Elasmosaurus is een prehistorisch vleesetend zeereptiel, een geslacht van uitgestorven plesiosauriërs dat gedurende het Laat-Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

Het eerste fossiel van dit dier werd in 1867 gevonden in Kansas. Het geslacht kreeg in 1868 zijn naam, die zoiets als "dunne plaat-sauriër" betekent, toen de typesoort Elasmosaurus platyurus benoemd werd door de beroemde paleontoloog Edward Drinker Cope. In de jaren daarna zouden nog eens eenentwintig soorten benoemd worden. Die werden later allemaal of eigen geslachten of als ongeldige soorten beschouwd zodat Elasmosaurus platyurus nu als enige nog erkend wordt.

Cope had eerst een heel fout beeld van het dier want hij zette de schedel op de punt van de staart. Ook nadat die beruchte fout hersteld was, bleef de kennis van de bouw beperkt doordat bepaalde delen van het skelet nooit gevonden zijn. Alleen op de oorspronkelijke vindplaats zijn beenderen van Elasmosaurus gevonden. Door vergelijking met andere plesiosauriërs is de algemene bouw toch vrij duidelijk.

Elasmosaurus werd ruim tien meter lang. Daarvan maakte de nek zo'n zeven meter uit. Het aantal halswervels bedroeg tweeënzeventig, wat lange tijd een record was onder alle bekende gewervelde dieren. Met de vrij kleine kop die lange scherpe tanden droeg, ving hij vissen en inktvissen. Vier langwerpige vinnen stuwden het dier voort in een "vliegende" beweging.

Elasmosaurus behoorde met nog twee dozijn langnekkige plesiosauriërs tot de Elasmosauridae.

Ontdekkingsgeschiedenis Elasmosaurus platyurus Begin 1867 vonden de legerarts Theophilus Hunt Turner en de verkenner William Comstock drie wervels in een ravijn bij Fort Wallace in Kansas, waar ze gelegerd waren om de aanleg van de Union Pacific Railroad te beschermen.Everhart, M.J. 2017. "Captain Theophilus H. Turner and the Unlikely Discovery of Elasmosaurus platyurus". Transactions of the Kansas Academy of Science. 120(3–4): 233–246. Turner gaf die in juni aan de wetenschapper John LeConte, werkzaam bij de geologische survey van de spoorweg. In december nam die de fossielen mee naar Philadelphia en liet ze zien aan de paleontoloog Edward Drinker Cope die ze herkende als resten van plesiosauriërs. Cope vroeg Turner om de rest van het fossiel te bergen op kosten van de Academy of Natural Sciences.

Turner borg die maand nog eens 360 kilogram aan fossielen die via paard-en-wagen (over 120 kilometer) en uiteindelijk de trein naar het oosten vervoerd werden.Davidson, J.P. & Everhart, M.J. 2017. "Scattered and Shattered: A Brief History of the Early Methods of Digging, Preserving and Transporting Kansas Fossils". Transactions of the Kansas Academy of Science. 120(3–4): 247–258 In maart 1868 kwamen ze bij Cope aan. Deze ontdekte bij een haastige studie van het skelet dat het fossiel inderdaad een plesiosauriër was, maar concludeerde dat die een ongewoon lange staart, korte nek en vreemde wervels had. Daarbij leek het dier geen achterpoten te hebben. Een eerste gedachte dat het om twee soorten zou kunnen gaan, verliet hij al snel. Dezelfde maand nog benoemde hij de soort Elasmosaurus platyurus. De geslachtsnaam betekent "dunne plaat-sauriër", een verwijzing naar de platte gordelplaten die alle plesiosauriërs bezitten. De soortaanduiding betekent "met de platte staart" want Cope meende dat de staartwervels afwijkend waren afgeplat. Cope schreef Turner dat die moest proberen nog meer van het skelet te vinden en in augustus of september stuurde die aanvullende botten op. Ze vertegenwoordigden toen de belangrijkste paleontologische vondsten die ooit in Kansas waren gedaan en een van de weinige bekende plesiosauriërs uit Amerika.

