thumb|Protesten op het Binnenhof in 1972 tegen de mogelijke vrijlating van de Drie van Breda De Vier van Breda (vanaf 1966 de Drie van Breda en vanaf 1979 de Twee van Breda) waren de laatste vier Duitse oorlogsmisdadigers die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland gevangenzaten. De groep bestond uit Franz Fischer, Ferdinand aus der Fünten, Joseph Kotalla en Willy Lages. Ze waren in de jaren 1950 overgeplaatst naar de Koepelgevangenis in Breda, waaraan hun collectieve naam is ontleend.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelden Lages, Aus der Fünten en Fischer een sleutelrol in de deportaties van Joden uit Nederland. Kotalla was plaatsvervangend hoofd van Kamp Amersfoort. De Vier van Breda werden aanvankelijk ter dood veroordeeld, maar in 1951-1952 werden hun straffen omgezet in levenslange gevangenisstraf. Ze waren vervolgens de enige Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland die niet voor 1961 werden vrijgelaten.
In de daaropvolgende decennia werden er pogingen ondernomen om hen vrij te krijgen. De West-Duitse regering steunde deze inspanningen. De gratieverzoeken vielen samen met een toenemend bewustzijn van de Tweede Wereldoorlog en de psychologische impact op slachtoffers in Nederland. Verschillende ministers van Justitie wezen de verzoeken af, nadat voorstellen tot vrijlating hadden geleid tot publieke protesten en emotionele debatten in het parlement. De controverse bereikte een hoogtepunt in 1972.
De straf van Lages was in 1966 om medische redenen afgebroken en hij overleed vijf jaar later in West-Duitsland. Kotalla stierf in 1979 in de gevangenis. In 1987 werden Aus der Fünten en Fischer de laatste Duitse oorlogsmisdadigers in Europa die sinds 1945 onafgebroken gevangen zaten. Op 27 januari 1989 kregen zij na ruim 43 jaar gevangenschap gratie. Ze werden het land uitgezet en stierven later dat jaar in West-Duitsland.
Misdaden en vonnissen De Vier van Breda behoorden tot de ongeveer 240 Duitsers die na de oorlog in Nederland werden berecht voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, als onderdeel van de bijzondere rechtspleging. Achttien Duitsers, waaronder de Vier van Breda, werden ter dood veroordeeld, een straf die Nederland voor de bijzondere rechtspleging herinvoerde.
Franz Fischer miniatuur|rechtop|Franz Fischer Franz Fischer (geboren 1901) werd in november 1940 overgeplaatst naar het in Den Haag. Hoewel Wilhelm Zoepf het hoofd was, was Fischer in de praktijk dagelijks verantwoordelijk voor de deportatie van 13.000 Joden en het opsporen van ondergedoken Joden. Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde hem op 17 maart 1949 tot een levenslange gevangenisstraf. Het gerechtshof zag af van de doodstraf, omdat zijn persoonlijkheidsstoornis zijn verantwoordelijkheid verminderde en zijn antisemitische overtuigingen voortkwamen uit langdurige blootstelling aan propaganda. De Bijzondere Raad van Cassatie vernietigde dit oordeel op 12 juli 1950 en veroordeelde hem ter dood.
Willy Lages miniatuur|links|Willy Lages met zijn advocaat tijdens zijn proces op 19 juli 1949 Willy Lages (geboren in 1901) werd na de Februaristaking in 1941 hoofd van het Amsterdamse kantoor van de en de in Amsterdam, evenals hoofd van het Centraal bureau voor Joodse emigratie in Amsterdam. Hij was verantwoordelijk voor anti-Joodse maatregelen, waaronder razzia's en deportaties van 70.000 Joden. Hij was betrokken bij executies, waaronder van Hannie Schaft en binnen . Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde hem op 20 september 1949 ter dood, wat de Bijzondere Raad van Cassatie op 12 juli 1950 bevestigde.
Ferdinand aus der Fünten Ferdinand aus der Fünten (geboren in 1909) trad in september 1941 toe tot het Centraal bureau voor Joodse emigratie in Amsterdam. Hij werd uiteindelijk plaatsvervangend hoofd onder Lages, waardoor hij dagelijks verantwoordelijk was voor de deportaties in Amsterdam. Hij was betrokken bij de ontruiming van verschillende instellingen, waaronder Het Apeldoornsche Bosch. Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde hem in december 1949 tot levenslange gevangenisstraf, maar de Bijzondere Raad van Cassatie vernietigde dit oordeel op 12 juli 1950 en veroordeelde hem ter dood.
