thumb|East India House in Londen De Britse Oost-Indische Compagnie (Engels: East India Company, ook wel John Company) werd opgericht bij koninklijk besluit van koningin Elizabeth I van Engeland op 31 december 1600. Gedurende de volgende 250 jaar werd het een van de machtigste commerciële ondernemingen van haar tijd. De compagnie werd in 1874 opgeheven.
Het zwaartepunt van de handel van de Britse Oost-Indische Compagnie bevond zich in India. Daar ging zij ook bestuurlijke en militaire functies uitvoeren die uiteindelijk de commerciële activiteiten zouden overschaduwen.
India werd vaak het juweel in de Britse kroon (Jewel in the Crown) genoemd. Letterlijk omdat 's werelds grootste diamant, de Koh-i-Noor, die deel zou gaan uitmaken van de kroonjuwelen van het Verenigd Koninkrijk, daar werd gevonden. Figuurlijk omdat India voor de Britten het meest waardevolle land was tot de onafhankelijkheid in 1947. Zoals Macaulay zei in een speech in het Brits Lagerhuis op 10 juli 1833: Het is de vreemdste van alle regeringen, maar ontworpen voor het vreemdste van alle rijken.Speech van 10 juli 1833. Gearchiveerd op 27 april 2023.
thumb|De vlag van de compagnie heeft in de hoek de vlag van Engeland (het kruis van St. George) en de strepen hebben mogelijk de vlag van de Verenigde Staten geïnspireerd thumb|Vlag van de Britse Oost-Indische Compagnie, 1707-1801 thumb|Vlag van de Britse Oost-Indische Compagnie, 1801-1858
Invloed Vanuit het statige East India House, haar hoofdvestiging in Leadenhall Street in Londen, heeft de Compagnie invloed uitgeoefend op alle continenten. Ze was leidinggevend bij de stichting van Brits-Indië, stichtte Hongkong en Singapore, was werkgever van Kapitein Kidd in de strijd tegen piraterij, vestigde de teelt van thee in India, hield Napoleon gevangen op Sint-Helena en maakte het fortuin van Elihu Yale. Haar handelswaar was het onderwerp van de Boston Tea Party.
De vlag van de Compagnie, met de Engelse vlag in een hoek en de horizontale strepen, was mogelijk een inspiratiebron voor de Stars and Stripes, de vlag van de Verenigde Staten zoals dat in 1937 werd geopperd door Sir Charles Fawcett. Vergelijking tussen de vlaggen en bestudering van historische bronnen lijken dit te bevestigen.
De scheepswerven stonden model voor die van Sint-Petersburg, elementen van haar administratie zijn nog steeds terug te vinden in de Indiase bureaucratie en haar bedrijfsstructuur is een vroeg voorbeeld van een bedrijf met gezamenlijke aandelen.
Het slechte financiële beheer van de Compagnie in Bengalen belette bij de hongersnood van 1770 het voorkomen van miljoenen slachtoffers.
Geschiedenis De stichtingsjaren De Compagnie werd opgericht als Gouverneur en vereniging van kooplieden van Londen, die handelen met Oostelijk Indie (Governor and Company of Merchants of London trading with the East Indies) door 215 ondernemende en invloedrijke zakenlieden, onder leiding van George Clifford, 3rd Earl of Cumberland. Ze verkregen een exclusieve volmacht voor de handel met alle landen ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan, voor een periode van vijftien jaar. De Compagnie werd geleid door 24 directeurs of comités en had bij aanvang een kapitaal van iets minder dan 70.000 Engelse ponden.
Het idee van het oprichten van de handelscompagnie had zijn oorsprong in de Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604), waarbij de kaapvaart een belangrijke rol speelde. De buit van de Portugese kraak, de Madre de Deus door Walter Raleigh, deed de ogen open gaan. Na de ondertekening van het Verdrag van Londen in 1604 die de Spaans-Engelse Oorlog beëindigde, kon de compagnie zich volledig ontplooien. In de koers in het opzetten van nieuwe factorijen, waren de Nederlanders, met de Vereenigde Oostindische Compagnie hen voor.
