miniatuur|Cobra-lid Karel Appel brengt in Rotterdam een muurschildering aan voor de Manifestatie E55
De Cobra-groep was van 1948 tot 1951 een avant-gardebeweging van kunstenaars uit Denemarken, België en Nederland. De beweging werd op 8 november 1948 opgericht in het Café Notre-Dame in Parijs. De naam CoBrA is een acroniem van de hoofdsteden waar de oprichtende leden vandaan komen: Copenhague, Bruxelles en Amsterdam. Dit in het Frans, want dat was de voertaal van de beweging.cobra in de hermitage: the past of the present, Stedelijk Museum Amsterdam, 2003. Gearchiveerd op 14 juni 2023.Cobra, The Museum of Modern Art New York Het was de belangrijkste internationale avant-gardebeweging in de kunst van Europa direct na de Tweede Wereldoorlog.
Een aantal van haar schilderende leden, zoals de Belg Pierre Alechinsky, de Denen Asger Jorn en Carl-Henning Pedersen, de Zweed Uno Vallman en de Nederlanders Karel Appel, Constant en Corneille verwierven grote internationale bekendheid. De werkwijze en de maatschappelijke ideeën van deze groep zouden zich na 1951 verder ontwikkelen en een lange nawerking hebben in vele Europese landen.
Ledenlijst van weleer Constant Nieuwenhuijs (1920-2005) Karel Appel (1921–2006) Pierre Alechinsky (1927) Else Alfelt (1910–1974) Jean-Michel Atlan (1913–1960) Ejler Bille (1910–2004) Pol Bury (1922–2005) Jacques Calonne (1930-2022) Hugo Claus (1929–2008) Corneille (1922–2010) Jacques Doucet (1924–1994) Lotti van der Gaag (1923–1999) William Gear (1915–1997) Stephen Gilbert (1910–2007) Svavar Guðnason (1909–1988) Henry Heerup (1907–1993) Edouard Jaguer (1924–2006) Asger Jorn (1914–1973) Aart Kemink (1914–2006) Lucebert (1924–1994) Ernest Mancoba (1904–2002) Sonja Ferlov (1911–1984) Jørgen Nash (1920–2004) Christian Dotremont (1922-1979) Jan Nieuwenhuys (1922–1986) Erik Ortvad (1917–2008) Pieter Ouborg (1893–1956) Carl-Henning Pedersen (1913–2007) Jean Raine (1927-1986) Bert Schierbeek (1918–1996) Max Walter Svanberg (1912–1994) Theo Wolvecamp (1925–1992) Uno Vallman (1913–2004) Serge Vandercam (1924–2005)
Pas begin jaren zestig van de twintigste eeuw, toen enige voormalige Cobra-leden zich internationaal begonnen te profileren, waarbij zo nu en dan de term 'Cobra' viel, kreeg ook de beweging als zodanig meer bekendheid, zonder dat men nu precies wist wat zij inhield. Haar geschiedenis werd sindsdien uit het meest recente verleden opgediept.
Werkwijze en maatschappijvisie (revolutionaire kunstpolitieke ideeën) De Cobra-kunstenaars wensten in hun werk een vrije, spontane uitdrukkingswijze te bereiken, waarbij zij terug wilden keren naar de bron van het scheppen. Zij lieten zich daarbij niet alleen inspireren door tekeningen en schilderijen van kinderen en geesteszieken, maar ook door het eigen handschrift als meest persoonlijke uiting en, daarop aansluitend, door oosterse kalligrafie. Daarnaast zagen zij de in het begin van de 20e eeuw werkende schilders Pablo Picasso, Paul Klee, Joan Miró en Wassily Kandinsky als hun grote voorgangers in de moderne kunst.
Met hun spontane werkwijze en beïnvloed door de ideeën van Karl Marx richtten de theoretici van de groep, Jorn, Dotremont en Nieuwenhuys, zich op een nieuwe maatschappij, waarin de kunst niet alleen vóór iedereen zou zijn, maar ook dóór iedereen zou worden gemaakt. Wanneer eenmaal de esthetische normen van de klassenmaatschappij zouden zijn afgeworpen, zou de natuurlijke drang tot expressie los kunnen breken en een alomvattende volkskunst doen opbloeien. Kunst en leven zouden één worden.Constant, Manifestin Reflex, orgaan van de Experimentele Groep in Holland, no. I, Amsterdam: september–oktober 1948, en no. II, Amsterdam: februari 1949, pp20–29
Ook het surrealisme was van fundamentele betekenis voor Cobra, hoewel men zich daar tevens tegen afzette. Zo bracht Jorn in het eerste nummer van Cobra onder meer naar voren, dat Cobra het psychisch automatisme van het surrealisme zou verruilen voor 'experiment en spontaniteit'.Asger Jorn, 'Discours aux pingouins', Cobra no. 1, maart 1949, Kopenhagen, p.8
Voor hun werkwijze, waarin zij zich overgaven aan het materiaal dat zij onder handen hadden, vonden sommigen een bevestiging in de theorieën van de Franse filosoof-psycholoog Gaston Bachelard die de vier oerelementen - vuur, lucht, water, aarde – als de grote bron voor de menselijke inspiratie had aangewezen.
