De Schneider is de eerste Franse tank. Hij werd in 1915 door ingenieur Brillié van de Schneiderwapenfabriek ontwikkeld, en door kolonel Estienne gebruikt om er het Franse tankwapen mee te scheppen. De eerste inzet op 16 april 1917 verliep teleurstellend, ook doordat de tank zelf slecht was ontworpen. De 400 geproduceerde tanks werden al in de loop van 1918 vervangen door de FT-17. Uit het prototype van de Schneider is de Saint-Chamond ontwikkeld.
Ontwikkelingsgeschiedenis Er bestond in Frankrijk een fabriek die zich toelegde op de productie van zware machines en voertuigen, met de naam Schneider et Cie. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, nam de fabriek een opdracht aan voor de productie van zware artillerietrekkers. Al snel werd duidelijk dat in de modder van de loopgravenoorlog tractoren maar beter voorzien konden zijn van een rupsbandonderstel. Er was in de hele wereld echter maar één producent van zware rupsbandvoertuigen: de Holt company in de Verenigde Staten. Ook tot het Britse leger was dit besef al lang doorgedrongen, en dit had een vertegenwoordiger van Holt, een zekere Schnerb, uit Amerika laten overkomen om de nieuwste modellen te tonen. In januari 1915 werden de met hem meegereisde tractoren beproefd op de legerbasis bij Aldershot. Schneider stuurde twee van zijn beste ingenieurs, de heren Brillié en Duhamel, naar Engeland om eens een kijkje te nemen. Op 31 januari woonden de Fransen een demonstratie bij.
Eugène Brillié, een briljant technicus met een zeer vooraanstaande positie in het bedrijf – hij was een automobielontwerper en -fabrikant die samen met zijn fabriekje door Schneider overgenomen was –, wist na terugkomst de leiding ervan te overtuigen dat er onmiddellijk twee exemplaren besteld moesten worden, niet alleen voor de verbetering van de eigen tractor, maar ook om er een bewapend en gepantserd gevechtsvoertuig uit te ontwikkelen. In mei 1915 kwamen de bestelde tractoren aan en er werd onmiddellijk begonnen met de bouw van het eerste prototype van de Tracteur blindé et armé, zoals het voertuig bij gebrek aan een specifieke naam maar genoemd werd. Dit was gebaseerd op de korte 45 pk Baby Holt tractor. thumb|De 75 hp Holt, de basis voor zowel de eerste Franse, Duitse als Amerikaanse tank thumb|De Baby Holt met pantserplaten te Vincennes, 3 mei 1916; v.l.n.r. sergeant de Bousquet, sergeant Pierre Lescudé (beiden op de tank), generaal Léon Mourret, kapitein Leisse, onderluitenant Charles Fouché In september 1915 deed zich een nieuwe verwikkeling voor. Van de vele dodelijke gevaren op het Westelijk Front was het prikkeldraad het meest gevreesd. Op vele plaatsen was er een waar woud aan huizenhoog opgestapelde rollen prikkeldraad verrezen, soms met een diepte van honderden meters. Voor iedere aanval moesten die versperringen met de hand geruimd worden – onder vijandelijk vuur welteverstaan. Er was altijd een tekort aan draadknippers en de Franse legerleiding schreef dan ook een opdracht uit voor een gemechaniseerde draadknipper. Op 22 juli 1915 demonstreerde Jules-Louis Bréton (1872-1940), parlementslid van het departement Cher en bekend uitvinder, een werkend exemplaar. Dit was een soort verticale heggenschaar, achter een tractor gehangen. Zijn voorstel werd aangenomen en hijzelf werd voor massaproductie naar Schneider verwezen. Daar begrepen ze onmiddellijk de kans die dit bood. De draadknipper werd gecombineerd met hun bewapende pantsertractor. Zo werd hun tank van particulier project met onzekere toekomst in één klap tot een officieel overheidsprogramma. Voorlopig zouden tien exemplaren van de vijftien Baby Holts die het Franse leger via Schneider besteld had, met het apparaat worden uitgerust.
