veel kost om ze af te breken. In 1941 werd begonnen met de bouw van bunkers in : Frankrijk (5): Bordeaux, Brest, La Rochelle/La Pallice, Lorient en Saint-Nazaire. In Saint-Nazaire werden ook de Italiaanse Atlantische onderzeeërs van BETASOM gestationneerd. Noorwegen (2): Bergen en Trondheim Duitsland (2): Kiel en Helgoland.