De theoretici van Cobra meenden met die werkwijze én vanuit hun marxistische visie, de weg te openen voor de kunst van een komende maatschappij. Daarin zou iedereen in de gelegenheid zijn zich creatief te uiten, waardoor er een nieuwe volkskunst zou ontstaan. Hoewel de theoretici van de groep daar tegen waren, ontstond er binnen de kern van deze multidisciplinaire groep, vooral bij de schilders, door onderlinge beïnvloeding een Cobrataal of -stijl. Deze 'taal' ontwikkelde zich ook na het beëindigen van de beweging verder en had grote internationale invloed. Ook de idealistische maatschappelijke denkbeelden van Cobra vonden een voortzetting in weer nieuwe bewegingen.
Beginfase met snelle verspreiding en lange nawerking De beweging werd opgericht in Parijs op 8 november 1948 met de ondertekening van het pamflet La cause était entendue. Mede door zware ziekte van zowel Jorn als Dotremont (beiden lagen met tuberculose in het sanatorium) kwam er reeds in 1951 een einde aan de internationale bijeenkomsten van deze kunstenaars. Echter niet enkel door ziekte maar ook door onderlinge ruzies en doordat de ideeën van deze beweging algemene ingang vonden en daarmee de revolutionaire bedoeling van de groep teniet werd gedaan. Toch had Jorn in Kopenhagen al Else Alfelt, Ejler Bille, Egill Jacobsen, Henry Heerup, Carl-Henning Pedersen en de schrijver Jørgen Nash onder Cobra samengebracht.
Het Deense tijdschrift Helhesten had die kunstenaars al bijeengebracht tijdens de oorlogsjaren. Ook sloten de Deense schilders Erik Ortvad en Mogens Balle zich toen al, samen met de schrijver Uffe Harder, bij Cobra aan.
In Brussel deden Dotremont en Joseph Noiret een beroep op hun surrealistisch-revolutionaire vrienden: de schrijver Marcel Havrenne en de schilders Pierre Alechinsky, Pol Bury, Louis Van Lint, de etnoloog Luc de Heusch en de musicus Jacques Calonne. De dichter Jean Raine werkte mee aan het Cobra-tijdschrift, aan de film Perséphone uit 1951 en aan de IIe Internationale tentoonstelling in datzelfde jaar in Luik.
In Amsterdam vonden Anton Rooskens, Jan Nieuwenhuys, Constant Nieuwenhuys, Eugène Brands, Lucebert en Theo Wolvecamp elkaar en sloten zich kort daarop al aan bij Cobra. Zo kreeg Wolvecamp vroeg in 1948 contact met Corneille en Appel in Amsterdam, en werd hij door hen uitgenodigd om mee te doen met de tentoonstelling 'Schilders onder de Dertig', in Arti et Amicitiae, waar ook de werken hingen van genoemde schilders. Kort daarop zochten ze elkaar op; Wolvecamp vertelde later: 'Appel kwam op een dag naar me toe en zei: 'Je moet bij Constant thuis komen want we hebben een vergadering. We willen een groep oprichten van gelijkgerichte jongens.' In het najaar van 1948 werd de Experimentele groep opgericht. Later is Eugène Brands er bijgekomen' uit 'Interview met Theo Wolvecamp door Leo Duppen' in Kunstbeeld, 1984-85; 9e jaargang nr. 3
De beweging werd nog aangevuld met de Duitse kunstschilder Karl Otto Götz en zijn "Meta"-vrienden, de Japans-Amerikaanse sculpteur Shinkichi Tajiri, de Engelse schilder Stephen Gilbert, de Franse schilders Jean-Michel Atlan en Jacques Doucet en de schrijvers Édouard Jaguer en Michel Ragon.