In 1869 publiceerde Cope een meer gedetailleerde beschrijving van Elasmosaurus platyurus, vergezeld van illustraties, in de Proceedings of the Boston Society of Natural History. Omdat de meeste plesiosauriërs lange nekken en korte staarten hadden, creëerde hij een nieuw taxon, de Streptosauria (streptos = achterstevoren). Cope had echter de wervelanatomie verkeerd begrepen en had het hoofd geplaatst op het puntje van de staart en de nek voor de staart aangezien. Toen zijn vriend Othniel Charles Marsh hem op de hoogte bracht van deze beschamende fout, corrigeerde Cope die en probeerde hij alle kopieën van de oorspronkelijke beschrijving op te kopen.Davidson, J.P. 2002. "Bonehead mistakes: The background in scientific literature and illustrations for Edward Drinker Cope's first restoration of Elasmosaurus platyurus". Proceedings of the Academy of Natural Sciences of Philadelphia. 152(1): 215–240 Deze gebeurtenis wordt vaak gezien als de belangrijkste reden voor de rivaliteit tussen de twee paleontologen, bekend als de 'Bone Wars', die duurde tot de dood van Cope in 1897.Storrs, G.W. 1984. "Elasmosaurus platyurus and a page from the Cope-Marsh war". Discovery. 17(2): 25–27 Uiteindelijk hing het skelet met het hoofd aan de rechterkant in de zalen van de Academy of Natural Sciences in Philadelphia. Leidy maakte echter in maart 1870 Copes fout openbaar. Volgens Cope was de volgorde van de gebeurtenissen overigens andersom: eerst zou Leidy gepubliceerd hebben, toen corrigeerde hij zijn artikel, maar Marsh zou een oude kopie te pakken hebben gekregen en daarmee Cope steeds hebben bespot. Hij stelde daarnaast dat hij misleid was doordat Leidy zelf in diens beschrijving van Cimoliasaurus de wervels ook fout had georiënteerd. Verder verwierp hij de conclusie van Leidy dat Elasmosaurus een jonger synoniem was van Discosaurus.

Cope vermeldde nergens de rol van Turner die op 27 juli 1869 was overleden en het zou tot 1987 duren dat die duidelijk werd toen diens correspondentie boven water kwam.

Het holotype is specimen ANSP 10081, gevonden in een laag van de Pierre Shale die dateert uit het Campanien, 80,5 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een skelet met schedel van een volwassen individu. Het omvat fragmenten van de schedel waaronder de praemaxilla en het rechterbovenkaaksbeen, de symfyse van de onderkaken, tweeënzeventig halswervels en eenendertig overige wervels, waaronder drie borstwervels, zes ruggenwervels, vier sacrale wervels en achttien staartwervels, en ribben. Verschillende ruggenwervels ontbreken. Het skelet bewaarde oorspronkelijk ook schoudergordel en bekken. Deze werden vermoedelijk, op het moment dat er afgietsels van zouden worden gemaakt, op 3 mei 1871 vernietigd door criminelen die de corrupte politicus Henry Hilton had ingehuurd om te voorkomen dat Waterhouse Hawkins in Central Park nog zijn Paleozoic Museum zou realiseren. Hilton dacht namelijk meer geld te verdienen aan de oprichting van het American Museum of Natural History en had Hawkins met zijn spullen al verbannen naar een schuur, maar merkte dat de Britse beeldhouwer bleef ijveren voor een herstart van zijn project. Anders dan lange tijd werd beweerd, had een andere politicus, William Tweed, er vermoedelijk niets mee te maken en was creationisme ook geen motief.Coules, Victoria & Benton, Michael J. 2023. "The curious case of Central Park's dinosaurs: The destruction of Benjamin Waterhouse Hawkins' Paleozoic Museum revisited". Proceedings of the Geologists' Association. 134(3): 344–360

Cope verwaarloosde het holotype na 1870 en er gebeurde dertig jaar lang niets mee. Na de opstelling in het ANSP als gerestaureerd skelet werd het onttakeld en in stukken plat bewaard. In 1986 maakte het museum een skeletmodel waarvan later het bedrijf Triebold Paleontology Incorporated commerciële kopieën zou maken die tegenwoordig in vele musea te zien zijn.