Joseph Kotalla miniatuur|Joseph Kotalla (tweede van links op de voorste rij) tijdens zijn proces op 16 november 1948 Joseph Kotalla (geboren in 1908) werd in februari 1941 aangesteld als bewaker in de Politiegevangenis in Scheveningen. In september 1941 werd hij overgeplaatst naar Kamp Amersfoort als straf voor het mishandelen van een gevangene in een cel. Desondanks maakte Kotalla carrière in het kamp en begin 1943 werd hij hoofd van de administratie en de facto plaatsvervangend commandant. Door zijn harde en gewelddadige behandeling van gevangenen kreeg hij de bijnaam 'Beul van Amersfoort'. Hij was betrokken bij 78 executies. Zowel het Bijzonder Gerechtshof als de Bijzondere Raad van Cassatie veroordeelde hem ter dood.
Omzetting in levenslange gevangenisstraf (1951-1952) Ondanks de publieke steun voor de doodstraf, vreesde het kabinet-Schermerhorn-Drees dat te veel executies een negatieve impact op de samenleving zouden hebben. In februari 1946 nam het kabinet geheime richtlijnen voor gratie aan. Hierin stond welke categorieën veroordeelden in aanmerking kwamen voor gratie of executie. In januari 1947 voegde minister van Justitie Johannes Henricus van Maarseveen van de Katholieke Volkspartij (KVP) de meest ernstige Duitse oorlogsmisdadigers toe als een categorie die in aanmerking kwam voor executie. Het ruimere gratiebeleid kreeg kritiek van de rechterlijke macht, koningin Wilhelminadie in 1947 tijdelijk weigerde haar handtekening onder gratieverleningen te zettenen verschillende partijen in het parlement.
Duitse steun Ondertussen ontstond in West-Duitsland een lobby voor oorlogsmisdadigers, die eufemistisch 'krijgsgevangenen' werden genoemd. Het initiatief hiervoor kwam van de kerken. In het geval van de Vier van Breda was dit voornamelijk de protestantse kerk. Aan de kerken gelieerde organisaties boden juridische bijstand. Vanaf 1948 subsidieerde de overheid de bijstand. Met name de kerkvoorzitter van de Evangelische Kerk van de Palts, Hans Stempel, was actief. Hij bezocht de gevangenen met Kerstmis 1951 en behartigde hun belangen. In maart 1952 protesteerde Otto Dibelius, voorzitter van de Evangelische Kerk in Duitsland, in een brief aan de Nederlandse premier Willem Drees tegen de doodstraffen. Hij vroeg om omzetting naar levenslange gevangenisstraf.
In 1949 richtte de West-Duitse regering de (Centraal Bureau voor Rechtsbijstand) op om de rechtsbijstand aan Duitse gevangenen in het buitenland te coördineren. De West-Duitse regering probeerde de uitvoering van de doodstraf te voorkomen. Op 25 maart 1950 vroeg de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer (CDU) de voorzitter van de Geallieerde Hoge Commissie, André François-Poncet, om de Nederlandse regering te verzoeken af te zien van de doodvonnissen. Via diplomatieke kanalen bleef de West-Duitse regering de daaropvolgende decennia de vrijlating van de Duitse oorlogsmisdadigers aankaarten.
Als derde beweging ontstond er in West-Duitsland een lobby van "oude kameraden" die zich inspande voor de vrijlating van Duitse gevangenen. De grootste groep was (Verbond van thuisgekeerden, krijgsgevangenen en nabestaanden van vermisten van Duitsland, VdH). Ze vroegen bij het publiek en de overheid aandacht voor Duitse gevangenen in Nederland en leden riepen op tot een boycot van Nederlandse producten. De spande zich eveneens in voor vrijlating, maar was tevens een ontmoetingsplek voor voormalige hoge SS-officieren. Ook kerkvoorzitter Stempel was hier vanaf 1952 bestuurslid. De HIAG, die uitsluitend uit oud-Waffen-SS'ers bestond, zette zich eveneens in voor vrijlating.