Ze slaagde er niet in een vaste vestigingsplaats te bemachtigen in Indië. Uiteindelijk arriveerden schepen van de Compagnie in India, meerden af bij Surat en stichtten er in 1608 een handelspost. Gedurende de volgende twee jaren slaagde ze erin om een eerste factorij te stichten in de stad Machilipatnam aan de Coromandelkust in de Golf van Bengalen.
De hoge winsten die al snel door de compagnie werden gemeld (waarschijnlijk te danken aan het terugdringen van doorvoerkosten door het oprichten van de handelsposten) waren voor koning James I reden volmachten te verlenen aan andere Britse compagnieën. Maar in 1609 besloot hij toch de volmacht voor de Compagnie voor onbepaalde tijd te verlengen, met inbegrip van een clausule dat de volmacht zou eindigen als de handel gedurende drie opeenvolgende jaren niet winstgevend zou zijn.
De zevende handelstocht van de Compagnie met het schip de Globe, van 1611 tot 1615, werd geleid door twee Nederlandse kooplieden die eerder voor de VOC hadden gewerkt: Peter Floris en Lucas Antheunisz. Er werd handel gedreven tussen de Coromandelkust, Bantam en de Golf van Siam. De tocht was erg succesvol.
Vestiging in India De handelaren van de Compagnie waren vaak betrokken bij vijandigheden en schermutselingen met hun Nederlandse tegenhangers. Tegen de veel beter bewapende, gefinancierde en bemande Nederlanders dolven de Engelsen in de 17e eeuw stelselmatig het onderspit. Waar de handelaren van beide compagnieën elkaar tegenkwamen lieten de Nederlanders duidelijk merken dat zij de dienst uitmaakten, zoals uit bijvoorbeeld de gebeurtenissen rond de Ambonse Moord in 1623 blijkt. De gebeurtenis was aanleiding voor de Engelsen zich terug te trekken uit de met de VOC gedeelde handelsposten in Oost-Indië. Geleidelijk verloor de East India Company ook haar andere bezittingen in het gebied. In 1685 was nog slechts een handelspost in Oost-Indië over: Benkulen op Sumatra.Prakash (1998) De Britten besloten de lucratieve handel in specerijen aan de Nederlanders te laten en zich uitsluitend op Voor-Indië (India) te richten. Na de Glorious Revolution van 1688 werd deze verdeling door beide landen ook officieel gesanctioneerd. Bij de Kroon werd een verzoek ingediend om een diplomatieke missie te starten.
India was destijds met 150 miljoen inwoners ongeveer een vijfde van de wereldbevolking en was verantwoordelijk voor ongeveer 25% van de wereldwijde productie van goederen,Dalrymple (2019) met name textiel. Het gebied was grotendeels in handen van het Mogolrijk, dat destijds (net als Ming-China) een economische en militaire supermacht was. In de 16e eeuw was het een trekpleister voor Europese gelukszoekers en huursoldaten. Keizer Akbar (1556-1605) had een grote interesse voor de buitenwereld en verwelkomde onder andere een groep Portugese dominicaanse monniken aan zijn hof. Dit contact leidde aanvankelijk tot wederzijdse teleurstelling. De dominicanen bleken niet in staat de keizer of een grote groep van zijn onderdanen tot het christendom te bekeren. Op zijn beurt kwam de keizer tot de conclusie dat het onmogelijk was de Europeanen, die hij als barbaren beschouwde, beschaving bij te brengen. Als gevolg van het contact waren de Portugezen echter al goed bekend met de machthebbers toen de Engelsen in het begin van de 17e eeuw arriveerden. Ze hadden in de diplomatie een voorsprong op de Engelsen.
Toestemming van de Mogolkeizer was essentieel om in India handel te voeren. De eerste Engelsman die erin slaagde het keizerlijke hof te bereiken was William Hawkins in 1608. Keizer Jahangir ondervroeg Hawkins maar verloor al snel interesse. Hawkins werd een Armeense vrouw gegeven en terug naar Europa gezonden. Het was duidelijk dat de compagnie een bekwame diplomaat nodig had.