In 1871 deed Benjamin Franklin Mudge opnieuw opgravingen, maar wat hij daarbij vond, ging weer verloren. In 1954, 1991, 1994 en 1998 werden op de vindplaats ruggenwervels, ribben, buikribben en gastrolieten aangetroffen, de specimina FHSM VP-398, KUVP 129744 en CMC VP6865. Die overlappen niet met het holotype waaruit Michael J. Everhart in 2005 concludeerde dat ze daartoe behoorden.Everhart, M.J. 2005. "Elasmosaurid remains from the Pierre Shale (Upper Cretaceous) of western Kansas. Possible missing elements of the type specimen of Elasmosaurus platyurus Cope 1868?". PalArch's Journal of Vertebrate Palaeontology. 4(3): 19-32 In 2007 stelden Leslie Noè en Marcela Gómez-Pérez dat daarvoor geen dwingend bewijs was.Noè, L.F. & Gómez–Pérez, M. 2007. "Postscript to Everhart, M.J. 2005. "Elasmosaurid remains from the Pierre Shale (Upper Cretaceous) of western Kansas. Possible missing elements of the type specimen of Elasmosaurus platyurus Cope 1868?". PalArch's Journal of Vertebrate Palaeontology 4(3) 19–32" PalArch's Journal of Vertebrate Palaeontology 2(1) In 2005 publiceerde Sven Sachs een moderne beschrijving van de anatomie van Elasmosaurus. In 2013 meldde hij in het depot van het ASNP nog een extra halswervel te hebben aangetroffen, de tweeënzeventigste. Elasmosaurus was toen nog recordhouder binnen de hele Vertebrata wat betreft het aantal wervels in de nek.Sachs, S.; Kear, B.P. & Everhart, M. 2013. "Revised vertebral count in the "longest-necked vertebrate" Elasmosaurus platyurus Cope 1868, and clarification of the cervical-dorsal transition in Plesiosauria". PLOS ONE. 8(8): e70877

Al die tijd waren nergens andere exemplaren van Elasmosaurus aangetroffen, maar in 2017 meldde Sachs de vondst bij Kronsmoor in Sleeswijk-Holstein van een fragmentarisch specimen, Namu ES/kro 36084, voornamelijk bestaande uit wervels en gastrolieten die verspreid zijn geraakt tussen het Naturkunde-Museum Bielefeld, de Universiteit van Hamburg en privécollecties. Hij classificeerde het als Elasmosauridae gen. et sp. indet.; de resten waren te onvolledig om het aan Elasmosaurus toe te wijzen.Sachs, S. & Ladwig, J. 2017. "Reste eines Elasmosauriers aus der Oberkreide von Schleswig-Holstein in der Sammlung des Naturkunde-Museums Bielefeld". Berichte des Naturwissenschaftlichen Vereins für Bielefeld und Umgegend. 55: 28–36 Het was op 3 maart 1996 gevonden door Joachim Ladwig.LadWig, J. 1997. "Mosasaurierreste aus Schleswig Holstein". Fossilien 1997(6): 358–362

Andere soorten

Tegelijk met zijn tweede beschrijving van Elasmosaurus platyurus benoemde Cope nog twee soorten binnen dat geslacht. De eerste was Elasmosaurus orientalis, "de oostelijke", gebaseerd op twee wervels gevonden in New Jersey, de ene gebruikt als deurstopper bij een kleermaker, de andere in een kuil gevonden door de schoolopziener Samuel Lockwood. Al in 1870 erkende Cope dat de plaatsing in het geslacht wel eens onjuist zou kunnen zijn en dat de nek wellicht kort was.Cope, E.D. 1870. "Additional note on Elasmosaurus". American Journal of Science. 2. 50: 268–269 Tegenwoordig wordt de soort gezien als een nomen dubium.

De tweede soort was Elasmosaurus constrictus, een hernoeming van Plesiosaurus constrictus Owen 1850. Deze soort, "de ingesnoerde", was gebaseerd geweest op een wervel gevonden in lagen uit het Turonien bij Steyning, in Sussex. Richard Owen was de extreme insnoering van het wervellichaam opgevallen die hij interpreteerde als een gevolg van vervorming van het fossiel hoewel hij niet kon verklaren wat daarvan het mechanisme was.Owen, R. 1850. "Order – Enaliosauria". A History of British Fossil Reptiles. Vol. 1. London: Cassell & Company Ltd. pp. 215–217 Cope zag de insnoering als authentiek. Zelf gaf hij al toe dat de plaatsing in Elasmosaurus onzeker was. Tegenwoordig wordt de vondst gezien als elasmosauride, maar niet verder determineerbaar.