Op 9 december 1915 toonde Bréton het nut van het nieuwe voertuig aan bij Souain, op een stuk veroverd loopgravenstelsel. Het korte onderstel van de tractor was aan de zijkant voorzien van twee van voren en achteren ver uitstekende staalplaten, niet eens gehard, die aan de voorkant in een wigvormige punt eindigden. De bovenkant was open. Bij de toeschouwers bevonden zich generaal Pétain (de latere held van Verdun), als vertegenwoordiger van het hoofdkwartier, en zijn artilleriecommandant kolonel Estienne. Deze laatste was een van de meest begaafde officieren van het land, en had reeds een enorme reputatie opgebouwd door het voortouw te nemen bij de modernisering van de artillerie en het op poten zetten van de Franse luchtmacht. In de loop van 1915 was hijzelf al tot de overtuiging gekomen dat het vastgelopen front alleen in beweging gezet kon worden door de nieuwste technische snufjes toe te passen. Het rupsvoertuig, dat hij voor zijn ogen alle hindernissen zag overwinnen, leek hem de concrete belichaming toe van al zijn eerdere vage ideeën. Hij had reeds op 1 december een afspraak met het opperbevel gemaakt om de mogelijke inzet van rupsvoertuigen te bespreken, en die gelegenheid greep hij aan om op 12 december de oprichting te bepleiten van een geheel nieuw onderdeel van het leger: de Artillerie Spéciale uitgerust met bewapende pantsertractoren van het Schneidertype, voorzien van een 37 mm kanon.
Op dat moment waren het Franse en Engelse leger druk bezig met de planning voor het zomeroffensief van 1916. Men had goede hoop de Duitse linies door massale artilleriebombardementen te zullen verpletteren. Maar deze methode zou ook onwerkzaam kunnen blijken – en dan moest men alternatieven achter de hand hebben. Het leek dan ook raadzaam Estiennes voorstel te aanvaarden, als het tenminste technisch haalbaar was. Op 20 december nam Estienne contact op met Brillié die hem verzekerde dat de productie op korte termijn kon beginnen. Op 27 december volgt een tweede demonstratie die alle aanwezigen overtuigde. De definitieve productieorder – 400 voertuigen voor 56.000 frank per stuk – kwam op 25 februari 1916.
In december was het Schneiderontwerp nog gebaseerd op de Baby Holt. De plannen voorzagen in een simpele verandering van de bestaande voertuigen door het aanbrengen van een dak waarop een toren met mitrailleuse, plus een mitrailleuse in de voorkant van de romp. Estienne had al gauw door dat het rupsbandonderstel te kort was; hij gaf aan dat er een nieuw ontwerp moest komen, gebaseerd op de langere 75 pk Holttractor, die hij al in november bestudeerd had. Dat geschiedde en in een legerwerkplaats werd het eerste prototype gebouwd waarbij het rupsonderstel van de 75 pk Holt zelfs nog verlengd werd: de Tracteur A. Brillié vond dat echter niet zo'n goed idee, omdat dan geen standaardonderstellen uit Amerika betrokken konden worden; hij ontwikkelde daarom een speciale klimstaart die een standaardonderstel dezelfde overschrijding gaf. Dit leidde in februari tot de Tracteur B, de directe voorloper van de Schneidertank.