In 1615 werd Thomas Roe door James I afgevaardigd. Doel van de missie was het tot stand brengen van een handelsovereenkomst waardoor de compagnie exclusieve rechten kreeg voor het vestigen van handelshuizen in Surat en andere gebieden. Als tegenprestatie bood de Compagnie aan om de Mogols te voorzien van goederen en rariteiten van de Europese markt. De missie was geen overweldigend succes. De cadeaus die Roe meebracht - jachthonden, een koets, schilderijen en enkele kratten wijn - konden de keizer niet erg interesseren. Jahangir was een verwoed verzamelaar van kunst en rariteiten en hij was beter gewend. Jahangir was geïnteresseerd in informatie over Engeland, maar voor de Mogols ging het om een onbelangrijk eiland aan de rand van het door godsdienstoorlogen verarmde Europa. Na drie jaar verleende Jahangir Roe uiteindelijk enkele beperkte voorrechten, waaronder toestemming om in Surat een factorij op te richten.
Gedurende de 17e eeuw werden de Engelsen echter geleidelijk beter in de omgang met de Mogols. De werknemers van de Company leerden zich aan de wetten en gebruiken te houden. Vaak leerden ze het Perzisch, de taal van de beambten van het rijk, bekeerden ze zich tot de islam en trouwden ze met inheemse vrouwen. In het midden van de eeuw had de Company een handvol factorijen opgericht, waaronder enkele langs de kust van Bengalen en enkele in het binnenland.Stein (2010), p. 200 Typisch voor deze fase was dat de Company slechts handelsposten langs de kust onderhield en conflict met de inheemse heersers uit de weg ging.
Toen de Britten in Childs Oorlog (1686-1690) toch de wapens tegen de Mogols opnamen, liep dit op een snelle nederlaag uit. Mogolkeizer Aurangzeb toonde zich opmerkelijk vergevingsgezind nadat Britse afgezanten met smeekbeden voor hem door het stof kropen, en gaf de Britten de door de Mogols ingenomen handelsposten terug.
Uitbreiding De Compagnie bleek succesvoller dan de Portugese concurrentie, die was gevestigd in Goa en Bombay (dat later aan Britten werd overgedaan als onderdeel van de bruidsschat van Catherine de Braganza). Ze vestigde zich in Surat (1612), Madras (1639, nu Chennai), Bombay (1668, nu Mumbai) en Calcutta. Tegen het jaar 1647 had de Compagnie 23 vestigingen en 90 werknemers in India. De belangrijkste vestigingsplaatsen werden de ommuurde forten van Fort William in Bengalen, Fort St George in Madras en het Kasteel van Bombay. In 1634 stond de Mogolkeizer de Britten ook toe in Bengalen handel te drijven en in 1717 werden alle grensbelastingen voor de handel afgeschaft. De voornaamste handelsgoederen waren rond die tijd katoen, zijde, indigo, salpeter en thee.
Gedurende deze tijd werd voortdurend geprobeerd het Nederlandse monopolie op de handel in specerijen in de Straat Malakka te doorbreken. In 1711 vestigde de Compagnie een handelspost in Kanton, China voor de handel in thee en zilver. In 1657 vernieuwde Oliver Cromwell de volmacht van 1609 en bracht kleine wijzigingen aan in de bedrijfsstructuur. De status van de Compagnie werd nog vergroot door het herstel van de Britse monarchie. Met een serie van vijf wetten gaf koning Karel II in 1670 de Compagnie het recht om zelf gebieden te veroveren, munt te slaan, forten en legers te bezitten, verdragen aan te gaan, oorlog te voeren, vrede te sluiten en recht te spreken in de bezette gebieden.
Wegens de concurrerende andere Europese machten en soms belaagd door vijandige lokale heersers had de Compagnie grote behoefte aan bescherming. De door de staat gegeven vrijheden waren dus zeer welkom en er werden, aanvankelijk twijfelend, eigen legereenheden opgericht, die bestonden uit lokale recruten, de sepoys, ingehuurde Britse eenheden en een eigen zeemacht: de Bombay Marine. Rond 1690 voerde de Compagnie min of meer zelfstandig het bestuur over de Britse koloniën langs de kust van India, hoewel belasting werd afgedragen om door lokale machthebbers getolereerd te worden.
De weg naar een compleet monopolie Handelsmonopolie De welvaart die werknemers van de Compagnie genoten stelde hen in staat terug te keren naar hun vaderland waar ze vaak grote landgoederen stichtten en hun geld investeerden in zaken en aanwendden voor het verkrijgen van politieke macht. Zodoende ontwikkelde de Compagnie een lobby in het Britse Parlement.