Fischer en Aus der Fünten thumb|Ferdinand aus der Fünten tijdens zijn proces op 13 december 1949 In 1948 volgde Juliana haar moeder op als koningin. Juliana had gewetensbezwaren tegen de doodstraf en weigerde enkele gratieverzoeken af te wijzen, ondanks aandringen vanuit het kabinet. Minister van Justitie Teun Struycken (KVP) bereikte een compromis met Juliana. De doodstraf werd alleen uitgevoerd als zowel het eerste proces bij het hof als de cassatie resulteerden in een doodvonnis. Als gevolg hiervan werden de straffen van Aus der Fünten en Fischer in januari 1951 omgezet in levenslange gevangenisstraf, terwijl Julius Herdtmann werd geëxecuteerd.
De omzetting riep verontwaardiging op, met name onder het voormalig Nederlandse verzet en Joodse organisaties. Op 22 mei 1951 interpelleerde Kamerlid Benno Stokvis van de Communistische Partij van Nederland de opvolger van Struycken, Hendrik Mulderije van de Christelijk Historische Unie (CHU), over het gratiebeleid. Stokvis bekritiseerde samen met de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de CHU het beleid. Een grote meerderheid, geleid door KVP en Partij van de Arbeid (PvdA), verzette zich tegen een motie van Stokvis om de gratieregels te publiceren. Een meerderheid steunde echter een motie van Leen Donker (PvdA), waarin de Kamer zich bezorgd toonde dat levenslange straffen zouden worden omgezet in tijdelijke.
Kotalla Tijdens de rechtszaak van Kotalla was de vraag of hij verminderd toerekeningsvatbaar was. Na zijn cassatie werden aanvullende psychiatrische evaluaties uitgevoerd, waarbij een dwangstoornis werd vastgesteld als gevolg van hersenletsel opgelopen op negenjarige leeftijd. Mulderije besloot daarom in december 1951 om de straf te verminderen tot levenslange gevangenisstraf vanwege verminderde toerekeningsvatbaarheid.
Lages thumb|Protest op 12 oktober 1952 op de Nieuwmarkt in Amsterdam tegen gratie voor Lages Lages vroeg direct na zijn cassatie in juli 1950 om gratie. Beide rechtbanken waren tegen gratie, maar het duurde tot september 1951 voordat het Bijzonder Gerechtshof tot deze conclusie kwam. De schuld voor deze vertraging werd gelegd bij de hoofdofficier van justitie, die de verwerking van het verzoek hinderde en Lages gebruikte voor zijn eigen onderzoek naar misstanden in kampen voor politieke gevangenen. Juliana was tegen zijn executie, terwijl Mulderije weigerde de gratie goed te keuren. Beiden dreigden met aftreden. Omdat geen van beiden toegaf, werd het besluit uitgesteld tot na de Tweede Kamerverkiezingen van 25 juni 1952. In het kabinet-Drees II werd Donker minister van Justitie.
De lange tijd tussen zijn vonnis en de executie werd de hoofdreden voor Donker om de straf van Lages om te zetten in levenslange gevangenisstraf op 29 september 1952. De beslissing om de straf van Lages om te zetten leidde tot sociale onrust. In Amsterdam protesteerden 15.000 tot 20.000 demonstranten op 12 oktober 1952 tegen het besluit. Donker maakte in het parlement het voorbehoud dat er, voor zover hij betrokken was, geen sprake zou zijn van een tweede gratie in deze uitzonderlijke categorie. Hij zei ook dat naar zijn mening ministeriële verantwoordelijkheid gold voor gratiebeslissingen. Dat betekende volgens hem dat een dergelijke beslissing zou worden beïnvloed door het parlement en dus de samenleving.
De laatste vier (1960-1965) miniatuur|De Koepelgevangenis waar Fischer, Aus der Fünten en Kotalla vanaf 1952 en Lages vanaf 1955 werden vastgehouden (foto in 1967)
Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 was een levenslange gevangenisstraf in Nederland altijd omgezet (meestal na vijftien tot zeventien jaar). Voormalig minister Struycken verklaarde later dat hij verwachtte dat de omgezette doodstraf een maximum van twintig jaar gevangenisstraf zou betekenen. Bovendien wilde de Nederlandse regering de oorlog achter zich laten door middel van gratie, onder andere om controversiële debatten over Nederlandse collaboratie te vermijden. Dit leidde tot de vrijlating van de laatste Duitse oorlogsmisdadigers in 1961, met uitzondering van de Vier van Breda. Ook de vijf andere Duitse gevangenen die aanvankelijk ter dood waren veroordeeld, waren in betrekkelijke stilte tussen december 1958 en mei 1960 vrijgelaten.