De kunstenaars van Cobra keerden zich vooral tegen elk esthetiserend academisme dat te zeer het intellectualisme benadrukte. Vandaar het voor de hand liggende tegengestelde: vorm, lijn en kleur zijn de weergave van een puur spontane actie waarbij de aanhangers niet aarzelden terug te grijpen op de zogenoemde primitieve kunst, zoals kindertekeningen en wat tegenwoordig outsider art wordt genoemd. In deze drie kunstuitingen zagen zij een overeenkomstige spontaniteit vanuit het naïeve karakter, naïef in de zin van ongeschoold, onwetend. De nauwelijks voorbije oorlog had daarbij, bij de meesten, een marxistisch bewustzijn teweeggebracht.
Voorgeschiedenis Denemarken (Co-penhagen) De kiemen van Cobra liggen in Denemarken, waar al in de jaren dertig een verlangen opkwam naar een directe, spontane uiting in de schilderkunst vanuit het onbewuste. Onder aanvoering van de kunstenaar-theoreticus Ejler Bille ontstond er in 1934 een breuk in de in datzelfde jaar opgerichte surrealistische groep Linien, waarbij hij en zijn aanhangers zich afkeerden van het ‘orthodoxe surrealisme’ dat in een deel van de groep de boventoon voerde. Tegen 1939 leidde deze breuk in de kring rond Bille tot een spontaan expressionistische schilderwijze, waarvoor het Duitse expressionisme van grote betekenis was.
Het was Egill Jacobsen, die zich, na een reeks op het werk van Picasso geïnspireerde masker-schilderijen, eind 1938 in zijn werk Obhobning (Opeenstapeling) plotseling volledig overgaf aan de verf, die hij liet druipen en spatten. Dit betekende een belangrijke impuls voor de kunstenaars uit deze kring die elk op eigen wijze de spontaniteit bevochten. Tot hen behoorden de schilders Carl-Henning Pedersen, Else Alfelt, Asger Jorn en de beeldhouwer-schilder Henry Heerup, voorts de meer bedachtzaam werkende beeldhouwers Sonja Ferlov en Erik Thommesen, terwijl wat later ook de schilder Erik Ortvad en de IJslandse schilder Svavar Gudnason zich bij hen zouden voegen. Ook de zwarte Zuid-Afrikaanse schilder Ernest Mancoba, die in 1942 in Parijs met Ferlov trouwde, kan tot hen gerekend worden. Deze kunstenaars, die allen in meerdere of mindere mate deel hebben genomen aan Cobra, en die om de fantasiewezens die in het werk van een aantal van hen ontstonden ook wel ‘mythe scheppende kunstenaars’ werden genoemd,Met name door de schilder Niels Lergaard, in 'Mythen' in Helhesten, jrg.1, no.3, 17-9-1941 exposeerden sinds 1940 in de tentoonstellingsvereniging Høst (Oogst). Zij werden daarom ook wel als ‘de Høst-groep’ beschouwd. Ook raakten enkele schrijvers bij hun groep betrokken, onder andere Jørgen Nash (broer van Asger Jorn) en Uffe Harder.
Asger Jorn nam het initiatief tot de uitgave van een tijdschrift onder de naam Helhesten (Het Hellepaard, 1941-1944), waarvoor de surrealistische tijdschriften Cahiers d’Art en Minotaure het grote voorbeeld waren. In Helhesten kwamen in feite al alle onderwerpen aan bod die later in Cobra van belang zouden worden, zoals de kindertekening, etnische kunst en het werk van Paul Klee. In hun teksten zowel in dit tijdschrift als in de Høst-catalogi, komt men ook het ideaal tegen dat zij koesterden van een vrije creativiteit voor iedereen met als gevolg een nieuwe volkskunst. Al gedurende de oorlog en vlak daarna kwamen deze kunstenaars er ook toe gezamenlijk wanden te beschilderen, wat even later bij uitstek een kenmerk zou worden van de Cobra-beweging.
Na de bevrijding was het Jorn die de behoefte voelde om de bijzondere ontwikkeling in de Deense moderne kunst naar buiten te brengen en contact te zoeken met kunstenaars in andere landen. Met het plan een internationaal tijdschrift tot stand te brengen reisde hij in 1946 naar Parijs waar hij in het najaar de Nederlandse schilder Constant Nieuwenhuys ontmoette. In de loop van 1947 kwam hij daar ook in contact met de Belgische dichter Christian Dotremont.
België (Br-ussel)