Beschrijving 400px|thumb|Onder deze hoek is de 75mm pétoir (petarde) duidelijk zichtbaar; als het vizier op de neus op één lijn staat met het bestuurdersluik, bevindt het kanon zich in een neutrale positie ten opzichte van het doel. Dit onooglijke apparaat valt niet meteen als tank te herkennen. Er is geen koepel te bekennen en zelfs de bewapening is pas na enig speuren te ontdekken. Door de oorlogsomstandigheden was er geen tijd geweest om er diep over na te denken hoe een tank er eigenlijk uit zou moeten zien. Men koos voor de snelste oplossing: op het al bestaande tractoronderstel werd een doos van pantserstaal geplaatst. In die ene ruimte, van 6,32 m lang, 2,05 m breed en 2,3 m hoog, vond dan alles zijn plaats: 60pk motor, transmissie, besturing, 220 liter brandstof, een blik ether, de oliepomp, een 75mm kanon, twee 7,92mm Hotchkiss mitrailleuses, 90 granaten, 3840 kogels, zes manschappen, hun rantsoenen en de postduiven.
De eigenlijke gevechtsruimte was maar zo'n anderhalve meter hoog en raakte tijdens de strijd gevuld met oliewasem en cordietdampen. Van enig rijcomfort was geen sprake. De vering was minimaal en het volledig platte tractoronderstel kon uit zichzelf slechts een hindernis van 40 cm hoogte overwinnen. Dit werd gecompenseerd door de voorkant in een vijfhoekige punt te laten uitsteken. Die puntige overhang duwde het vehikel bij obstakels omhoog; het hele voertuig verhief zich daarna op een kwartronde dubbele staart (die van achteren een halve meter uitstak) om uiteindelijk op het obstakel neer te ploffen – als de tank tenminste niet omsloeg. De voor die tijd formidabele maximumsnelheid bedroeg 8,1 km/u en de tank kon op een volle brandstoftank 80 kilometer afleggen.
Eenmaal bij de vijand aangekomen, kon de tank maar beperkte schade toebrengen. Effectief waren vooral de twee 8mm Hotchkiss mitrailleuses, ieder aan een zijkant uitstekend in een kogelbol. De hoofdbewapening daarentegen was hoogst ongelukkig rechtsvoor in een hoekje geplaatst. Het, ter beperking van de terugslag verkorte, 75mm Blockhaus Schneiderkanon kon zo alleen recht vooruit schieten en circa zestig graden naar rechts. In een loopgraaf vuren was daardoor vrijwel onmogelijk. Het enig andere doel, het bestoken van vijandelijke artillerie, behoorde wel tot de mogelijkheden. Omdat het korte kanon, met een aanvangssnelheid van 200 m/s, een zeer slechte trefzekerheid bezat, moest de tank tot vlak voor een vijandelijke geschutsopstelling rijden, waarna het hele voertuig op het doelwit moest worden gericht. Om deze procedure wat te vergemakkelijken was op de neus van het voertuig een vizier aangebracht – niet voor de schutter, maar voor de chauffeur-commandant.
Schneider et Cie kon slechts pantserplaten verwerken van maximaal 11 mm dikte, net voldoende om kogels en granaatscherven tegen te houden. Het voordeel was dat het gewicht van de tank beperkt bleef tot ruim 13 ton. Op de meest kritieke punten werd dit basispantser later aangevuld door een tweede pantserlaag van 5,5 millimeter. Door deze tweede laag met een tussenruimte vier centimeter te plaatsen, vervormde de speciale pantserdoorborende K(Kern)-kogel die de Duitsers voor het Mausergeweer invoerden, nog voor deze het hoofdpantser bereikte. Zo verkregen bepaalde sectoren aan de schuine voorkant toch nog een pantserequivalentie van ongeveer 80 mm bij horizontale inslag. Aangezien er nog geen antitankkanonnen bestonden, was deze eigenschap niet erg nuttig. De ware dreiging werd gevormd door verticaal neerkomende mortiergranaten, en aan het front stonden veel zware mortieren opgesteld.
De mechanische draadknipper, het officiële doel van het project, bleek overbodig en werd daarom geschrapt. De prikkeldraadversperringen werden met de Schneider eenvoudigweg geplet. Op de neus van de tank zat nog een opstekende sneb om zo veel mogelijk draad tot onder de rupsbanden te voeren.
Productie en operationele geschiedenis